Posts tonen met het label Amerika. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Amerika. Alle posts tonen

maandag 1 juni 2026

Hier konden we niet langs – South West Coast Path (82)

De dag nadat we op The Undercliff geweest zijn, voorbij Lyme Regis, is het dat we bij dat hek aankomen, verstopt in een hoek met bosjes en bomen, we zien het eerst niet – onze ogen moeten wennen aan het licht, omdat we door een zonnig veld zijn komen aanlopen, huppelend bijna, zou je kunnen zeggen, over een karrenspoor, met tussen het hoge gras overal bloemen, in alle kleuren –, maar daar staan ze, in de schaduw, runderen met hun jonkies, koeien en kalveren, je wordt er overal voor gewaarschuwd op handgeschreven bordjes, en misschien ook nog wel een stier, in een grote groep, altijd in de hoek van een veld, bij een hek dat je moet passeren, met meteen daarachter ook nog eens een laag koeienstront met een diameter van ongeveer drie meter, de breedte van het hek en dan nog wat breder, zo'n twaalf meter in omtrek, waar je doorheen moet.


Je duwt ze niet zomaar opzij, die beesten, en we zijn er bang voor, na die keer in de Cotswolds, de eerste dag dat we daar liepen, toen er bij iedere doorgang van een veld, één enkel veld, het eerste waar we doorheen kwamen, en hoeveel zouden er nog volgen, zo'n groep stond, alsof ze het expres deden, en we om van dat veld af te komen in allerijl over het prikkeldraad geklommen zijn, om langs dat prikkeldraad om het veld te lopen, maar vast kwamen te zitten in een bos met doornig struikgewas. Waardoor we weer terug moesten over dat prikkeldraad en door dat veld met die stieren. We herinneren het ons allemaal nog goed. En ook deze keer durven we er niet langs. 

Maar dan is er een vrouw met een hond, zij liep ons al achterop in dat zonnige veld, met al die bloemen, en moet ook die kant op, door dat hek. Zij lijkt ons te komen helpen, [ze komt als geroepen, als een geschenk uit de hemel,] zoekt een stok en begint te schreeuwen, tegen die runderen, allerlei klanken, als van een rodeo, en met de stok geeft ze hier en daar een tik, op hun achterlijven, en begint de langzame groep van dieren een beetje te bewegen, maar ook weer niet echt, en dan loopt ze er zo tussendoor, met haar hond. Zomaar. Tussen die logge lijven. Ja, kom maar, roept ze. Ze wil ons helpen. Wij kunnen er nu ook door, maar we staan als aan de grond genageld, veilig achter het hek. Nee, dat doen we niet. Nee hoor... Geen haar op ons hoofd. Ja, sorry. We lopen terug door dat zonnige veld en zoeken een andere route, die gelukkig gauw gevonden is, een omweg, maar wat maakt dat uit, met dat heerlijke weer.

Nu ik dit allemaal opschrijf, moet ik denken aan dat liedje dat Shirley zong, toen we met onze vier Amerikaanse vrienden door een veld moesten in de Cotswolds, ergens tussen Winchcombe en Broadway, een veld vol jonge zwarte stieren. Ik zie dat veld nog voor me, een veldje maar eigenlijk, en hoe we daar met z'n zessen doorheen durfden. Omdat Shirley dat liedje zong:

    Bossy cow-cow,
    Bonnie bee-bee,
    Oleo-margarine,
    Oleo-butterine,
    Alfalfa-Hay!!!

    (meerdere keren herhalen)

Het is een beetje een nonsensliedje. Don, die ons gefotografeerd heeft op de Broadway Tower, een foto die achter op onze trouwkaart terecht is gekomen, vertelde dat hij en Lenore het zongen toen ze jong waren en nog studeerden, bij sportevenementen op de universiteit van California.* De stieren gingen er in ieder geval wel door op de loop. Maar of die logge groep hier bij dat hek op The Undercliff erdoor in beweging gekomen was, ik weet het niet.

