| De haven van Mevagissey. |
| De All Saints' Church, Pentewan. |
| Langs de weg in Coverack. |
| Het gemeentehuis van Marazion. |
| In The Five Pilchards Inn in Porthallow. |
Als het lente is, lees ik een krant op een terras en drink een latte uit een glas. Of om het even een boek met een cappuccino of een dubbele espresso. Maar dat kan ook als het zomer is. 's Winters ga je binnen zitten.
| De haven van Mevagissey. |
| De All Saints' Church, Pentewan. |
| Langs de weg in Coverack. |
| Het gemeentehuis van Marazion. |
| In The Five Pilchards Inn in Porthallow. |
Als voorbeeld konden we de hele puzzeldoos meenemen, of alleen de deksel, plat in de koffer. Maar wat een gedoe zou dat zijn. Gelukkig neem je zo'n plaatje tegenwoordig gemakkelijker mee in het geheugen van je telefoon. Die zetten we op het muurtje waarover de foto genomen is. En dan maar kijken of we precies hetzelfde zouden krijgen. Wat een gekkigheid, kun je denken. Maar Polperro ligt natuurlijk niet zomaar even om de hoek. Het is geen puzzel van een plek in Leiden of Amsterdam. Het is een lange reis om er te komen, en zeker met de omweg via Penzance, met de trein en wandelend over de kliffen. Ik pleit er trouwens voor weer meer van dit soort nostalgische puzzels op de markt te brengen, met mooie, gezellige plaatjes, van plekken die echt bestaan, fijn voor lange winteravonden.
![]() |
| In de puzzel. |
Nu we de foto's naast elkaar hebben, van de puzzel en van 25 juni 2022, is het een kwestie van vergelijken, van zoek de verschillen. Er liggen andere bootjes, maar op de puzzelfoto liggen ze toch mooier gerangschikt. Op de puzzelfoto is er ook minder wind, waardoor het water blauwer oogt. De hortensia bloeit er al wat langer, en ook alle andere bloemen bloeien uitbundiger. Dat zou betekenen dat het op de puzzel al wat langer zomer is. Er staat een andere plantenbak rechts achter de struik. En ook de haak aan de muur is vervangen. Er zit nog steeds een kattenluik in de deur, de groene verf is eraf geschrapt en alles is in de vernis gezet. En voor wie goede ogen heeft: rechts naast de deur hangt nog steeds een bel met een klepel. En ook het leeuwtje op de hoek van de muur houdt dapper stand.
| Het bord met 'The Old Watch House'. |
Ondanks dat alles van tevoren zo bedacht was, was het een vreemde gewaarwording om op deze plek te zijn. Alsof het plaatje al die tijd en onveranderlijk zo precies op ons gewacht had. Alsof we écht in de puzzel waren gestapt.
| Het witte huis. |
Waar moeten we beginnen, na 207 kilometer van het South West Coast Path? Je kunt het in tien dagen lopen. Er zijn er die 'm helemaal lopen, al die 1014 kilometers (630 mijlen).* Geen gewone kilometers. Want het gaat óp en néér. Klif op, klif af. Paden en trappen. Een trap van 90 treden, of 130. Geen treden zoals je die thuis hebt, maar treden zó groot, dat je, wil je naar beneden, steeds weer eerst je stok moet neerzetten, anders maak je een duik, dan je ene voet kan neerzetten, en dan de andere voet erbij. Voetje voor voetje. Omhooggaan is makkelijker, gaat sneller. En geen trede is gelijk. Dus je moet kijken, blijven kijken, je ogen hebben het druk, je hersenen maken overuren. Helemaal als je over keien moet een stuk. Die kei ligt zo, die zo, die ligt schuin, is glad, of is alleen maar een punt. Dus waar zet je je voet? Net balancerend op die punt, of toch op die steen ervoor? Zal ik dan eerst nog m'n stok neerplanten, of laat ik dat maar even? Zet ik m'n voet op dat stukje grond net tussen die stenen, waar het vlak is, of past m'n voet daar niet, kan ik dan zwikken, omdat m'n schoen blijft haken? Alles in tienden van seconden, je ogen, je hersenen. Constant beslissingen nemen.
