Posts tonen met het label Leiden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Leiden. Alle posts tonen

zaterdag 27 december 2025

Vaste gewoontes

Vrijdag 5 december om 14.59 uur op de Dr. Lelylaan in Leiden.

In de uitzending van Pauw & De Wit van 15 december vertelde journalist en parlementair verslaggever Ron Fresen dat Mark Rutte iemand is van vaste gewoontes. Zo meldt hij zich iedere week op zondagmorgen bij een sportschool in Den Haag. Alleen omdat de koffie daar zo goed is. Op hetzelfde moment is Fresen daar dan aan het sporten. Rutte spreekt er af met vrienden, altijd dezelfde vrienden, en als Fresen dan bezweet weer tevoorschijn komt mag hij aanschuiven, dat vindt Rutte leuk. Vaste gewoontes. Zou het dan ook zo zijn dat onze NAVO-baas iedere vrijdag om iets voor drieën van zijn fietst stapt achter de benzinepomp aan de Dr. Lelylaan in Leiden om er op zijn telefoon te kijken en een appje te versturen? Of daar rond hetzelfde tijdstip gewoon langsfietst? Donderdag 11 december was hij alweer in Berlijn.

zaterdag 2 november 2024

Een haas halen – de queeste van het schilderij met de springende haas

Anne Mortimer, Leaping Hare (2018). Giclée Fine Art Print on 310gms Hahnemuhle Photo
Rag Paper, individually finished in gold leaf, 34 x 54 cm. Limited edition, no. 21/95.

Het was een haas, een schilderij met een springende haas, waarvoor we nog eens helemaal zijn teruggegaan naar Porlock Weir. Teruggereisd, kun je beter zeggen. Want wat een reis! We hadden 'm ook kunnen laten opsturen, de print, opgerold in een koker, maar de lijst die eromheen zat was wel heel bijpassend, had precies de juiste kleur. Die wilden we erbij. Alleen, dan paste-die niet meer in de koffer, dat zou een handkoffer zijn,* want in het ruim van een vliegtuig wilde je 'm ook niet achterlaten, omdat er in de lijst glas zat. Het beste was dus om 'm te gaan halen, de haas, met de trein.
    Heen zijn we nog wel gevlogen. Ook al een reis van zo'n acht uur, met auto, vliegtuig, bus, trein en nog twee keer een bus. Dat zijn zes vervoermiddelen. Maar dan ben je er ook echt, in Porlock Weir, en sta je een paar minuten later bij de galerie.
    Hannah Norman, de nieuwe eigenaar van het optrekje – zij is vooral gespecialiseerd in het portretteren van honden –,** laat het ons zien. Daar staat het, in de hoek achter de deur. Ze tovert er een Engelse glimlach bij als ze het ons overhandigt. Ingepakt. Anne Mortimer mailde het al, de zondag voor ons vertrek, dat haar Leaping Hare klaarstond in de Real Exmoor Studio, 'all wrapped ready for your collection'. Het schilderij zit zo mooi verpakt, met bubbeltjesplastic en dik pakpapier met breed papieren plakband, dat het niet verstandig lijkt het voor de reis naar huis nog even uit te pakken. Hannah verzekert ons dat erin zit wat erin moet zitten en daarmee zijn we gerustgesteld. Anne Mortimer zien we niet meer, zij is in augustus met pensioen gegaan. Wat ze heeft ingepakt, hebben we 25 juni voor het laatst gezien.

Met het schilderij voor de Real Exmoor Studio in Porlock Weir.

Dit is de queeste van het schilderij met de springende haas.
Je krijgt het niet zomaar.

We staan bij de bushalte voor het Visitor Centre annex Library van Porlock. Die zitten samen in één gebouw. De bibliotheek bestaat tien jaar. Dat werd gisteren gevierd, op 10 oktober – drie tienen –, toen we toevallig bij het informatiecentrum waren voor een wandelkaart, met allerlei zelfgebakken Engelse cakes en thee – ik heb een plakje genomen. Vandaag is het vrijdag 11 oktober.
    We zijn op tijd uit bed gestapt en hebben vroeg ontbeten, om maar niet de bus te missen. Daarom staan we er wel een kwartier te vroeg, bij de bushalte. Toch zijn we niet de eersten. Er staat al een man met een hoed op en een rugzak om, een wandelaar. Wij zijn de tweede en de derde die erbij komen in de cue. We mogen er wel van uitgaan dat we een plekje hebben in de bus. Vlak na ons komen er nog vier mensen in de rij staan.
    We moeten naar Minehead, met het schilderij en twee koffertjes. Maandag hebben we het kunstwerk opgehaald bij de galerie in Porlock Weir. We verblijven er twee nachten in The Bottom Ship Inn. En plakken er nog twee nachten aan vast in The Top Ship Inn in Porlock. Daar staan we nu bij de bushalte. Het busje (met nummer 10 – de vierde tien in dit verhaal) waar we straks in zullen stappen, is onze eerste rit op weg naar huis. 