* Het is het clublied van de UC Davis, de campus van de University of California. Het werd voor het eerst gezongen in 1926 bij een (American) football-wedstrijd tegen de College of the Pacific. Het lied is een aangepaste versie van een lied dat gezongen werd door de UC Berkeley, weer een andere campus van de University of California.

zondag 19 april 2026

West Bay (1) – South West Coast Path (79)

West Bay. Als je thuis zit, in die overvolle Randstad, en je opent de kaart op het scherm, denk je dat dit een verlaten dorp is. Veel hotels zijn er niet. Een of twee. Misschien nog een enkele B&B, maar dan heb je het wel gehad. Maar ben je ter plekke en kom je de heuvel af, het klif, dan snap je hoe het werkelijk zit, weet je niet wat je ziet: een gigantisch caravanpark dat zich door het dorp slingert en zich uitstrekt tot ver in het achterland. Ook dit is Engeland. Honderden, duizenden stacaravans, van die grote, vaak met zo'n erker aan de voorkant, in lange, gebogen rijen, dat laatste om het nog een beetje levendig te maken. Een caravanpark dat helemaal het dorp in loopt, of er ergens voorlangs. Hoe het precies in elkaar zit kom je niet achter. Niet een-twee-drie in ieder geval. Voor het centrum van West Bay, het oude dorpsplein zogezegd, moet je nog wel even zoeken. Er is een brug, en als je die over gaat, kom je er. Rechts van de brug is de haven, bij de zee. Maar links is ook nog een watertje, een stille plas, met zwanen en eenden en waarop je kan peddelen, met aan de rand ervan, aan de overkant, optrekjes van hout met verandaatjes. Als je er krokodillen bij voorstelt, kun je er met gemak de Everglades van maken. Een bluesy landschap.

Bij een clubhuis aan de rand van het meertje oefent een groep kinderen met kano's en daarachter loopt dat enorme caravanpark weer door, het binnenland in, waar je voor een lagere prijs mag zitten zonder uitzicht op zee. Misschien dat er wachtlijsten zijn, voor die plekken vooraan.

Van zo'n caravanpark maak je natuurlijk geen foto's als je dichtbij ben, maar
op deze overzichtsfoto van het landschap is het per ongeluk wel te zien, in de verte.
Als je de foto aanklikt voor een vergroting, zie je hoe ver het het binnenland in slingert.

Maar helemaal vooraan kom je niet. En dat is het mooie aan West Bay. Buiten dat er hele lelijke appartementencomplexen staan daar vooraan bij de zee, is er voordat dat caravanpark begint, nog een groepje vakantiewoningen uit de jaren vijftig of zestig, met zo'n keurig gazonnetje ervoor. Nog helemaal in de staat van hoe ze ooit gebouwd zijn. Daar kunnen ze in veel badplaatsen nog een voorbeeld aan nemen.

Links vooraan het groepje vakantiewoningen uit de jaren vijftig of zestig,
met het gazon ervoor, maar dat ligt verstopt achter de duin.

woensdag 4 februari 2026

Het Vikingschip

Het Vikingschip van Edward Aagaard  brons, koper en hout; lengte 40 cm; ± 1950-1954.

Op de begrafenis van m'n vader had ik het over Jonah The Giant Whale, de walvis die hij nog eens had helpen vervoeren op een coaster. Dat was in 1954 en hij was toen 23 jaar. Daarvoor had hij al vanaf zijn veertiende op de visserij gevaren, maar sinds 1950 op de koopvaardij. Die walvis ging langs verschillende Europese steden, waaronder Londen en Parijs, waar hij als een soort van kermisattractie tentoongesteld werd. Jonah was daarvoor, in september 1952 voor de kust van Noorwegen bij Trøndelag gevangen.* Het was een andere tijd dan nu.

Duinkerken, maart 1954.

Op 31 maart 1954 berichtte The Times: '"South Bank Whale Jonah, the Giant Whale" which is to be exhibited under Waterloo Bridge on the south bank from April 2, arrived from Dunkirk yesterday in a Dutch coaster. The vessel docked at Dagenham and the 65ft. rorqual was unloaded on to a 10-wheeled lorry which transports it on land. The whale had been touring Holland, Belgium, Germany and France since last September and has been kept in good condition by an internal refrigeration plant and daily injections of formalin. It was killed off Trondheim, Norway in September 1952.' Die Dutch coaster is de kustvaarder waarop m'n vader voer en moet de Muphrid geweest zijn. De walvis is daarvoor in Parijs geweest en ingeladen in de haven van Duinkerken. Dat is de plek op de foto. Op de kade is het gebouw van de Chambre de Commerce te zien, de Franse Kamer van Koophandel.

De aankomst in Londen was groot nieuws en werd ook gefilmd door British Pathé, het Engelse bioscoopjournaal van die tijd.

Op de Oostzee. Het schip de Magdalena, zo te zien met een lading boomstammen,
gefotografeerd vanaf de Muprhid.

