donderdag 14 mei 2026

Stanway House – de Cotswolds (10)

In de nieuwe roman van Herman Koch, De overbodigen, kom ik het tegen: Stanway House, (op bladzijde 55), een paar kilometer buiten Stanton. De romanpersonages staan er voor een gesloten hek. Ze lopen de Cotswolds Way. Toch maar eens kijken tussen de foto's die we daar in 2019 genomen hebben of dat dat landhuis is waar wij ook voor een dichte deur hebben gestaan. En over de muur nog wat foto's hebben genomen, als door een periscoop.

... als door een periscoop.

Ik vergelijk de foto's met plaatjes op internet. Of eigenlijk zoek ik het eerst op op internet, dat huis waarover in het boek gesproken wordt. Waar ik wel blij van wordt, want de plekken zijn dus niet verzonnen, de personages zijn dat natuurlijk wel, anders is het geen roman meer. Wat ik op internet zie blijkt inderdaad hetzelfde te zijn als wat wij op de foto's hebben en ik zie nu ook een bord naast een toegangspoort opzij waarop gewoon de naam staat: Stanway House. Met het voorplein bij de poort als een bijna Zuid-Franse plek.

... een bord naast een toegangspoort opzij waarop gewoon de naam staat: Stanway House.

Het huis, met zijn donkere, loodkleurige ramen, is omgeven door parkachtige tuinen en er is een vijver met een fontein die bij gelegenheid wordt aangezet door de landlord en ver de lucht in kan spuiten. Ik herinner me nog een een reportage, lang geleden, waarin hij in een groot vertrek – de salon? – een spel speelde dat op sjoelen lijkt, op meterslange tafel. Zonder opstaande randen. Geen sjoelbak dus. Aan het eind waren ook geen poortjes waarin de stenen verdwenen. Misschien dat het een mix was van sjoelen en petanque, dat je met je steen het dichtst bij een als eerste vooruitgeschoven kleinere steen (bij petanque zouden we zeggen de but of de cochonnet) moest proberen te schuiven, of met je steen gewoon het verst over de tafel moest zien te komen zonder aan het eind ervan over de rand te glijden. De reportage is gelukkig snel gevonden, maar het is niet die van toen, want de landlord van toen was een beetje mal, herinner ik me, maar hij heeft wel een opvolger, en aan het eind kijken we uit over het park en wordt – natuurlijk – wel weer de fontein aangezet, wat mooie regenboogkleuren oplevert.

Met het voorplein bij de poort als een bijna Zuid-Franse plek.

Dat doen ze in juni, lees ik op het bord naast de poort. Wij zijn er in september. Op de dag dat we erlangs lopen, eindigen we in Broadway. De dag daarop vraag ik mijn vrouw ten huwelijk op de Broadway Tower.

De reportage, met verteller en presentator Robin Shuckburgh.

zondag 3 mei 2026

Oefenen voor Engeland: het Nederrijnsepad XL

Alles dezer dagen staat in het teken van de Grote Wandeling: het inlopen van de schoenen, het kiezen van de juiste sokken, dikke of dunne – de dunne lijken het te gaan winnen van de dikke; de dikke bewaren we dan maar voor de koude winteravonden die er ook weer aankomen –, en dan nog het lopen zelf. Wilma had een mooi pad gevonden, het Nederrijnsepad, dat met z'n 27 kilometer kan wedijveren met wat we in Engeland gaan tegenkomen, compleet met klaphekken en overstapjes en in alle vlakheid ook nog wat klimmetjes en afdalinkjes en af en toe een boomstronk of steen waarover je kan struikelen, alles in het klein natuurlijk vergeleken met de enorme Britse werkelijkheid, maar toch. Met een paar stukjes verkeerd lopen, wat je altijd wel hebt, kwamen we uiteindelijk op 27,55 kilometer. Valt nog mee.

Een schilderijtje. In de verte de papierfabriek bij Renkum. Uit de schoorstenen komt stoom.

De route. Paars gekleurd. Wij liepen 'm met de klok mee,
links bovenin beginnend bij nummer 8 op de Wageningse Berg.

Kasteel Doorwerth.

Ergens van het pad af.


Het pontje bij Driel.

Een monstertocht. Nu ik het opzoek om het linkje in te plakken zie ik dat er XL achter staat. Nou, dat was het wel. Boven en onder langs de Nederrijn, met twee pontjes, bij Driel en Wageningen, en onderweg kasteel Doorwerth, met reusachtig lekker ijs. Net zo lekker als het ijs bij hotel Nol in 't Bosch, waar we logeren, hetzelfde hotel waar prinses Beatrix in haar jonge jaren nog had meegedaan aan paardrijwedstrijden, laat een collage van foto's in de hal zien. In de tijd van de pandemie verbleven we hier ook al eens, waarbij we het diner op onze kamer kregen opgediend. Nu eten we er in de serre van het hotel. Een hotel waar je je bij binnenkomst onmiddellijk thuisvoelt.