Daar is het al, het stopt aan de andere kant van de weg, het busje dat er pas om 9.40 uur had moeten zijn. Toch is het niet te vroeg, want het moet eerst nog naar Porlock Weir. Dat is de eindhalte, aan zee. We kunnen gewoon wachten tot het terugkomt naar Porlock en stopt bij deze halte... Laten we dat doen, wachten tot het terugkomt en dan instappen... Maar dan begint een vrouw van een huis aan de overkant naar ons te roepen dat het beter is als we nu al instappen, omdat het busje via een andere route door Porlock terugkomt. Dat is vreemd, want aan de kant waar we nu staan is de bushalte waar we woensdag zijn uitgestapt, toen we uit Porlock Weir kwamen om onze intrek in The Top Ship Inn te nemen. Daar kun je dan ook weer instappen om verder te gaan naar Minehead, zou je denken. De vijf mensen, de wandelaar en de vier die er later bij kwamen, verplaatsen zich ondertussen naar de overkant van de straat, waar het busje wacht. Moeten wij dan ook maar instappen? We raken lichtelijk in paniek en stappen gauw in. Dan maar eerst naar Porlock Weir en van daaruit naar Minehead, via de door de vrouw aangekondigde onbekende route door Porlock. Omdat de andere vijf mensen al zijn ingestapt, stappen wij nu als laatste in en komen daardoor achter in de bus terecht, op de een-na-laatste bank. In Porlock Weir stappen de vijf uit en draait het busje om om terug te rijden naar Porlock, waar we gewoon weer stoppen voor de bibliotheek en het informatiecentrum. Wel heb je ooit!

We rijden Porlock uit over de buitenwegen. De bushaltes zijn er goed verstopt tussen de bomen en het struikgewas maar de buschauffeur weet ze allemaal te vinden. Het busje raakt al aardig vol als er een oude man instapt die we nog kennen van onze vorige reis. Het is de autistische boer die zo geweldig naar urine stonk, net als nu, en altijd achterin ging zitten, net als nu, waar wij ook al zitten, waar we terecht zijn gekomen door de vijf overstekende passagiers in Porlock. Opeens stonden we niet meer ergens vooraan in de cue, op de plaatsen twee en drie, maar was er van een cue helemaal geen sprake meer.
    We hadden het kunnen weten, dat hij nog ooit een keer zou kunnen instappen, en we wisten dat je daarom altijd voorin moest gaan zitten. dat was ons gezegd, maar nu is het te laat en komt hij de bus in. Hij heeft een mandje met eieren aan zijn arm. Onderweg naar achteren probeert hij die te slijten aan zijn medepassagiers. Een voor een spreekt hij ze aan – het is een heel gebeuren, de buschauffeur wacht –, maar allemaal deinzen ze achteruit. Ook wij. Bij de volgende halte komen er twee vrouwen binnen. Een gaat er voorin zitten. Naast ons, aan de andere kant van het pad, is nog een plekje vrij voor de andere vrouw. De oude man nodigt haar uit om naast hém te komen zitten, op de achterbank is immers nog voldoende plaats, maar terwijl zij hem groet met de woorden 'Good morning, Andrew', slaat zij zijn aanbod vriendelijk af. Als ze zit, maakt ze een lichte beweging met haar neus. De boer heeft nu ook een naam. We zullen hem nooit vergeten. De bus is gelukkig wat beter geventileerd dan die van de vorige keer, maar de lucht van plas, en ook poep, vestigt zich voor de duur van de reis toch stevig in onze neusgaten.

De queeste is nog niet voorbij. In Minehead stappen we over op bus 28, een wat groter exemplaar dan het busje waar we uit komen, maar overvol, met scholieren en andere reizigers. Achterin zijn gelukkig nog een paar plaatsen. Voorzichtig wurmen we ons ernaartoe, met de koffertjes en het schilderij. Niet stoten. Onze tweede rit naar huis, het is half elf in de ochtend. Schuin voor ons zit een jongeman met een plastic colaflesje, waarin een andere vloeistof zit dan je zou verwachten. Bier. Handig bedacht, want zo'n flesje kun je dichtdraaien als je er een paar slokken uit genomen hebt, maar met ook nog de telefoon in zijn handen lijkt hij dat niet helemaal onder controle te hebben. Gedurende de reis valt hij meermalen in slaap, voorover op de hoofdsteun van de passagier die voor hem zit en glijdt het flesje zonder dop erop steeds weer uit zijn handen. Van de drank die hij op deze manier al is kwijtgeraakt, loopt een kleverig spoor onder de stoelen door naar voren. De bus doet er lang over, een uur en twintig minuten. We stoppen in Taunton, een halte te ver, en moeten een heel stuk teruglopen om bij het station te komen. Het hoort er allemaal bij, bij het vervoer van een kunstwerk.