Ik vertelde het verhaal dat de bemanning van het schip op het idee kwam om in de walvis drank en sigaretten mee te smokkelen. Dat kun je hier teruglezen. In de tijd dat Jonathan, zoals m'n vader de walvis steevast noemde, tussen de Europese havens vervoerd werd, moet hij ook het model van een vikingschip mee naar huis hebben gebracht. Misschien wel toen ze de walvis gingen ophalen in Noorwegen, of uit de Oostzee langs Denemarken en Kopenhagen voeren, want hij had het ook altijd over de Oostzee, waar in de winter overal de ijspegels aan het dek hingen. Jarenlang stond het vikingschip in de vensterbank in de Zuidstraat, als herinnering aan de wilde vaart, zijn spannende tijd bij de koopvaardij.

Het zeil moet nog wat uitgepoetst worden.

Het Vikingschip is gemaakt door Edward Aagaard, een Deense kunstenaar die werkte voor Iron Art Copenhagen tussen 1950 en 1970. Volgens AI is dit model een zogenaamde 'drakkar (oorlogsschip) met een kenmerkende drakenkop op de boeg en een staart op de achtersteven. Langs de zijkanten bevinden zich (...) veertien individuele schilden en gaten voor de roeiriemen.' Op het roer vinden we de markering 'Iron Art Copenhagen Denmark' en op de kiel nogmaals de vermelding 'Denmark' maar de naam van de kunstenaar ontbreekt. Het zeil is van koper en geëtst met een motief van een raaf. Het werk van Aagaard behoort tot de periode van het Deense Mid-Century Modern-design uit de jaren 1950 en 1960. Deze stroming kenmerkt zich door een focus op vakmanschap, materiaalgebruik en gestroomlijnde vormen die zowel decoratief als functioneel zijn.

IJslandse Vikingen waren de eerste Europeanen die Groenland ontdekten, dat was in de 10e eeuw. Maar ze voeren nog verder, de Vikingen, helemaal tot aan Amerika.

* Er werden nog twee walvissen gevangen die op tournee zouden gaan, naar andere windstreken. Zij kregen de namen Hercules en Goliath.

dinsdag 21 oktober 2025

De kwartfinale – South West Coast Path (73)

Om halfdrie zouden we bij het hek staan, het hek met de rode vlag, aan de andere kant van het schietterrein, de Lulworth Ranges, waar we doorheen zouden gaan lopen, keurig tussen de gele paaltjes, waar je niet buiten mocht komen, zoals op het bord stond, een deel van het South West Coast Path dat kort daarvoor nog was vrijgemaakt van onontplofte projectielen maar dat we niet over konden slaan, omdat het er nu eenmaal bij hoorde, bij dat langeafstandspad. De ranger snapte dat.

Kimmeridge Farmhouse B&B.

Annette van de B&B had een taxi besteld. Die zou ons uit Kimmeridge naar Corfe Castle brengen, en daar zouden we de bus naar Lulworth nemen, om vandaar weer terug te lopen naar Kimmeridge, 10 kilometer. Dit is hoe het altijd gaat en moet en doe het vooral niet anders, want... als er aan het eind van je lange wandeltocht geen bus meer gaat die je naar je verblijfplaats kan brengen, zit je. Iedere wandelaar weet dit. Loop dus altijd naar je verblijfplaats toe, je verblijfplaats voor de komende nacht uiteraard. Zeker als het pad wordt afgesloten door een hek dat pas om halfdrie, of later, opengaat.

Kimmeridge is een rustig dorp van rietgedekte cottages.* Je hebt er een B&B, een restaurant, een kerkje, een geologisch museum en een taxibusje. De B&B is waar we verblijven, het restaurant is waar we iedere avond eten en ze heel lekker ijs hebben in goeie porties, het kerkje is oeroud en de deur staat altijd open waardoor je er dag en nacht in en uit kan lopen, bij het museum zien we niemand en het taxibusje is een uitkomst. Want nu hoeven we niet eerst weer helemaal naar Corfe Castle terug te lopen voor de bus naar Lulworth. Een half uurtje voor de lokale bevolking maar voor ons toch zeker wel een uur. Corfe Castle, vanwaar we woensdag, in omgekeerde richting, na de bus uit Lulworth, dwars door de velden – het klinkt prozaïsch en arcadisch – naar Kimmeridge waren gelopen. Dwars erdoor en tegelijkertijd naar alle kanten. Want was het die boerderij waar we moesten wezen? Of die? Of was het die? Of nee, als je het plaatje vergeleek met dat op je telefoon zou het ook wel eens die kunnen zijn. Zo liepen we te dolen en te dwalen, tussen heggen door en over hekken heen, of over een public footpath, wat dan weer even hoop gaf, omdat het als iets officieels werd aangeduid, met een bord, maar dat ook zo weer ophield als je op een dwarsweg kwam, en wat dan en hoe dan verder, met dat toen ook al veel te hete weer... Dat zouden we niet nog eens doen. En naar Kimmeridge liep het nog een beetje af, naar de kust, maar naar Corfe Castle ging het omhoog, dwars door de velden, over die niet te snappen route. Wie je het ook vroeg. De mensen zelf hier wisten het ook niet, hoe de weg liep. Nee, die taxi is een uitkomst.