Prinses Beatrix te gast bij Nol in 't Bosch op 8 maart 1952.

De bovenkant van het Nederrijnsepad was wel wat spannender dan de onderkant. Boven kom je langs het kasteel maar ver daarvoor ook nog langs de oude papierfabriek van Van Gelder, nu in handen van het Ierse Smurfit Westrock Parenco. Aan de onderkant van de rivier zijn het de dijken en lange stukken langs de uiterwaarden waar je over en doorheen loopt. Dat was wel afzien op het eind. Dan gaan je voetzolen branden, vooral onder de bal van je voet, ook al loop je over goed geventileerde paden.

...ook al loop je over goed geventileerde paden.

woensdag 29 april 2026

West Bay (2) – South West Coast Path (80)


In de haven liggen nog een paar vissersboten. Ze zijn er een aan het lossen. De kratten worden uit het ruim getakeld en op de kade getrokken. Als rest van een eeuwenlange bedrijvigheid. Het te aanschouwen voelt als een déjà vu van vakanties lang, heel lang geleden, aan de Bretonse kust. Toen die bedrijvigheid groter was. En hotelkamers daar nog 70, hooguit 80 franc* kostten, voor twee personen, inclusief ontbijt.

Na de haven kom je in het diepe mulle zand en stuit je op dat klif waar je niet overheen mag.

* We hebben het hier over begin jaren 80. Een Franse franc was destijds 33 cent in guldens, zo'n 15 cent in euro's. Dus reken maar uit.

zondag 19 april 2026

West Bay (1) – South West Coast Path (79)

West Bay. Als je thuis zit, in die overvolle Randstad, en je opent de kaart op het scherm, denk je dat dit een verlaten dorp is. Veel hotels zijn er niet. Een of twee. Misschien nog een enkele B&B, maar dan heb je het wel gehad. Maar ben je ter plekke en kom je de heuvel af, het klif, dan snap je hoe het werkelijk zit, weet je niet wat je ziet: een gigantisch caravanpark dat zich door het dorp slingert en zich uitstrekt tot ver in het achterland. Ook dit is Engeland. Honderden, duizenden stacaravans, van die grote, vaak met zo'n erker aan de voorkant, in lange, gebogen rijen, dat laatste om het nog een beetje levendig te maken. Een caravanpark dat helemaal het dorp in loopt, of er ergens voorlangs. Hoe het precies in elkaar zit kom je niet achter. Niet een-twee-drie in ieder geval. Voor het centrum van West Bay, het oude dorpsplein zogezegd, moet je nog wel even zoeken. Er is een brug, en als je die over gaat, kom je er. Rechts van de brug is de haven, bij de zee. Maar links is ook nog een watertje, een stille plas, met zwanen en eenden en waarop je kan peddelen, met aan de rand ervan, aan de overkant, optrekjes van hout met verandaatjes. Als je er krokodillen bij voorstelt, kun je er met gemak de Everglades van maken. Een bluesy landschap.

Bij een clubhuis aan de rand van het meertje oefent een groep kinderen met kano's en daarachter loopt dat enorme caravanpark weer door, het binnenland in, waar je voor een lagere prijs mag zitten zonder uitzicht op zee. Misschien dat er wachtlijsten zijn, voor die plekken vooraan.

Van zo'n caravanpark maak je natuurlijk geen foto's als je dichtbij ben, maar
op deze overzichtsfoto van het landschap is het per ongeluk wel te zien, in de verte.
Als je de foto aanklikt voor een vergroting, zie je hoe ver het het binnenland in slingert.

Maar helemaal vooraan kom je niet. En dat is het mooie aan West Bay. Buiten dat er hele lelijke appartementencomplexen staan daar vooraan bij de zee, is er voordat dat caravanpark begint, nog een groepje vakantiewoningen uit de jaren vijftig of zestig, met zo'n keurig gazonnetje ervoor. Nog helemaal in de staat van hoe ze ooit gebouwd zijn. Daar kunnen ze in veel badplaatsen nog een voorbeeld aan nemen.

Links vooraan het groepje vakantiewoningen uit de jaren vijftig of zestig,
met het gazon ervoor, maar dat ligt verstopt achter de duin.

zaterdag 4 april 2026

Hier mochten we niet langs – South West Coast Path (78)

Hier moesten we best wel omlopen, om die huizen hier vooraan, met die gezellige achtererven en aanbouwsels en trappetjes, een foto waard in ieder geval, dan een flinke heuvel over, langs een golfveld, dat leverde nog een balletje op, en dan nog over een vakantiepark met van die lelijke huisjes waar iedereen op mekaar zit.


...en we aan de monding bij zee gewoon doorheen hadden kunnen lopen...