Taunton Station.

London Paddington wordt de volgende stop. We boeken onze kaartjes om naar een vroeger tijdstip: in plaats van de trein van 14.07 uur nemen we die van 12.07 uur. Zo hebben we meer speling bij het nemen van de metro naar London St Pancras en komen we niet in de drukke avondspits terecht. Met een lijst waar glas in zit is dat niet handig. De trein van Taunton naar Londen is de derde rit naar huis. We kruiswoordpuzzelen wat en eten een broodje en kijken naar het landschap dat voorbij komt en weemoedig maakt. Het schilderij ligt veilig boven onze hoofden in het bagagerek.

Paddington Station.

Om 14.16 uur komen we aan in Londen. Nu wordt het spannend. In de stationshal moeten we even helemaal stilstaan, met de koffertjes, het schilderij en onszelf. We vormen een eiland waar een dikke stroom mensen omheen loopt. Als een stromende rivier. Als de stroom wat dunner wordt, lukt het ons eruit te stappen. We lopen door de smalle gangen van de Underground, er moet nu niemand de hoek om komen en tegen ons opbotsen. Het blijft ingewikkeld, de ondergrondse, maar na één overstap zitten we in de metro die ons naar St Pancras brengt. Het spannendste gedeelte zit erop, de vierde rit naar huis.

In de Underground.

Dan begint het lange wachten op de Eurostar. Hoe krijgen we het schilderij heelhuids door de bagagecontrole? Gelukkig past het in zo'n bak. Voor de zekerheid zeggen we het er nog maar even bij dat het om een print in een lijst met glas gaat. De dinsdag na de aankoop zijn we nog teruggegaan naar de galerie, voor een bonnetje voor als de douane moeilijk gaat doen. Voor de zekerheid doet Hannah er ook nog een visitekaartje bij van Anne Mortimer, met daarop nog een keer de gegevens. Maar het gaat allemaal even soepel, er wordt nergens naar gevraagd. Daarvoor is het ook veel te druk met al die mensen die hierdoor moeten.

Twintig minuten later dan gepland, om 18.24 uur, vertrekt de trein. Onder het Kanaal door, via Lille en Brussel naar Rotterdam, waar we omstreeks 23.05 aankomen. Een lange reis. De vijfde rit naar huis.

Tussen Rotterdam en Leiden zijn deze avond en nacht werkzaamheden aan het spoor. De conducteur van de Eurostar raadt ons aan de metro naar Den Haag te nemen, naar Laan van NOI. Die vertrekt om 23.16 uur. Het is vrijdagavond en de wagons zitten vol uitgaanspubliek. Het is hier drukker dan in de Londense metro. Dit is de zesde rit naar huis.

Op het station in Den Haag nemen we rond 23.45 uur de trein naar Leiden. De zevende rit naar huis.

Om 00.08 uur komen we daar aan en brengt schoonzoon Vincent ons naar huis. Dat is de achtste rit naar huis.

Daar kunnen we het schilderij, de gicléeprint achter glas, eindelijk zien. Van de haas en al die planten en sprieten en stippen. Op de print zijn hier en daar spatten bladgoud aangebracht. Die springen eruit als het licht er onder een bepaalde hoek op valt. Wat we die nacht te zien krijgen voldoet geheel aan onze verwachtingen. Het is de week wachten en de reis van veertien uur helemaal waard geweest. Of eigenlijk nog langer, want we hadden het natuurlijk op 25 juni voor het laatst gezien. Toen we de plaat niet mee konden nemen, omdat we nog dat hele stuk van het South West Coast Path moesten wandelen. En dat we daar moesten zijn, in Porlock Weir, en die galerie in liepen, was ook niet zomaar. Dat hadden we te danken aan het onweer en de regenbuien van 17 september het jaar ervoor. Waardoor we toen dat stuk tussen Porlock Weir en Lynmouth niet konden lopen en dat in juni alsnog gingen doen. We hebben er allemaal geen spijt van. Want ook het ophalen van het schilderij, nu in oktober, leverde ons weer drie mooie wandelingen op, rondom Porlock en Porlock Weir, met veel nieuwe ervaringen en ontmoetingen. Een queeste met nogal wat zijpaden, zou je kunnen zeggen. 