Corfe Castle.

Om 12 uur stappen we in het busje. Om te betalen zal de taxichauffeur ergens onderweg stoppen, in een bocht onder een groepje bomen, daar heb je volgens haar een goede ontvangst. Niet in Corfe Castle, in dat hele dorp is de verbinding puur slecht en kun je nergens goed pinnen, vertelt ze. Onbegrijpelijk, en inderdaad, ergens midden op de route, waar in de hele omgeving zelfs geen huis of boerderij te vinden is, stoppen we om af te rekenen. Dat is nou weer typisch Engeland, denk je dan onmiddellijk. Zo'n heel dorp waar je geen verbinding hebt, en dan op het verlaten platteland eromheen juist weer wel.

De Holy Trinity Church in Lulworth.

Met de bus reizen we vervolgens door naar Lulworth, om dat hele schietterrein heen in feite, toch een rit van met de taxi erbij wel een uur. Bij de minisupermarkt (vroeger zouden we dat een kruidenier noemen, dat formaat, met van die nauwe gangpaden), waar ze alles verkopen wat een mens nodig heeft, slaan we nog wat proviand in voor tijdens de wandeling en bij het kerkje in dezelfde straat gaan we nog even plassen. Niemand weet, of lijkt te weten, dat daar achter in dat kleine gebouwtje, de Holy Trinity Church van Lulworth, eeuwenoud, dat daar achterin links van het schip een ultramoderne rolstoelvriendelijke cabine is neergezet met sanitaire voorzieningen. Futuristisch gewoon. De deur gaat zo hermetisch dicht dat je het niet hoort als iemand doortrekt. We hebben het onthouden van de dagen die we in het dorp hebben doorgebracht en niet verder konden vanwege de schietoefeningen. Het is een vreemde gewaarwording als je de deur van de cabine opent en vanuit de donkere kerk de felverlichte ruimte binnenstapt. Bij het ontbijt in de B&B in Kimmeridge maken we er met de andere gasten grappen over. Dat je als je er binnenstapt, in dat grote toilet, als vanzelf eigenlijk de gedenkwaardige woorden spreekt van 'Let there be light' van Genesis 1:3. De gasten moeten er smakelijk om lachen, op zo'n manier dat je zeker weet dat deze grap voor altijd deel zal blijven uitmaken van hun thesaurus van grappen die wij aanduiden als Engelse humor. Daardoor komt het ook dat we zo laat zijn gaan lopen bij de halve finale, omdat het zo gezellig is die ochtend aan tafel.

Lulworth Cove.

Na onze plaspauze moeten we maar eens richting dat hek met die rode vlag. We lopen een heuvel op en dan weer naar beneden tot we bij die bijna perfect ronde baai aankomen die daar voor het dorp ligt, de Lulworth Cove. Je kan er zwemmen, met zwemschoenen aan vanwege de kiezels, je kan er met je zeilboot afmeren of gewoon alleen maar op het strand zitten. Het ziet er paradijselijk uit, zeker met die warmte. De baai is zo mooi rond dat je vermoedt dat hier ooit een meteoriet is neergekomen. Dat gebeurde toen aan de Jurassic Coast, en er liepen ook dinosauriërs rond.