...en daarvoor, zagen we nu we omkeken, gewoon langs die kliffen over strand gekund hadden...

Tot we bij een beekje kwamen waar we een bruggetje over gingen en we aan de monding bij zee gewoon doorheen hadden kunnen lopen, en daarvoor, zagen we nu we omkeken, gewoon langs die kliffen over strand gekund hadden.



Het zou toch wel toevallig zijn als ze op 4 juli 2025 om 9.48 uur Engelse tijd naar beneden zouden komen. Toch is het dat jaar nog gebeurd, in West Bay, dat de boel instortte en de mensen die er liepen nog op tijd weg konden komen. Dat was op de een-na-laatste dag van dat jaar ergens op de middag. Maar in het licht van de miljoenen jaren dat die kliffen al standhouden schelen die 5 maanden en 26 dagen tussen de instorting en dat wij er liepen natuurlijk maar een donshaartje.

In het filmpje helemaal onder aan dit bericht zie je het gebeuren.

Hier zie je het gebeuren.

vrijdag 27 maart 2026

Hotel Noordzee wordt gesloopt. Nee toch?

Als je als kind een hotel aan zee moest tekenen, tekende je dit hotel. Met een vooruitstekende gevel met panoramarestaurant en daarboven hoog in de lucht op de twee hoeken twee lange stokken met rood-wit-blauwe vlaggen. Vlaggen die altijd het land in waaiden. Want de wind die kwam uit zee. Je wist het precies in je kinderverbeelding. Zoals je een boom of een huis tekende, of een auto, zo tekende je ook een hotel aan zee.

De zijkanten van dat hotel had je dan nog niet ontdekt, met letters over de hele gevel, een hoge H met lange stokken, die eigenlijk ook weer het hotel verbeeldden, met de rechterstok, net als de gevel, iets schuin naar voren – een soort van droste-effect maar dan anders – en de dwarsstok van de H die doorliep, als een dak boven het woord NOORDZEE, want daar lag het hotel nu immers aan, waarbij je opnieuw aan het vooruitstekende panoramarestaurant moest denken.

Als je er uit eten ging met een feestelijk gezelschap, probeerde je daar ook altijd te zitten, vooraan bij het raam, met dat iconische uitzicht. En het gekke was, het lukte ook altijd, als je belde om te reserveren. Toch zaten er als je dan op de afgesproken tijd binnenkwam, ook altijd mensen meer de zaal in. Hoe deden ze dat?

Het restaurant werd aan de onderkant met pilaren gestut,* maar eigenlijk zag je die niet, ze vielen niet op als je eronderdoor liep. Het was net of die hele bak, dat hele balkon van een restaurant, hoe moet je het noemen, in de lucht zweefde. Wat naar achteren en daarbovenop had je dan die naar voren hellende gevel met hotelkamers, drie etages maar liefst de hoogte in, met bij allemaal een balkon. Die had je ook over de lange hoge gevel die de Voorstraat in liep, maar daar waren ze een stuk kleiner. Kleine, repeterende, zichzelf herhalende, balkonnetjes. Nadat je die muur met letters had gehad. Hoe verzin je het allemaal! Welke architect had hiervoor getekend! Een hotel dat eigenlijk omgekeerd, tegen de zee en de wind in gebouwd was, met z'n hele gevel en vlaggen en wat dies meer zij. En als die vlaggen bij oostenwind ook nog eris naar zee waaiden, was het helemaal de omgekeerde wereld.

Het hele hotel ademde hotel. En zoals je een huis aan zee Huize Zeezicht noemde, zo noemde je een hotel aan de Noordzee natuurlijk Hotel Noordzee. Mislopen kon je het niet, onmogelijk, door die vooruitstekende gevel en die letters hemelhoog. En vlaggen. Je hoefde maar te wijzen als een argeloze toerist je de weg vroeg.

Vissers die langs de kust voeren herkenden hun dorp heel gemakkelijk aan de glooiende daklijn van de huizen van na de oorlog, met daartussen als opvallende uitschieters de vuurtoren, de Oude Kerk en Hotel Noordzee. 

Veel Katwijkers hebben het nog zien bouwen. Dat begon met het graven van een groot gat in de grond – niemand had dat nog gezien in Katwijk in de tijd waarover we spreken. Daar kwamen de kelders, het souterrain, en toen dat klaar was, kwam daar telkens weer een laag bovenop en ging dat helemaal de lucht in, totdat het vijfhoog was. Dit was nog nooit vertoond.

Van de vele Katwijkers die het toen hebben zien bouwen zijn er nog enkele over die het straks zullen zien afgebroken worden. Een hotel uit de jaren vijftig, dat net als de Christelijke Opleidingsschool, allang wel de monumentenstatus had mogen hebben. Als ik het wel heb, is de hele boulevard van Katwijk ook een naoorlogs beschermd dorpsgezicht. Laten we dat toch maar even gezegd hebben, of in ieder geval genoteerd.