We zullen er altijd met veel genoegen aan blijven terugdenken.

De lichtgroene deur helemaal rechts is die van de Real Exmore Studio.
Het het is zo klein, het raam erna hoort er al niet meer bij.

* De lijst meet 39 x 60 cm. Dat is net 4 cm te breed en 5 cm te lang voor wat de KLM als maximale afmetingen voor handbagage hanteert. En daar komt ook nog de verpakking bij.
** Dit is Engeland in optima forma. Hondenbezitters laten hier hun viervoeter portretteren. De kunstenares heeft het er druk mee. Ze doet er zo'n zes in de maand, vertelde ze ons. 

dinsdag 27 augustus 2024

'Een ouderwetse knokpartij'

Waar ik werk, vraagt de chirurg. En wat later: 'Op het Rapenburg heb je toch ook nog een bibliotheekje, daar vooraan?'

'Ja, dat is op de andere hoek van die straat waar ook de Friese bakker zit. Hoe heet het ook alweer? Ik kom zo wel op de naam.'

'Ja, daar. Maar dat is niet zomaar toegankelijk, geloof ik.'

'Ja, het is van een vereniging of stichting, je kan er naar binnen op aanvraag. Ook tijdens de monumentendagen is het niet open.'

...

'De Thisius-bibliotheek. Nu weet ik het weer.'

Ondertussen lig ik onder de doeken om aan mijn oog geopereerd te worden. Mijn handen moet ik op mijn buik leggen. Dat ligt veel rustiger, zegt de operatieassistent. En ook minder koud, onder de deken. Ze doet druppels in mijn oog en niet lang daarna krijg ik in het onderste ooglid een prik om te verdoven. Ik word naar de volgende ruimte gereden, met grote afzuigkappen en lampen, nog kouder. Er gaat een doek met een gat over m'n hoofd, of is dat al gebeurd? Dan begint het. De oude lens wordt uit m'n oog gehaald, kapotgetrild, ik hoor om de zoveel tijd een apparaatje dat trilgeluiden maakt. Wat ik zie is een vaag soort licht dat op het Noorderlicht lijkt. M'n andere oog dat verscholen ligt onder de operatiedoek doe ik dicht. Stel dat er iets scherps op valt, door de doek heen. Ik ben rustig, de oxazepam werkt.

'Dat zijn dus eiwitten die die staar veroorzaken?' vraag ik op een stil moment aan de chirurg.

'U heeft wel heel slecht zicht gehad. In uw geval denk ik eerder aan een bal, een voetbal of een tennisbal, die in uw oog is gekomen, of dat u ooit terechtgekomen bent in zo'n ouderwetse knokpartij.'

'Een ouderwetse knokpartij... dat klinkt spannend. Ik kan het me niet herinneren, maar ik zal eens nadenken.'

Ik hoor hem zeggen dat het lenszakje schoon is. Dan vraagt hij om water. Er spoelt water door mijn oog.

'Lens!' hoor ik de chirurg nu zeggen. Dat is het moment dat de lens hem zal worden aangereikt.

Na een paar minuten is het: 'Het ziet er heel mooi uit, meneer.'

Het oog wordt afgeplakt en ik word de gang op gereden.

donderdag 7 juli 2022

In de puzzel – South West Coast Path (2)


In Polperro belandden we in de puzzel. Dit was natuurlijk een vooropgezet plan, omdat we deze reis al in januari hadden bedacht en de puzzel daarvoor al veel vaker in elkaar hadden gelegd. We zouden kijken of we vanaf de positie die de fotograaf, Andy Williams, had ingenomen precies hetzelfde kader konden krijgen, hetzelfde perspectief, en ook zouden we onszelf voor The Old Watch House, het huis op de puzzel, op de foto zetten. We konden het bord aan de gevel nu goed lezen.

Als voorbeeld konden we de hele puzzeldoos meenemen, of alleen de deksel, plat in de koffer. Maar wat een gedoe zou dat zijn. Gelukkig neem je zo'n plaatje tegenwoordig gemakkelijker mee in het geheugen van je telefoon. Die zetten we op het muurtje waarover de foto genomen is. En dan maar kijken of we precies hetzelfde zouden krijgen. Wat een gekkigheid, kun je denken. Maar Polperro ligt natuurlijk niet zomaar even om de hoek. Het is geen puzzel van een plek in Leiden of Amsterdam. Het is een lange reis om er te komen, en zeker met de omweg via Penzance, met de trein en wandelend over de kliffen. Ik pleit er trouwens voor weer meer van dit soort nostalgische puzzels op de markt te brengen, met mooie, gezellige plaatjes, van plekken die echt bestaan, fijn voor lange winteravonden.