Onderweg naar beneden krijgen we de rode vlag steeds dichter in het vizier. Het is een steile afdaling, dus je moet wel naar de grond en de traptreden – we lopen op een trap – blijven kijken, en af en toe omhoog, naar die vlag. Maar dan, als we weer eens omhoogkijken, is-ie opeens weg. Pardoes. Waar eerst nog dat waarschuwende rood wapperde is nu niets meer. Dat betekent dat we erdoor kunnen, dat het hek open is. Een van ons zal het ook wel geroepen hebben: 'We kunnen erdoor!' Want het is een magisch moment. Als we er aankomen is de ketting eraf en de vlag netjes onder om de vlaggenmast heen geknoopt. En waar is de man of vrouw die dit gedaan heeft? We hebben nog wel een wagen gezien, een jeep of zo, maar ook die is in geen velden of wegen meer te bekennen. De plek is vol geheimzinnigheid. Als je erdoor gaat, door het hek, is het alsof je heilige grond betreedt, voorzichtig, je durft er bijna niet op te lopen. En zie je meteen ook die gele paaltjes waar je tussen moet blijven. De stilte is overweldigend, ook tijdens wandeling erna. Misschien dat we op het hele stuk maar vier mensen zijn tegenkomen.


Het schietterrein is een dor landschap. Hier en daar staan ruïnes, overblijfselen van oude boerderijen, er grazen runderen en schapen en als we verder komen en in de dalen kunnen kijken die deel uitmaken van het terrein, zijn daar de boerderijen waar die runderen en schapen bij horen, stukken land, nederzettingen, tussen de wegen waarop met tanks geoefend wordt. Er wonen dus ook gewoon mensen.

Het lijkt een makkelijke tocht, zo tussen die paaltjes, rechttoe rechtaan, maar dan komen er toch drie zware beklimmingen en dito afdalingen, eentje waar je ook een touw bij nodig hebt, om niet naar beneden te glijden. Het touw is niet lang genoeg, het laatste stuk moet je dan toch maar... een beetje glijden. Naast het pad zien we soms wat oud roest uit de grond steken en er staan tanks waarop geoefend wordt. Ze zien er in ieder geval nogal afgedankt uit.


Tyneham.

Dat is de ene kant, het binnenland, dat zich mijlenver uitstrekt. Aan de andere kant, de zee, zien we het verstilde decor van paradijselijk mooie baaien waarin hier en daar een zeiljacht ligt afgemeerd. Als we er bijna zijn, bij het hek waar we weer door mogen om in de gewone wereld terecht te komen, is er nog een afslag naar een andere mooie plek, wat eens een paradijs geweest moet zijn: Tyneham. Het enige wat rest van deze gemeenschap is het kerkje en een schooltje, een telefooncel en de resten van wat eens huizen waren, in straten. In 1943 werd het plaatsje als militair oefengebied geconfisqueerd. Na de oorlog dachten de bewoners dat ze er weer konden terugkeren, van de plekken waar ze naartoe geëvacueerd waren. Maar toen kwam de Koude Oorlog en ging dat allemaal niet meer door. Nu is het een plek van herinneringen.

...Gad Cliff, een klif dat er aan de buitenkant uitziet als Mount Rushmore...

We lopen weer terug naar het pad, het is nog een flink stuk over Gad Cliff, een klif dat er aan de buitenkant uitziet als Mount Rushmore in de Verenigde Staten maar dan zonder dat ze er die koppen van de presidenten in uitgehakt hebben. Je ziet het vanuit de baai bij de ranger als je in de buurt bent van de Clavell Tower. Gad Cliff is lang en regelmatig van vorm. Je zou er alle vorsten van het Britse koninkrijk in uit kunnen hakken, van King Arthur tot Charles de Derde.

...een gigantisch hellend stuk rots – waar je bang van wordt – de zee in...

Het torentje is het eerste wat we zien als we weer bijna in Kimmeridge zijn. Langs eerst nog een gigantisch hellend stuk rots – waar je bang van wordt – de zee in en weilanden vol schapen, allemaal nog binnen het gebied van de Lulworth Ranges, tot we bij het hek zijn dat ons er weer uit laat, en we het dorp in wandelen. Daar ploffen we die avond neer achter een pint bier. De volgende dag horen we van gasten aan de ontbijttafel die ons hebben zien binnenkomen dat we er afgemat uitzagen. 

Er zijn wandelaars, en volgens Paddy Dillon kan het, en dan moet het in het weekend, als ze niet schieten, en moet je vroeg op, die het hele stuk van Lulworth tot Swanage, die hele kwart- plus halve finale, in één keer lopen, dat is 10 plus 23,5 is 33,5 kilometer, plus nog een ommetje van zo'n 4 kilometer naar Tyneham, is 37,5 kilometer, wat in werkelijkheid altijd langer is. Of zwaarder, door de te beklimmen hoogtes. Wij zijn wel blij met Kimmeridge Farm als logeeradres onderweg, het enige en beste hier. Annette vertelde dat ze het nog een paar jaar doet. Hoe moet dat hier straks met die arme Coastpath-lopers?