Geen gewone kilometers. Simon ('Saimun' op z'n Engels) van B&B The Cottage zei het goed. Je mag ze gerust wel dubbel tellen. Wat het erger maakt, zijn die bordjes onderweg, waarop geen kilometers staan maar mijlen. Die moet je met 1,6 vermenigvuldigen. Je maakt dan sommetjes in je hoofd: 2 1/2 m is 4 km, maar 2 3/4 m, wat is dat? 4,4 km? Die mijlen zijn lang. Er komt geen einde aan. Het is alsof je van Katwijk naar Scheveningen loopt, in de tijd dat er nog kilometerpalen langs het strand staan, eikenhouten palen met een oranje kop met een nummer erop. Bij iedere volgende paal die in het zicht kwam dacht je: nu ben ik er. Maar dan doemde er weer een nieuwe op. Hier zijn het de kliffen waar je omheen moet, óver moet. Bij iedere bocht, ieder klif, denk je, nu komt dat haventje toch wel in zicht, maar om de bocht, over het klif, weer niet, weer geen Polperro, ons einddoel van vandaag. Waar blijft het?
| De ferry naar Polruan. |
Die middag was het ook nog gaan regenen. Dat is niet erg, als je erop gekleed bent. Het hele begin van de middag gaat het goed. Als we oversteken en de wind steekt op, tussen Fowey en Polruan, begint het te druppelen. We doen onze regenjassen aan. De kleine ferryboot begint al lekker te deinen, schudden, kan je beter zeggen, want de wind komt van opzij. Je ziet de golven ook wat wilder worden in de verte, waar de zee de inham binnenkomt. Behalve ons is er nog een man mee, met een hond. Alle Britten hebben honden, en ze mogen overal naar binnen, in alle pubs, bij iedere ijskraam is er ook doggy ice cream te verkrijgen. Wij houden ons vast en blijven een beetje onder de open stuurhut, waar de schipper staat, wijdbeens, stabiel, de golven komen van opzij, de regen van voren, op het raam, met een ruitenwisser bovenin, daar kijkt hij doorheen. Nat worden we niet, niet van de regen, en ook niet van de golven, er slaat er niet een over de rand. Dat vergt stuurmanskunst.
We gaan aan wal en lopen omhoog, de straatjes van Polruan in, langs de kerk met daarachter de pastorie waar Raynor Winn het manuscript voor The Salt Path schreef. De pastorie is niet te zien, maar hier, door dat hek, in dat steegje, die doorgang naast de kerk, daar moet het zijn, waar ze onderdak vonden, zij en haar man Moth. Hij moet blijven lopen, anders steekt zijn ziekte weer de kop op, corticobasale degeneratie (CBD). Zolang hij blijft lopen, gaat het goed. Zolang hij het Zoutpad blijft lopen. Zo noemen ze het South West Coast Path. Een man wijst ons de weg, daar, bij dat hek, maar het is private property hoor, dat we er niet doorheen gaan.
| Het hek dat toegang geeft tot de doorgang naast de kerk. |
Terwijl we foto's maken, begint het al wat serieuzer te regenen. We lopen verder. Na Polruan krijgen we eerst struiken, met doorns, stekels. We bukken en tunnelen ons erdoorheen, dekken onze ogen af tegen de takken, met de regenjassen aan voelen we er gelukkig niet veel van, die stekels. 'Tunnelen', we hebben erover gelezen bij Paddy Dillon, in zijn wandelgids voor het South West Coast Path, maar nu maken we het voor het eerst in het echt mee. Hiervoor hadden we eigenlijk alleen nog maar die metershoge varens gehad, met onderaan wat brandnetels. We hebben geen regenbroek aan. Dat hoeft ook niet. Als je sokken maar droog blijven. Daar komt de regen niet, zo laag, tussen die struiken.