In de puzzel.

Nu we de foto's naast elkaar hebben, van de puzzel en van 25 juni 2022, is het een kwestie van vergelijken, van zoek de verschillen. Er liggen andere bootjes, maar op de puzzelfoto liggen ze toch mooier gerangschikt. Op de puzzelfoto is er ook minder wind, waardoor het water blauwer oogt. De hortensia bloeit er al wat langer, en ook alle andere bloemen bloeien uitbundiger. Dat zou betekenen dat het op de puzzel al wat langer zomer is. Er staat een andere plantenbak rechts achter de struik. En ook de haak aan de muur is vervangen. Er zit nog steeds een kattenluik in de deur, de groene verf is eraf geschrapt en alles is in de vernis gezet. En voor wie goede ogen heeft: rechts naast de deur hangt nog steeds een bel met een klepel. En ook het leeuwtje op de hoek van de muur houdt dapper stand.

Het bord met 'The Old Watch House'.

Ondanks dat alles van tevoren zo bedacht was, was het een vreemde gewaarwording om op deze plek te zijn. Alsof het plaatje al die tijd en onveranderlijk zo precies op ons gewacht had. Alsof we écht in de puzzel waren gestapt.

zaterdag 4 juni 2022

Braam plukken (5) – 'Naastenliefde', over de Leidse ziekenhuizen

 
Katwijk heeft nooit een ziekenhuis gehad, dus de Katwijkers waren voor ziekenhuiszorg altijd aangewezen op Leiden, waar de medische wetenschap zich sinds de 17e eeuw stormachtig heeft ontwikkeld, met als boegbeeld de wereldberoemde medicus Herman Boerhaave.

In de binnenstad werd het academisch ziekenhuis gesticht. Later verhuisde dit naar de plek waar nu het Museum voor Volkenkunde staat en weer later naar de huidige plek aan de Rijnsburgerweg. Eerst gevestigd in meerdere paviljoens, nu in het bekende moderne gebouw.

In Braam plukken gaan Adri van Beelen en Leendert de Vink enkele van die oude plekken bezoeken. Zoals de allereerste locatie van het Diaconessenhuis aan het Plantsoen in Leiden. En ook de latere plek aan de Witte Singel, waar nu de Universiteitsbibliotheek gevestigd is. Tevens brengen ze een bezoekje aan de plek waar de zogeheten Vrouwenkliniek van het LUMC stond.

Leendert en Adri verbazen zich weer op de voor hen kenmerkende wijze over wat zij wel, of juist niet, aantreffen in buurstad Leiden, waar heel wat dorpsgenoten zijn bevallen, geboren of geopereerd. Verpleegd door nonnen en diaconessen, uit pure naastenliefde.

Het camera- en geluidswerk is ook in deze aflevering weer in handen van Jaap Arnoldus.

Braam plukken is vanaf maandag 6 juni de hele week te zien op RTV Katwijk, om 12.00, 18.00 en 21.30 uur, na de sport. Via Ziggo op kanaal 41 of KPN 1385 maar nog makkelijker in het hele land op https://www.rtvkatwijk.nl/live-tv op de genoemde tijden. Later komt het programma op YouTube, waar het tot in alle eeuwigheid op ieder moment van de dag jaar in jaar uit te zien is.

Veel kijkplezier!

De vier eerdere afleveringen van Braam plukken vindt u op YouTube. Van jong naar oud zijn dat:

aflevering 4:



aflevering 3:


aflevering 2:


aflevering 1:

vrijdag 30 juli 2021

Het Roze Huisje (3)

De ochtendzon die over de straat strijkt, zet de huizen in een getemperd licht. 

De steigers zijn weggehaald. Nu zou je denken dat dit huisje wel klaar was. Maar onder aan de gevel moet nog een spatrand worden aangebracht, een 'boerenslimheid', lees ik onder deze link. Dan zal het toch wel af zijn. Maar wat zien we daar?

Aan de middelste trede aan de rechterkant? Als de schilders die maar niet vergeten zijn...

In het namiddaglicht, met de zon erop, verbleekt dat steenrood toch wel enigszins. De zon maakt alles en iedereen blij en zorgeloos.

zaterdag 24 juli 2021

Het Roze Huisje (2)

Dat huis aan de linkerkant mag er ook wel wezen, met zijn dubbele grijze deur
en ramen met roeden.