* En ook wel leigedekte.

donderdag 19 augustus 2021

Reizen met Charley van John Steinbeck

Na het dikke boek van Geert Mak, Reizen zonder John, moest ik natuurlijk ook Reizen met Charley lezen, waar het dikke boek op gebaseerd is. In 2010 deden Geert Mak en zijn vrouw de reis van John Steinbeck en zijn hond nog eens opnieuw, precies vijftig jaar later. Om te zien hoe Amerika veranderd was. Net als Steinbeck dat gedaan had. Steinbeck reist 'van Long Island naar de Pacific en via Texas en het diepe zuiden terug naar New York. Hij reist met een speciaal voor deze reis gebouwde camper, de Rocinante, via kleine stadjes en groeiende steden naar schitterende oases in de wildernis en doet uitgebreid verslag van de obsessies en eigenaardigheden van de Amerikanen die hij onderweg tegenkomt.'* Wat dat boek zo bijzonder maakt, is zijn reisgenoot, een Franse poedel. De gesprekken die Steinbeck met hem voert. Gedurende de reis, ook al duurt die nog geen jaar, voel je Charley ouder worden, misschien is het de vermoeidheid, en dan is het de oude baas tegen de oude hond, en andersom, in al zijn aandoenlijkheid, zoals wanneer Charley de camper uit loopt en niet terugkomt en zijn baas hem gaat zoeken:

Charley was niet teruggekomen. Ik deed de deur open, floot hem en kreeg geen reactie. Dat bracht me terug tot de werkelijkheid. Ik greep mijn zaklantaarn en richtte zijn doordringende straal op de canyon. Het licht flitste op in twee ogen op zo'n vijftig meter afstand. Ik rende het pad op en trof hem starend in de ruimte aan, net zoals ik had gedaan.

'Wat is er, Charley, ben je niet in orde?'
Zijn staart wuifde langzaam zijn antwoorden. 'Ja, hoor. Het gaat prima, geloof ik.'
'Waarom kwam je niet toen ik je floot?' 
'Ik heb je niet horen fluiten.' 
'Waar staar je naar?' 
'Weet ik niet. Naar niks, denk ik.' 
'Nou, wil je niets eten dan?' 
'Ik heb niet echt honger. Maar ik zal wel doen alsof.' 
In de hut liet hij zich op de grond vallen en legde zijn kin op zijn poten. 
'Kom op bed liggen, Charley. Laten we ons samen ellendig voelen.' Hij gehoorzaamde, maar zonder enthousiasme, en ik woelde met mijn vingers door zijn kuif en achter zijn oren zoals hij lekker vindt. 'Hoe is dat?' 
Hij draaide zijn kop. 'Iets meer naar links. Ja, daar.' 
'We zouden armzalige ontdekkingsreizigers zijn. Een paar dagen van huis en we hebben al medelijden met onszelf. De eerste blanke die hier kwam – ik geloof dat hij Narváez heette en ik meen dat zijn uitstapje zes jaar duurde. Schuif eens op. Ik zal het opzoeken. Nee, het duurde acht jaar – 1528 tot 1536. En Narváez zelf heeft het niet tot hier gehaald. Vier van zijn mannen wel. Ik vraag me af of zij ooit medelijden met zichzelf hadden. Wij zijn slap, Charley. Misschien is het tijd voor wat hoffelijkheid. Wanneer ben je jarig?' 
'Weet ik niet. Misschien net als een paard, op 1 januari?' 
'Zou het vandaag kunnen zijn?' 
'Wie weet?' 
'Ik zou een taart voor je kunnen bakken. Wel met cakemix, want dat is het enige wat ik heb. Maar met genoeg stroop en een kaarsje erbovenop.' 
Charley bekeek de operatie met lichte belangstelling. Zijn malle staart hield een subtiel gesprek. 'Iedereen die je een verjaardagstaart voor een hond zou zien maken waarvan hij niet eens weet of hij jarig is, zou denken dat je van lotje getikt was.' 
'Als je met die staart van je niet netter kunt spreken dan zo, is het misschien maar goed dat je niet kunt praten.' 
Hij lukte vrij goed: vier lagen cake met stroop ertussen en een stompje van een mijnwerkerskaars erbovenop. Ik dronk op Charleys gezondheid met pure whisky terwijl hij at en de stroop oplikte. En toen voelden we ons allebei beter. Denk dan eens aan die groep van Narváez – acht jaar. In die tijd bestonden er nog echte mannen. 
Charley likte de stroop van zijn snor. 'Waarom ben je zo melancholiek?' 
'Omdat ik niets meer zie. Als dat je overkomt, denk je dat je nooit meer iets zult zien.' 
Hij stond op en rekte zich uit, eerst zijn voorpoten en daarna zijn achterlijf. 'Laten we een stukje de heuvel op lopen,' stelde hij voor. 'Misschien begin je weer iets te zien.' 
We inspecteerden de berg gebroken whiskyflessen en liepen daarna verder over het pad. De droge, bevroren lucht kwam in pluimpjes rook uit ons naar buiten. Een vrij groot beest sprong de heuvel vol gebroken stenen op, of misschien een klein beest en een grote kleine lawine. 
'Wat was dat volgens jouw neus?' 
'Niet iets wat ik herken. Een soort muskusachtige geur. En ook niet iets waar ik achteraan ga.'  
De nacht was zo donker dat hij doorgeprikt was met vurige spikkels. Mijn licht werd beantwoord door een flits op de steile, rotsachtige oever. Ik klom er stuntelig uitglijdend heen, raakte de echo van licht kwijt en vond hem weer, een klein, net gespleten steentje met een stukje mica erin; geen fortuin maar een mooi ding om te hebben. Ik stopte het in mijn zak en we gingen slapen. 