Hotel Noordzee wordt gesloopt. Je gelooft het niet als je het leest. En je hoopt maar dat het niet waar is wat er staat.

* In de tijd dat de ruimte onder het panoramarestaurant nog niet was opgevuld met bebouwing.

donderdag 19 maart 2026

Schoenen

V.l.n.r. Hanwag Tatra II GTX Wide, Salomon Quest 4 GTX,
Meindl Vakuum Ultra GTX en Meindl Vakuum III GTX.

'We zijn nu bezig met de schoenen,' zeg ik tegen Eric Westhoek op de Katwijkse schrijversavond. We maken een afspraak dat ik weer eens een verhaal kom vertellen in het DunaAtelier. Een vervolg op m'n vorige praatje, over het South West Coast Path. 'Ik denk dat dat nog wel de grootste stress oplevert als je een eind moet gaan wandelen: wat voor schoenen je aan moet.'

Niet een trein die je mogelijk zal missen. Maar de schoenen. Zo'n trein hebben we meegemaakt. Het valt in het niet bij wat er allemaal met schoenen kan gebeuren. Of een vliegtuig dat de verkeerde kant op vliegt. Ook dat hebben we meegemaakt. Ook dat valt in het niet bij wat er met schoenen kan gebeuren. Hopelijk maken we het nooit mee.

We hebben het meegemaakt dat we in een TGV zaten die voorbij Rotterdam opeens langzamer ging rijden, langzaam langzamer, en daarna zelfs helemaal stil kwam te staan. De verwarring onder de passagiers die daarbij kwam, iedereen om zich heen kijkend – wat moeten we doen als we straks in Brussel aankomen? Goed luisteren naar wat er door de intercom verteld wordt, eerst dat maar, de intercom waaruit op dat moment verhaspeld Engels en Frans klinkt. Het komt erop neer dat je straks de eerstvolgende Eurostar kan nemen, ná de Eurostar die je eigenlijk had moeten hebben. Waarvoor je voor dat je daarin mag, eerst met z'n allen in een lange rij mag gaan staan. Om je ticket om te boeken. Waarna het nog langere wachten begint, op die eerstvolgende trein. We doden de tijd met een puzzelboekje en bellen naar het hotel in Southampton dat het wat later kan worden en of we dan nog op tijd zijn voor het avondeten. De keuken is tot tien uur open, wordt er aan de andere kant van de lijn geroepen. De trein gaat weer rijden en we gaan de tunnel door en uiteindelijk zitten we met vijf uur vertraging toch nog om kwart voor tien aan tafel. Southampton is maar een tussenstop. De volgende dag reizen we volkomen uitgerust en bijgekomen van ons Brusselse avontuur – we zijn het alweer vergeten; zo gaat dat – met nog een paar tussenstops door naar Penzance. Zonder stress. 

Het valt in het niet bij wat er met schoenen kan gebeuren.

We hebben het meegemaakt dat een vliegtuig dat voor ons bestemd was door een fout van de verkeerstoren in plaats van in Amsterdam in Rotterdam ging landen. Het is nog vroeg in de ochtend als dat gebeurt. We wandelen naar de gate en zien het zo van het scherm verdwijnen. Zomaar. Weg. Foetsie. Want het is er niet, niet hier in ieder geval. De radeloosheid die zich dan van je meester maakt. Onder dat bord waarop het vliegtuig dat je moest hebben, niet meer vermeld wordt. Een vrouw roept dat we terug moeten naar de vertrekhal. Die heeft het eerder meegemaakt en weet wat ons te doen staat. We staan er uren in de rij om om te boeken, voor de volgende dag, moeten met een bus een heel eind over de terreinen rond de luchthaven, niemandsland, naar een wezensvreemd hotel, waar we een hele dag en nacht mogen vertoeven – een gevangenis is er niets bij vergeleken – tot we in een vliegtuig stappen dat er wel is de volgende dag. Uiteindelijk missen we van onze wandelreis door de Cotswolds alleen de eerste nacht in Moreton-in-Marsh. Als we in het plaatsje aankomen, uit Londen met de trein, moeten we die middag meteen gaan lopen naar Stow-on-the-Wold. Wat een overgang. Gelukkig is het maar 6,4 mijl, zo'n 10 kilometer, een lachertje, denken we later, als we aan de afstanden van het South West Coast Path gewend raken. De nacht in het romantische Moreton-in-Marsh is een nacht in de verlaten wereld rond Schiphol geworden, maar we hebben niets van de wandeling gemist. Onze koffers worden de middag van de wandeling alsnog netjes afgeleverd in de plaats waar we aankomen. Zonder stress.

Het valt in het niet bij wat er met schoenen kan gebeuren.