Als je over een paar dagen terugkomt, zijn de steigers verdwenen. Nu lijken ze er nog in geschilderd te zijn door Johannes Vermeer, de schilder uit Delft. Het Roze Huisje, tegenover de bakker waar ik altijd mijn brood haal, waldkorn casino, is weer teruggerestaureerd naar de kleur die het als eerste had: steenrood. De kleur van eeuwen geleden, voor alle latere lagen verf eroverheen kwamen. Zoals wanneer je de Eiffeltoren zou afpellen en weer bij de kleur – was het toen al groen? – uit 1889 zou uitkomen. Maar het zal wel altijd het Roze Huisje genoemd blijven. Ook door de gidsen die er nu voorlangs varen. Op het moment van de foto varen er door het grachtje van de Groenhazengracht twee boten met gezelschappen met iemand aan boord die ze over het wereldberoemde huisje en de andere geschiedenissen van deze stad verhaalt. Bert, die op zijn nieuwe Gazelle naar de Sleutelstad is afgereisd om wat voorwerk te verrichten voor een nieuwe opdracht, zegt dat het hem wel leuk lijkt om als rondleider door zo'n stad dan steeds een ander verhaal te vertellen.

Er is veel te zien op de foto, onder andere het hart, of moet je zeggen halve hart, in de boom, waardoor je uit het bovenraam van het huis aan de rechterkant naar de overkant kan kijken, om te zien of er geen rij voor het Fries bakkertje staat als je om brood moet.

zondag 18 juli 2021

Oranjekoek van de rand

Het leven is vol verrassingen. Donderdag was ik bij het Friese bakkertje. Ik had vijf broden besteld, vijf hele casino waldkorns. Toen ik de winkel binnenkwam lagen ze netjes op een rij te wachten. Vijf broden. 'Ze zijn niet allemaal voor onszelf, hoor,' zei ik ter geruststelling. 'Drie gaan er naar m'n ouders, voor wie we mantelzorgen, helemaal naar Katwijk.' 'Komt u dan ook uit Katwijk?' vroeg de verkoopster. 'Nee, nu kom ik uit Oegstgeest. Maar deze gaan vandaag nog door naar Katwijk. Ze lusten niet anders meer.' 'Wat leuk,' zei de verkoopster. 'Wacht, dan doe ik er een paar stukken oranjekoek bij, afsnijdsels, daar is niks mis mee, hoor. Ze blijven over aan de randen.' Met twee zakken vol afsnijdsels ging ik de winkel uit. Waar maakte je dit nog mee, in deze tijd? Het gulle gebaar. Dat het nog bestond.

Het deed me denken aan m'n ome Jaap die vroeger als banketbakker bij Krijn Verdoes werkte, op de hoek van de Drieplassenweg en Secr. Varkevisserstraat (in Katwijk), en van wie we zo nu en dan een taartdoos vol afsnijdsels kregen, een grote doos vol stukken slagroomtaart, mokkataart, chipolatataart, brokken gevulde koek en chocolade, echte marsepein, en natuurlijk ook de beroemde hazelnootgebakjes met banketbakkersroom, maar dan ingestort of omgevallen. Met het hele gezin zaten we dan om de tafel met onze handen uit de doos te eten. We hebben er een verfijnde smaak voor banket aan overgehouden.

vrijdag 25 juni 2021

Het proefschrift van Eberhard Rebling

Het proefschrift van Eberhard Rebling, Die soziologischen Grundlagen der
Stillwandlung der Musik in Deutschland um die Mitte des 18. Jahrhundert
,*
waarop hij op 10 mei 1935 aan de Friedrich-Wilhelms-universiteit in Berlijn
promoveerde.

In het depot van de Leidse universiteitsbibliotheek vond ik tussen de nog ongecatalogiseerde proefschriften uit Berlijn het exemplaar van Eberhard Rebling, een van de hoofdpersonen uit 't Hooge Nest. In 1936 was hij Duitsland ontvlucht en naar Nederland vertrokken, met twee koffers, een typemachine en tien mark. Daar leert hij in 1937 Rebekka Brilleslijper kennen, zijn latere echtgenote. Als hij aan het begin van de oorlog, in 1941, een oproep krijgt voor het Duitse leger, duikt hij onder. Samen met andere onderduikers bewonen Eberhard en Rebekka de villa in de bossen tussen Naarden en Huizen, tot zij in 1944 worden verraden. In het boek lezen we hoe Eberhard aan de nazi's weet te ontkomen, door zich tijdens een gevangenentransport door het raam van een politiebusje te werpen.** Eberhard promoveerde precies vijf jaar voor de Duitsers Nederland binnenvielen.