Wat is dat toch met boeken met honden?  

* Tekst op de omslag van John Steinbeck, Reizen met Charley. Een zoektocht naar Amerika. Vert. door Tineke Funhoff. 12e druk. [Amsterdam]: Olympus, 2019.
** Ibidem pp. 203-205.

vrijdag 4 juni 2021

Kunstschilder Niek van der Plas op televisie

Niek van der Plas, Strandgezicht.

Na een lange periode van afwezigheid is er volgende week weer een aflevering van De Plek op RTV Katwijk. Deze keer staat de bekende kunstschilder Niek van der Plas centraal. Vanaf maandag 7 juni bij RTV Katwijk.

Niek van der Plas (1954) groeide op in Katwijk aan Zee, als oudste zoon in een gezin van vier kinderen. Het vissersdorp waar de oude, witte kerk, de zee en de duinen een prominente plaats innemen, vindt men terug op veel van zijn schilderijen. Niek begon al op jonge leeftijd met tekenen, gestimuleerd door zijn vader. In 1966 werd hij voorgedragen als student aan de Famous Artist School in de Verenigde Staten. Van der Plas is een colorist, wat betekent dat hij bij voorkeur met warme kleuren werkt. Zijn werk krijgt daardoor een Franse, impressionistische sfeer. De schilderijen worden gewaardeerd door een breed publiek in binnen- en buitenland. Zo zijn er ook aan de andere kant van de oceaan enkele bekende Amerikanen die een werk van zijn hand in huis hebben. We kunnen stellen dat in een aantal Amerikaanse huiskamers de Oude Kerk aan de muur hangt.

In het tv-programma De Plek gaan bekende en minder bekende Katwijkers terug naar de plek(ken) die voor hen van belang is (zijn) geweest. Ook Niek van der Plas bezoekt enkele van die plaatsen in het dorp waar hij is opgegroeid, zoals het Vlaggeduin en de Boulevard. Want ondanks het feit dat hij in Parijs of Amerika had kunnen wonen, heeft Katwijk een speciale plaats in zijn hart en is het de plaats waar hij zich pas echt thuis voelt. Of, zoals hij zelf zegt: 'Ik zou toch nergens anders dan in Katwijk kunnen aarden.'


De Plek wordt vanaf maandag 7 juni uitgezonden op RTV Katwijk, een week lang dagelijks in de uitzendingen van 12.00, 18.00 en 21.30 uur, na de sport. Via Ziggo op kanaal 41 of KPN 1385 maar nog makkelijker in het hele land op https://www.rtvkatwijk.nl/live-tv/ op de genoemde tijden. Later komt het programma op YouTube, waar het op ieder moment van de dag jaar in jaar uit te zien is. De Plek wordt gemaakt door Jaap Arnoldus en Adri van Beelen.