| 'Polperro 5 m'. |
Tot we het bordje met 'Polperro 5 m' passeren. 5 mijl, dat is 8 kilometer. Het tunnelen is voorbij. Voor ons zien we alleen nog varens, dicht op elkaar. Eén groene massa. Maar waar is het pad gebleven? Het kan niet weg zijn, toch? Het moet ons naar Polperro brengen. Er is geen andere weg. Het moet er zijn. Waar is het? We duwen de varens opzij. Zoeken. Dan ontdekken we in al dat groen, die zee van varens, heel vaag, een dunne kronkelende streep, een streep die verraadt dat daar ruim anderhalve meter onder ons, daar ergens tussen de planten, op de grond, een pad moet zijn. Een pad met ook nog af en toe een traptrede, merken we nu. Bijna niet te zien. Je moet goed naar beneden kijken, naar de grond, en rustig blijven, langzaam gaan, langzaam. We blijven dicht achter elkaar, en roepen, 'een tree, weer een tree, kijk uit, deze kan je bijna niet zien, hier een stukje naar links, nog een tree', hoog zijn die varens, de onderste bladeren hangen gebogen over het pad, druipend van het water... en dan, binnen vijf minuten, misschien zijn het er maar drie... of is het er één... lopen onze schoenen vol, met het water van de varens. Niet van de regen. Daar hadden we tot nu toe geen last van. Maar wel van de regen die óp de varens gevallen is.
Het is in een mum van tijd gebeurd. Onze voeten staan in het water, in die grote schoenen. We soppen verder, weer een bocht, nog geen Polperro. Vijf mijl, acht kilometer. Nog dat haventje niet, weer een bocht, nog een klif, varens, het pad wordt smal, vlak langs de rand, de afgrond, naar de zee, diep onder ons. Voetje voor voetje gaat het, langzaam, we geven elkaar signalen, 'kijk uit hier, hou je links, tegen de berg, kijk uit, hier is niks', daar moet je een grote stap maken, is de grond weggespoeld, een dun streepje is het pad, tussen de hoge varens, ergens onder ons, een streepje grond.
Dan houdt het op, opeens. Geen varens meer. Zo plotseling als ze er waren, zijn ze ook weer weg. Het pad gaat verder, geklemd tegen de rotswand. Daar komen bomen, is een bospad, wordt het breder, dat geeft hoop dat we vlak bij een dorp zijn. Bredere paden, bankjes, betekenen altijd dat er vaak mensen komen, die een wandelingetje maken, met de hond. Hondendrollen, helemaal goed, dan kan het dorp niet ver meer zijn. Daar, het witte huis, in de verte. Je ziet het, net voor de bocht naar het haventje. Het ligt aan de voorkant voorbij de havenmond, tegen het klif. Het witte huis, het is het eerste wat je ziet als je Polperro in komt. We zijn er! Kilometers, verdubbel ze maar, zei Simon.
* Zoals die Duitser die we tegenkwamen, in acht weken. Of die vader met z'n zoon van tien en een kat van één. Of die man die geld inzamelde voor de Indische militairen, de Gurkha's, die voor de Britten gevochten hebben.
| Pioenroos. |
En wat een bloemen! Het is juni. Terwijl mei toch de bloeimaand genoemd wordt. Maar dan begint het natuurlijk al, dat bloeien. Dat het een lieve lust is. Met de campanula, waarop twee bijen zoemen. De petunia, met al die witte klokken, die zwaar over de pot hangen.
| De klokken van de petunia. |
Kattenkruid, ik ben de Latijnse naam even kwijt – katten snuffelen er even aan, gaan er niet in liggen, wat je zou verwachten, of als je de verhalen moet geloven. Wij krijgen iedere dag een kat op bezoek en die doet dat niet. Hij maakt wel koprollen. Het is een lieverd. Een lapjeskat.
| Kattenkruid. |
De sering is al een tijdje uitgebloeid, waardoor we heel lang de lucht van geurige zeep om ons heen hadden. Niet normaal meer gewoon. Zelfs de strater viel het op. Een ruwe bonk van een kerel, die daar neus voor heeft. De sering heeft zich overigens wel keurig aan de officiële periode van de bloeimaand gehouden.