Want je moet er toch niet aan denken dat je net een paar dagen gelopen hebt en je zolen vallen eraf. Met nog honderden kilometer voor de boeg en geen schoenwinkel in de buurt. Gelukkig is het ons nog nooit overkomen. Maar ik weet van schoenen die we op Marktplaats hadden verkocht, alleen omdat ze te klein waren, maar nog hagelnieuw, want nauwelijks op gelopen, dat toen ze in Limburg arriveerden en een mevrouw er daar op ging lopen, dat we toen per kerende post foto's kregen te zien van diezelfde schoenen met zolen die er zo ongeveer naast lagen. Ver was ze er niet mee gekomen. En het waren nog maar liefst Meindl's. Van Lowa's weet je dat je ze niet moet kopen. Die hebben de naam, staan erom bekend. Maar Meindl's... Nou zitten Lowa's mij ook niet lekker, dus ik zal ze sowieso niet aanschaffen. Waar het hem in zit, bij al die wandelschoenen tegenwoordig, is de tussenzool, de zool die moet dempen en de schokken opvangt. Ieder jaar als je weer aan een grote tocht begint te denken, kijk je daar eens naar. Het jaar ervoor hebben je schoenen het 200 kilometer volgehouden, maar gaan ze dat nog een tweede keer doen? Want hoe is het ondertussen met de tussenzool? Is-ie niet verpulverd? Waardoor de onderste zool eraf kan vallen, zomaar. Een verkoper heeft me eens verteld dat er vroeger PFAS in de zolen verwerkt was, waardoor ze lekker stevig waren. Schoenen gingen met gemak tien jaar mee. Maar PFAS mag niet meer en er is niets stevigs voor in de plaats gekomen. Wat er nu tussen zit is schuim met de naam EVA, ethyleenvinylacetaat, een synthetisch goedje dat op rubber lijkt, met duizenden kleine luchtbelletjes, waardoor het materiaal superlicht en flexibel is. Je hebt ook PU-schuim, polyurethaan, wat zo'n beetje op hetzelfde neerkomt, maar het is allebei niet te vertrouwen. Om in schoenentermen te spreken: trap er niet in! Die vering, dat opvangen van de schokken, verdwijnt als je er een tijdje op gelopen hebt. De zool wordt hard en droogt uit. Je ziet dan aan de zijkant van de schoen vouwen in de tussenzool verschijnen. Vouwen die niet meer uit de plooi gaan. Scheurtjes moeten er helemaal niet in komen, dan kunnen er van buitenaf zuren in terechtkomen als je door de mest loopt. Bij het hek van een weiland waar runderen altijd samenscholen, heb je dat al gauw als je daarlangs moet. Aan het eind van een wandeldag moet je je schoenen daarom altijd goed schoonmaken, afspuiten. Wat je kan doen om die verdroging tegen te gaan, vertelde de verkoper, is je zolen af en toe 'pesten'. Dat doe je door je schoenen iedere maand een keer aan te trekken en er een stuk op te gaan lopen. Toch vertrouw ik dat allemaal niet en bestel ik iedere keer weer nieuwe schoenen, waardoor er zo langzamerhand een rij van hier tot Tokyo ontstaat. En om die schoenen allemaal een beetje in topconditie te houden, moet ik ze om en om en door elkaar dragen, om de zolen te pesten, van al die schoenen.

De laatste jaren liep ik op Meindl's Vakuum Ultra Gore-Tex (ook wel afgekort als GTX). En het laatste jaar op Salomon's Quest 4 GTX. Grote namen, maar wat stelt het voor. De laatste zijn lekker licht en liepen dat ook. Lekker verend. Maar ook van deze schoenen wordt de tussenzool hard en plat. Hij droogt uit. Dan ga je steentjes voelen, en dat willen je oude voeten niet. Daarom heb ik nu voor Hanwag's Tatra II GTX Wide gekozen. 'Wide' omdat ik brede voeten heb. Ook dat nog. Deze schoenen zijn van het B/C type, je kan er bergen mee bedwingen en dus hebben ze van zichzelf al een harde zool, waardoor je geen steentjes voelt. Ze zijn wat zwaarder, maar dat geeft niet. Als je dan dikke sokken aandoet, heb je vanzelf je demping weer. Sokken, tja, dat is ook nog wat. Neem een mix met als belangrijkste ingrediënt heel veel wol. Die blijven lekker droog en schoon. Ja, droog moeten de schoenen ook blijven, vanbinnen. Wilma heeft dat helemaal niet, dat ze iedere keer weer andere schoenen wil. Die loopt al jaren op dezelfde Meindl's Vakuum III GTX, schoenen van de B-categorie, dus met harde zolen. Misschien omdat ze ze al lang heeft, zit daar nog PFAS in, want ze zijn onverslijtbaar.