Portefeuilles met ongecatalogiseerde proefschriften uit Berlijn, van 1811 tot en met 1988.

Ondertussen is het proefschrift van Eberhard Rebling gecatalogiseerd en op te vragen via de catalogus.

* 'De sociologische grondslag van de stijlverandering van muziek in Duitsland rond het midden van de 18e eeuw'.
** Roxane van Iperen, 't Hooge Nest, 27ste druk, 2021, p. 238.

dinsdag 1 juni 2021

Het Roze Huisje

Groenhazengracht 3, Leiden.

Alsof je naar een schilderij van Johannes Vermeer kijkt.

Tegenover de bakker waar ik altijd mijn brood haal, waldkorn casino*, staat het Roze Huisje. Piepklein is het. Vanochtend zag ik dat het in de steigers stond. Het is roze omdat hier vroeger, in de 17e eeuw, de rosse buurt was, lees ik als ik de QR-code scan die op het zeil te zien is.** De gracht waaraan het staat, heet Groenhazengracht***, genoemd naar de Vlaamse hoerenmadam die in het huisje woonde en werkte. Haar bijnaam was Groen Haasje.

Dat is allemaal ver voordat bakker ús Bertus hier kwam, in de volksmond het 'Friese bakkertje' geheten. Ze gaan het huisje terugrestaureren naar hoe het was voor alle latere lagen verf eroverheen gingen, lees ik op de aan de code gekoppelde site, naar de eerste verflagen die van een steenrode kleur waren en die het 'Rosse Huisje' had toen Groen Haasje er nog woonde. Paul van Vliet schijnt er trouwens ook nog gewoond te hebben, in zijn studententijd.

Scan hier zelf de QR-code.

* Het beste en lekkerste brood van de hele wereld.

** Met een moderne telefoon lukt dat zelfs vanaf de overkant van het water. De wereld is vol verrassingen.

*** Tussen het Rapenburg en de Witte Singel. Het huisje staat schuin tegenover de voormalige Doelenkazerne.

maandag 26 april 2021

Korrie Koninklijk!

De uitreiking van de koninklijke onderscheiding in de Pieterskerk te Leiden.*

Vandaag is Korrie Korevaart koninklijk onderscheiden en dat is dik verdiend!

Of zoals de burgemeester het verwoordde: 'Als Korrie Korevaart zich ergens mee bemoeit, gaat ze er helemaal voor. Ze is betrokken, betrouwbaar, enthousiast, creatief en zet zich dag en nacht in. Zo iemand verdient een lintje. En daar is onze koning het helemaal mee eens. Bij Koninklijk Besluit van 23 februari 2021 heeft hij daarom dr. Kornelia Johanna Jannetje Korevaart benoemd tot Lid in de Orde van Oranje-Nassau.'

De uitreiking is hier nog eens terug te zien, vanaf 1 uur, 1 minuut en 30 seconden:

Korrie Korevaart studeerde in 1982 cum laude af in Leiden in de Nederlandse Taal- en Letterkunde en promoveerde daar in de Letteren op 30 mei 2001. In 2004 werd zij secretaris-directeur van de Faculteit der Kunsten van de Universiteit Leiden. Naast haar werk, zat zij onbezoldigd in de redactie van diverse tijdschriften, was zij actief voor de Alumnivereniging van Leidse Neerlandici, was zij secretaris van de Annie Romein-Verschoorlezing (ARV) en voor de werkgroep van de oude begraafplaats Maria Rust van de Historische Vereniging Westelijk Voorne. Binnen en ook buiten de Stichting Terebinth, waar zij vicevoorzitter is, zet zij zich in voor behoud en beheer van funerair erfgoed. Zij is verder sinds 2014 hoog gewaardeerd redactielid van het gelijknamige tijdschrift voor funeraire cultuur. Op de site van de Leidse universiteit wordt uitgebreid verslag gedaan van de grote verdiensten van Korrie Korevaart.


*Met dank aan Bert van der Meij voor het knippen van de screenshots. Bert, die vandaag bevorderd is tot hofleverancier.

donderdag 30 juli 2020

Rondje Oegstgeest


Of moet ik het een Tour d'Oegstgeest noemen? Want dit dorp is deftig. En dan heb ik het vooral over Oud-Oegstgeest, met zijn mooie villa's, gelegen in landelijk groen.