| Salie, in de overgangsfase tussen rozerood en wit. |
Dan de salie, waarvan de bloemen rozerood zijn en daarna wit kleuren, via een officieel gemengd stadium van rozerood en wit. Eetbaar ook natuurlijk, de blaadjes in ieder geval en misschien ook wel de bloemen. De lavendel, die in geen tuin mag ontbreken, vanwege de perfecte kleur van blad en bloem en het oproepen van een compleet zuidelijke leefwereld. En sinds dit jaar, ter nagedachtenis aan Laurenne, hebben we prikneuzen in de tuin, van een onooglijk bosje grijsgroene bladeren uitgegroeid tot een fiere plant met heel veel lichte bloemen.
| Prikneuzen. |
In de binnenstad werd het academisch ziekenhuis gesticht. Later verhuisde dit naar de plek waar nu het Museum voor Volkenkunde staat en weer later naar de huidige plek aan de Rijnsburgerweg. Eerst gevestigd in meerdere paviljoens, nu in het bekende moderne gebouw.
In Braam plukken gaan Adri van Beelen en Leendert de Vink enkele van die oude plekken bezoeken. Zoals de allereerste locatie van het Diaconessenhuis aan het Plantsoen in Leiden. En ook de latere plek aan de Witte Singel, waar nu de Universiteitsbibliotheek gevestigd is. Tevens brengen ze een bezoekje aan de plek waar de zogeheten Vrouwenkliniek van het LUMC stond.
Leendert en Adri verbazen zich weer op de voor hen kenmerkende wijze over wat zij wel, of juist niet, aantreffen in buurstad Leiden, waar heel wat dorpsgenoten zijn bevallen, geboren of geopereerd. Verpleegd door nonnen en diaconessen, uit pure naastenliefde.
Het camera- en geluidswerk is ook in deze aflevering weer in handen van Jaap Arnoldus.
Braam plukken is vanaf maandag 6 juni de hele week te zien op RTV Katwijk, om 12.00, 18.00 en 21.30 uur, na de sport. Via Ziggo op kanaal 41 of KPN 1385 maar nog makkelijker in het hele land op https://www.rtvkatwijk.nl/live-tv op de genoemde tijden. Later komt het programma op YouTube, waar het tot in alle eeuwigheid op ieder moment van de dag jaar in jaar uit te zien is.
Veel kijkplezier!
De vier eerdere afleveringen van Braam plukken vindt u op YouTube. Van jong naar oud zijn dat:
aflevering 4:
aflevering 3:
aflevering 1:
Zaterdag was de presentatie van Het boek van alle mensen, dieren en dingen. Daarmee wordt gevierd dat Querido al ruim 50 jaar kinderboeken maakt. Dat begon met Pluk van de Petteflet van Annie M.G. Schmidt, met tekeningen van Fiep Westendorp. We zijn daar allemaal mee opgegroeid. En met al die andere schrijvers en illustratoren die kinderboeken maakten bij Querido: Bart Moeyaert, Mies Bouhuys, Toon Tellegen, Miep Diekmann, Jan Jutte, Bibi Dumon Tak, Marit Törnqvist, Daan Remmerts de Vries, Jef Aerts, Thé Tjong-Khing, Anne Woltz, en vele, vele anderen.
Boeken die natuurlijk ook gemaakt zijn voor volwassenen. Niet voor niets staat er op bladzijde 484 van het boek: 'Uitgangspunt was een bundel die geschikt is voor lezers tot een jaar of twaalf – maar aan leeftijdsgrenzen hebben auteurs en redactie van Querido zich nooit veel gelegen laten liggen...' En daarmee is Het boek van alle mensen, dieren en dingen – met bijna 500 bladzijden! – een heerlijk boek om voor te lezen, en voor jezelf te lezen.