Voor de zekerheid nemen we altijd een tubetje Bison Kit mee.

donderdag 5 maart 2026

Wat je allemaal gemist hebt als je niet bij de Katwijkse schrijversavond was

Foto: Agnes Korebrits
Vooraf ontstond er al een soort van huiskamergesprek rond het Katwijks woordenboek, allemaal mensen om het tafeltje van Jaap van der Marel en mij die in gesprek raakten over de betekenis van woorden en uitdrukkingen in het Katwijks. Zoals de uitdrukking je mot 'm dun skille. Wat betekent dat nu precies? Waarbij meteen het idee geboren was om dat eens wat groter aan te pakken, die huiskamer. Oud-klasgenoot Peter van Duijvenboden was er. Dat is altijd een warm weerzien. Ook hij werkt nog een dag of drie voor een baas en doet daarnaast alleen maar leuke dingen. Als je in dezelfde klas gezeten hebt, ga je gelijk op, nietwaar? Naast ons zat de jongste schrijver van de schrijversavond, Tim Rigter, met zijn moeder Arianne, die al een boek geschreven had, Egg-land, met illustraties. Hoe knap! Mark van Dijk was er, die alles van Dickens weet en verzamelt en veel boeken over de grote schrijver gepubliceerd heeft en daarmee ook al eens in Met het oog op morgen geweest is! Er was een college van Robert Haasnoot over hoe je kan schrijven, intuïtief of structureel, maar dat je het wel allemaal moet opschrijven op een gegeven moment wat je te binnen schiet. Anders gaat het voorbij. Er was een verhaal van Piet Rovers over een koning en een kostbare ring en een paard, heel geheimzinnig verteld. De winnaar van de verhalenwedstrijd was Sofia Pellegrino. Zij kon er niet bij zijn vanwege lessen die zij ergens moest geven. Toen zij over de eerste prijs gebeld werd konden we allemaal meeluisteren en horen hoe de studenten juichten in de klas. Leo Stilma droeg het winnende gedicht voor, over ouderdom. Het was leuk om iedereen weer te zien, dat mag vaker gebeuren, en Agnes Korebrits hield goed overzicht over het programma.

Wat je allemaal gemist hebt als je niet bij de Katwijkse schrijversavond was. Warme woorden, lieve woorden, applaus!

maandag 2 maart 2026

Unieke kans!

Heeft u al een gesigneerd exemplaar van het boekje Een omgekeerde borstrok van Nel van Duijn? Kom dan naar de Katwijkse schrijversavond op woensdag 4 maart in de bibliotheek aan de Schelpendam. Er zijn nog meer schrijvers om te ontmoeten. Dat maak je niet vaak mee, dus ik zou zeker komen. Dit wordt een avond om nooit te vergeten. Blij en gelukkig gaat u weer huiswaarts.

woensdag 25 februari 2026

Cadgwith (2) – South West Coast Path (77)

'Buller & Hartley & their many friends loved to sing here on summer evenings'.

Cadgwith ligt aan een inham, een cove, links de bocht om voorbij Lizard Point. Op dat kleine stukje pad, vanaf het zuidelijkste puntje van Groot-Brittannië, zijn we totaal de weg kwijtgeraakt, wat je niet zou verwachten als je langs de kust loopt, met aan je rechterhand de zee en links het land. Eerst vroegen we de weg aan een dame die in haar tuin bezig was – alle Britten zijn altijd in hun tuin bezig –, toen aan een automobilist die voor ons stopte. We kregen meteen een lift aangeboden en de laatste kilometers van die dag kwamen we rijdend aan in het haventje van Cadgwith. Een parel, kun je wel zeggen, een idylle, hoe noem je dat, zoals dat plaatsje daar verstild tussen de rotsen ligt te wezen.

Dat zingen van zeemansliederen wat ze er doen, doen ze al heel lang, het is een ware traditie die wordt doorgegeven van generatie op generatie. Niet alleen in of voor de pub. Boven de ingang van de oude loods bij het strandje, daar waar ze in de BBC-documentaire de kerstboom optuigden, is een plaquette aangebracht die eraan herinnert dat Buller en Hartley* en hun vele vrienden hier altijd samenkwamen om op zomeravonden te zingen. Een plaquette met onder de tekst een afbeelding van de Yorkshire Rose, de witte roos van York, symbool van erfgoed en trots.


Maar wie zijn dat, Buller en Hartley. Dit is wat AI voor mij vindt:

'Buller Arthur and Hartley Tripconey were legendary local fishermen from Cadgwith Cove who are credited with founding the world-renowned Cadgwith Singers.

The pair became local "maestros" of a tradition that began in the 1920s when a local minister started a fisherman's choir. They helped sustain and evolve this into the informal, powerful singing style seen today at the Cadgwith Cove Inn.