Jaap Arnoldus en Adri van Beelen bezig met de montage.

zondag 11 april 2021

I

Op m'n bureau van het merk Gazzda – ik zeg het nog maar eens, want ik ben er heel blij mee, niemand heeft zo'n mooi bureau, zelfs de president van Amerika niet – heb ik een presse-papier in de vorm van de letter I. Het lijkt erop dat ik hem speciaal heb laten maken voor op dat bureau. Het is de hoofdletter, zoals je die op een typmachine kan aantreffen. In de computerwereld noem je dat lettertype, dat font, de Courier. Hij is van ijzer. Wat voor ijzer weet ik niet, van welke dichtheid, maar het heeft een zeker gewicht. Waarmee deze 'papierdrukker', zoals de leenvertaling van het voorwerp luidt, de papieren die eronder liggen op hun plaats houdt. Gek dat je zo'n ding altijd met wind en tegenover elkaar openstaande ramen in verband brengt. Van Dale bevestigt dat, al komt deze gedachte voor de beschrijver van het lemma pas op de tweede plaats: 'sierlijk, zwaar stuk glas, marmer enz. om op losse papieren te leggen, teneinde te beletten dat ze door elkaar raken of wegwaaien'. In mijn opinie echter zullen de papieren pas door elkaar raken nadat de stapel is omgevallen of weggegleden of weggewaaid.

Waarom een I, en geen L bijvoorbeeld, of een stevige M? Dat komt omdat deze presse-papier uit het Smalspoormuseum komt, bij het Valkenburgse Meer. Daar lopen rails die vroeger door de Katwijkse Zuidduinen hebben gelopen. Blijkbaar hadden ze van die rails door de duinen wat stukken over. Die ze in stukjes van vijf centimeter hebben gezaagd. Er lag destijds, het zal zo'n drie jaar geleden zijn dat ik zo'n stukje op de kop tikte, een hele bak vol van.

Dat museum met dat stationnetje is leuk, hoor. Ze gaan de rails nu doortrekken om het hele meer heen. Maar zo'n open vlakte haalt het niet bij de indianenbergen in de Zuidduinen waar het spoortje vroeger doorheen liep.

Ik vind hem prachtig, die I, dat stukje rails, met het snijvlak in blank metaal, gepolijst als het ware, en de omtrek zwart, door een dun laagje teer. Ik kijk ernaar en denk: vijf centimeter rails uit de Katwijkse Zuidduinen, vijf centimeter rails waar ik ooit overheen gereden ben.

vrijdag 12 juli 2019

Heimwee en verlangen


Vanochtend op de fiets, al voor de tweede keer, gisteren ook al, dat liedje van 'Danny Boy'. Liedje vol heimwee en verlangen. Nu m'n ouders zo oud en breekbaar zijn. Een liedje, als ik het neurie, denk ik terug aan die dagen op het strand, dat ik met m'n zusje, we waren twaalf en acht, alvast het schermpje* gingen opzetten, dan hadden we een plekje, acht uur in de ochtend, misschien nog vroeger. Terwijl m'n moeder het ontbijt voor de badgasten maakte, de bedden deed. We lieten het schermpje staan en gingen terug naar huis. Als m'n moeder klaar was, gingen we weer terug naar strand, met een thermosfles met thee en broodjes en koeken en snoepjes. Het zou een warme dag worden. 's Middags kregen we een ijsje uit de strandtent. We schepten dammen in de zwin en zwommen in de zee. Daar ergens voer m'n vader.


Het was altijd zomer en we zouden nooit oud worden.


* Van het schermpje opzetten zijn geen foto's. Je nam geen fototoestel mee naar het strand zo 's ochtends vroeg en zeker niet om foto's te maken van het opzetten van een schermpje. Het was van blauwe of oranje stof. Op de foto's hierboven zijn mijn zus en ik tweeënhalf en zesenhalf jaar oud.
Er zijn veel uitvoeringen van 'Danny Boy'. De tekst is van Frederic Weatherly op de melodie van een oud Iers volksliedje. Adri van Beelen stuurde mij al deze informatie na het herkennen van mijn geneurie. Alles in een appje. Er is een mooie uitvoering van van Johnny Cash:


En ook nog eentje uit zijn laatste levensjaar, met een decent orgeltje:

vrijdag 23 september 2016

Filmster

Willem van Rijn.

M'n overgrootvader, ik heb 'm niet gekend, was-ie in Hollywood geboren, dan was-ie vast een hele bekende acteur geweest.