Retour de France gaat over de oude Route Nationale 7. Van Parijs helemaal tot aan Menton bij de Italiaanse grens. Aan de hand van de plaatsen langs de route worden de historische, politieke en sociale onderwerpen van Frankrijk besproken. Waarom het zo'n verambtelijkt land is. Wat die koningen van vroeger daarmee te maken hebben, en één keizer, Napoleon. Waarom wij daar met zo'n nostalgische blik naar kijken. En alles graag bij het oude houden, zoals we denken dat dat land hoort te zijn, maar het in alles ondertussen finaal achteroploopt. En alles heeft met alles te maken, ook dingen waaraan je helemaal niet denkt maar die wel helemaal waar zijn, bijvoorbeeld waarom ze zoveel praten, die Fransen.
Nu snap ik ook waarom je als je vroeger liftte vanaf de Place d'Italie naar het zuiden, wel meer dan dertig kilometer verder pas uit de auto werd gezet. Dat was nog ruim een decennium voor de rellen er uitbraken, in de banlieues. Maar ook toen al kon je daar dus maar beter niet uitstappen.
De RN 7 van Frankrijk is wat de Route 66 van de Verenigde Staten is. Met vervallen benzinestations, restaurants waar alle tafeltjes leeg zijn, of die zijn omgebouwd tot beddengigant of een andere megaverkoophal.
Het is duidelijk te zien: het dorp Katwijk, met links de vuurtoren, nog in de duinen, en rechts de kerk, met daaromheen de vissershuizen. Tussen vuurtoren en kerk drie rechthoeken. Misschien dat dat schepen zijn die op het strand liggen, want de middelste heeft een vlaggetje. Strandtenten kunnen het niet zijn, want het toerisme moest nog worden uitgevonden. Verder zien we een boer met een koe aan een lijn en nog twee mensen.
Een porseleinen bord, gemaakt in China rond 1720. In 1982 werd het opgedoken uit de Oost-Chinese Zee. In 1725 zonk daar een Chinese jonk die onderweg was naar Batavia. Een deel van de lading was voor de Nederlandse of Europese markt bestemd, een deel voor de Indonesische of Aziatische markt.
Hoe kwamen ze aan deze afbeelding van Katwijk? 'De kerktoren en vuurtoren zijn ooit onderwerp geweest van een Hollands schilderij dat in Decima terecht is gekomen. Het diende als motief om een kopie te maken voor de porseleinmakers die in het zuiden van China tijdens de regering van keizer Kangxi en diens opvolger Yongshen werkten voor een internationale markt.' Aldus John Kleinen, die ik hierover mailde en die er een artikel over schreef: 'The Ca Mau Shipwreck, 1723-1735'. Mijn collega Lam Ngo kwam het bord bij hem tegen en zei over het dorp aan zee: 'Je kunt het zien of niet.'
En dit moet dan de opa van Oronzo geweest zijn, die hier de sinaasappelen uitperst. We kwamen hem tegen op het pad, onderweg naar Monterosso.
Een mooie wandeling langs de rotsen, hoog boven de zee, bracht ons in 2016 in Monterosso. Ver na de tijd dat Carmen er zoende met haar Antonio, en ver voor de tijd dat ze opnieuw naar hem op zoek ging. Monterosso, wij wisten toen nog niet welke liefdesgeschiedenis zich hier had afgespeeld – dat lezen we nu – en weer opnieuw op het punt van beginnen stond. We moeten weer eens terug. Tiziana, van de B&B waar Carmen verbleef, kan ons vast alles vertellen.
| Vlak voor we Monterosso in lopen. |
Wel een halfjaar moest het geheim blijven en mocht ik er met niemand over praten. En verder moest het natuurlijk tiptop in orde zijn, helemaal zonder fouten. En ik mocht het niet laten slingeren. Maar wat een eer om het boekenweekgeschenk van Ilja Leonard Pfeijffer te mogen corrigeren. Gisteren al kwam een speciale koerier mijn exemplaar brengen, dat ik vandaag in de Oude Lutherse Kerk in Amsterdam door de schrijver zelf heb laten signeren.
| Stenen van de hoogte naar strand. De komende dagen moeten we er nog wat brekerzand in vegen. Dan komen ze goed vast te liggen. |
| Strater Jos aan het werk. |