Key facts:
• The Cadgwith Singers: They initiated the group that continues to gather every Friday night in the village pub to sing sea shanties, hymns, and folk songs in an "unrehearsed and unique style".
• Buller Arthur: A fisherman who also played a pivotal role in the post-WWII renaissance of gig* racing in the village. The Cadgwith gig Buller was named in his honor.
• Hartley Tripconey: A key figure in the singing community whose family legacy continues; his widow, Dorothy, and daughter, Anne, have remained active in the village's musical traditions,
• The "Buller Day": The village celebrates Buller Day annually, often featuring a cricket match and community gatherings.'

* Gigs zijn roeiboten waarmee op zee wedstrijden worden gedaan. Zie hierover Porlock Weir – South West Coast Path (60).

dinsdag 17 februari 2026

Cadgwith – South West Coast Path (76)

Voor Jack

Over Cadgwith hadden we het nog niet gehad, of wel, tijdens m'n praatje op 28 mei 2024 in het DunaAtelier, maar daar moest je dan wel bij geweest zijn. Cadgwith, het kwam toevallig langs op de BBC in het programma Countryfile van 28 december jongstleden, over hoe ze daar het dorp in kerstsfeer brengen ieder jaar, met de hele gemeenschap. Onderdeel daarvan is het uitzoeken van een kerstboom, een hele grote. Voor bij de schuur op het strandje tussen de rotsen waar de vissersboten liggen – er liggen stammetjes waarover ze omhooggetrokken worden. Daar wordt de boom dan neergezet en de bewoners hangen er met elkaar de ballen en de strikken in. De schuur wordt behangen met kerstverlichting in de vorm van een hert en een walvis, een kerstbal en nog zo wat figuren, plat tegen de muur op gaas, veel rood en groen, en 's avonds gaat dat dan allemaal aan, die lichtjes.

Er wordt een bezoek gebracht aan het blauwgeverfde houten kerkje van Cadgwith dat op de rotsen staat, ook helemaal versierd vanbinnen. En, je kan erop wachten, want het zijn Engelsen, dat in dat kerkje op een tafeltje een model staat van het kerkje, een miniatuur, waar het dak af kan, de dominese een snoertje kerstverlichting in doet, waarna het dak er weer op gaat en ze de batterij aandoet.

Helaas kunnen we de BBC niet terugkijken op het Europese vasteland, want we ontmoeten ook nog een oude fuikenvlechter, die ook weer in zo'n mooi houten optrekje zit, dit keer geelgeverfd. De man past er precies in, met zijn fauteuil waarop hij de fuik, een soort kooi, zit te vlechten. Om kreeften te vangen.Steeds steekt hij een paar dunne takken riet, twijgen, tussen dikkere takken riet en gaat dan zo in de rondte. De presentator van het programma mag er ook een paar takken tussen steken. Hij is maar wat blij dat het hem lukt en kan het werk als hij zou willen zo overnemen. Want wie zal de man ooit opvolgen? Om hem heen langs de wanden staan allerlei attributen uit de visserij, een modelscheepje van het schip waarop hij nog gevaren heeft, er hangt een bel met een koord eraan, door de visser zelf geknoopt, een reddingsboei en oude platen en krantenknipsels. Een gezellig interieur. Als de mand klaar is en naar buiten wordt gebracht, hij past maar net door de deur van de vissershut, zie je oudste dames uit het dorp, die net de kerstboom hebben opgetuigd, in zee zwemmen met kerstmutsen op. Ook dat doen ze hier ieder jaar.

Maar er wordt nog een kerstboom meegenomen van de kwekerij. De grote voor bij de schuur was net zo oud als de kweker zelf, maar deze is wat kleiner, voor in The Cadgwith Cove Inn, de dorpspub waarboven je ook kan overnachten. Dat deden we er in 2022 op 17 juni. We hadden geluk, want net op de avond dat we er neerstreken kwamen The Cadgwith Singers langs, een groepje mannen en vrouwen uit het dorp die shanty's zingen, zeemansliederen, dat gebeurde spontaan, buiten, terwijl wij nog binnen zaten te eten. Iedereen liep weg van tafel om het te gaan horen en aanschouwen. Waarbij de zangers regelmatig voorzien werden van een biertje. In de reportage van Countryfile wordt uitgelegd dat daar die lussen voor zijn die binnen aan de balken van de pub hangen, om je aan vast te houden voor als je iets te diep in het glaasje gekeken hebt. Of eigenlijk zijn die voor de zeelui die net van hun schip stappen aan het strandje en dan hier binnenkomen, nog wat onvast op de benen. Vaak zijn er meer verhalen om een voorwerp heen, waardoor we niet meer precies weten wat het juiste is en je kan kiezen wat je wil, zoals bij de verhalen die rond de hoerenhondjes ontstaan zijn.

The Cadgwith Singers op het terras van The Cadgwith Cove Inn.
Hier kun je ze horen.

Op Huize Zeezicht had ik er nog niet over geschreven, over Cadgwith en de shanty's, en ik kan niet ontkennen dat ik ze er de avond van de lezing in mei 2024 speciaal voor Jack Vlieland in gestopt had. Als lid van het Leidse zeemanskoor Rumor di Mare kon hij ze allemaal meezingen. Daarvoor had ik die boxen nodig die hij geregeld had, naast nog meer snoeren en stekkertjes, en ook nog een microfoontje voor op je revers en afstandsbediening. Jack dacht overal aan. Pas dan kon zijn 'heerlijk avondje', zoals hij de avond over het South West Coast Path noemde, beginnen.

woensdag 4 februari 2026

Het Vikingschip

Het Vikingschip van Edward Aagaard  brons, koper en hout; lengte 40 cm; ± 1950-1954.

Op de begrafenis van m'n vader had ik het over Jonah The Giant Whale, de walvis die hij nog eens had helpen vervoeren op een coaster. Dat was in 1954 en hij was toen 23 jaar. Daarvoor had hij al vanaf zijn veertiende op de visserij gevaren, maar sinds 1950 op de koopvaardij. Die walvis ging langs verschillende Europese steden, waaronder Londen en Parijs, waar hij als een soort van kermisattractie tentoongesteld werd. Jonah was daarvoor, in september 1952 voor de kust van Noorwegen bij Trøndelag gevangen.* Het was een andere tijd dan nu.

Duinkerken, maart 1954.

Op 31 maart 1954 berichtte The Times: '"South Bank Whale Jonah, the Giant Whale" which is to be exhibited under Waterloo Bridge on the south bank from April 2, arrived from Dunkirk yesterday in a Dutch coaster. The vessel docked at Dagenham and the 65ft. rorqual was unloaded on to a 10-wheeled lorry which transports it on land. The whale had been touring Holland, Belgium, Germany and France since last September and has been kept in good condition by an internal refrigeration plant and daily injections of formalin. It was killed off Trondheim, Norway in September 1952.' Die Dutch coaster is de kustvaarder waarop m'n vader voer en moet de Muphrid geweest zijn. De walvis is daarvoor in Parijs geweest en ingeladen in de haven van Duinkerken. Dat is de plek op de foto. Op de kade is het gebouw van de Chambre de Commerce te zien, de Franse Kamer van Koophandel.

De aankomst in Londen was groot nieuws en werd ook gefilmd door British Pathé, het Engelse bioscoopjournaal van die tijd.

Op de Oostzee. Het schip de Magdalena, zo te zien met een lading boomstammen,
gefotografeerd vanaf de Muprhid.

Ik vertelde het verhaal dat de bemanning van het schip op het idee kwam om in de walvis drank en sigaretten mee te smokkelen. Dat kun je hier teruglezen. In de tijd dat Jonathan, zoals m'n vader de walvis steevast noemde, tussen de Europese havens vervoerd werd, moet hij ook het model van een vikingschip mee naar huis hebben gebracht. Misschien wel toen ze de walvis gingen ophalen in Noorwegen, of uit de Oostzee langs Denemarken en Kopenhagen voeren, want hij had het ook altijd over de Oostzee, waar in de winter overal de ijspegels aan het dek hingen. Jarenlang stond het vikingschip in de vensterbank in de Zuidstraat, als herinnering aan de wilde vaart, zijn spannende tijd bij de koopvaardij.

Het zeil moet nog wat uitgepoetst worden.

Het Vikingschip is gemaakt door Edward Aagaard, een Deense kunstenaar die werkte voor Iron Art Copenhagen tussen 1950 en 1970. Volgens AI is dit model een zogenaamde 'drakkar (oorlogsschip) met een kenmerkende drakenkop op de boeg en een staart op de achtersteven. Langs de zijkanten bevinden zich (...) veertien individuele schilden en gaten voor de roeiriemen.' Op het roer vinden we de markering 'Iron Art Copenhagen Denmark' en op de kiel nogmaals de vermelding 'Denmark' maar de naam van de kunstenaar ontbreekt. Het zeil is van koper en geëtst met een motief van een raaf. Het werk van Aagaard behoort tot de periode van het Deense Mid-Century Modern-design uit de jaren 1950 en 1960. Deze stroming kenmerkt zich door een focus op vakmanschap, materiaalgebruik en gestroomlijnde vormen die zowel decoratief als functioneel zijn.

IJslandse Vikingen waren de eerste Europeanen die Groenland ontdekten, dat was in de 10e eeuw. Maar ze voeren nog verder, de Vikingen, helemaal tot aan Amerika.

* Er werden nog twee walvissen gevangen die op tournee zouden gaan, naar andere windstreken. Zij kregen de namen Hercules en Goliath.