We hadden wel zin in een groene tocht dit keer, van bos naar bos, te beginnen in het Bos van Van Wijckerslooth, met ck en th. Toe maar!* Maar we sloegen dat bos nu toch maar even over om door de naastgelegen villawijk te kunnen wandelen. En dat is alsof je door een dorp in de Cotswolds loopt. Heerlijk! Engels! Met een bruggetje in de straat en tussen de huizen een vijver met een hekje eromheen en eenden, een pool. Je verzint het niet. Hier wil je wonen. De rust. Ik herinnerde me van een fietsritje een paar weken geleden nog dat huis op de hoek, het leek wel een boerderij, maar was dat niet. Het was een oude villa met strooien dak, met grote struiken blauwe en roze hortensia's ervoor. Een beeld dat voorbijschoot, op die fiets, in mijn ooghoek. Schitterend! En dan schit-te-rend met nadruk uitgesproken, in losse lettergrepen. Nu kwamen we er weer langs, lopend. En kon ik het vastleggen dat beeld, als die bloemen nog niet uitgebloeid waren. Ha, daar was het weer. Het zat nog op mijn netvlies.

Kasteel Endegeest.

Na het Bos van Van Wijckerslooth, met ck en th, zouden we het groen rond Endegeest pakken, het gekkenhuis. Onderweg huizen met erkers en balkonnetjes met baldakijnen erboven, hoe verzin je het. Alles in zomerse stemming. Rechts van de weg het gemeentehuis in paviljoen Rhijngeest, het staat nog boven de deur, vroeger onderdeel van het gekkenhuiscomplex. Paviljoen... er is geen ander woord voor zo'n gebouw. In het trappenhuis van het gebouw zitten nog tralies, mooie tralies, in jugendstil, zodat de patiënten niet naar beneden sprongen. Tegenwoordig kun je er trouwen, wat we dan ook gedaan hebben.

Land(je) van Bremmer.

Wat verderop kun je langs het vroegere Witte Huis, waar je rijexamen deed en wat nu een verzorgingstehuis is voor vermogende bejaarden, naar het kasteeltje van Endegeest wandelen. Descartes heeft daar nog gewoond, van 'Ik denk, dus ik ben' ('Cogito ergo sum'), een filosoof in het gekkenhuis, je verzint het niet (of juist wel). En Maarten Biesheuvel verbleef er, groot schrijver, vandaag overleden. Achter het kasteeltje loop je via de kwekerij van de inrichting over het Pad van Bremmer, langs het Land(je) van Bremmer, dat oude weiland, die groene oase, met koeien, schapen, een ooievaarsnest, tegenover het voormalige Zendingshuis Hendrik Kraemer aan de Leidsestraatweg**. Nu zagen we het weiland ook eens van de andere kant. Loop je het Pad van Bremmer af, dan kom je uit op de Nachtegaallaan.

De Leidse Hout.

Rechts van die laan ben je opeens in Leiden en wandel je via de Vogelwijk richting het Bos van Bosman, met het landgoed Nieuweroord, waar een paar jaar geleden nog de zusterflat van het Academisch Ziekenhuis stond, die ze gesloopt hebben en waar ze nu die oude villa van het landgoed weer aan het neerzetten zijn, niet terugrestaureren maar opnieuw opbouwen, met appartementencomplexen ernaast. Dat laatste hadden ze niet moeten doen. Want o, wat is hier gebeurd! Het ziet er vol uit, heel vol! Een 'benauwde veste', om met Vondel te spreken. Gek genoeg oogde het landgoed veel ruimer toen die lelijke zusterflat er nog stond. En in de tijd voor de zusterflat, met alleen die oude villa, was het natuurlijk helemaal prachtig. Nee, die appartementencomplexen zijn een miskleun van de eerste orde. Wie heeft dit bedacht? Het tennisbaantje waar prinses Juliana een eeuw geleden nog met de jongeheren van oude Nieuweroord een balletje opsloeg, heeft het in alle nieuwbouwdrift ook al moeten ontgelden. Een paar jaar geleden was het er nog en werd er ook nog getennist.

Kasteel Oud-Poelgeest.

Vanaf de bouwplaats steek je de Rijnsburgerweg over, ga je iets naar links en dan rechts langs de voormalige sportzaak van Wout Bergers en daarna weer rechts langs de Leidse Houtschool, een gebouw uit de jaren dertig in de stijl van die tijd, en dan links langs het Diaconessenhuis de Leidse Hout in. Langs de kinderboerderij en het theehuis en de grote vijver met muziektent. Dan rechts het voetpad en fietspad over – dit is de oude, smalle Haarlemmerdijk; moet je een keer overheen fietsen en meemaken als je in de buurt bent, zo smal tussen het water door –, het terrein van UVS over en langs de keet van IJsclub Oegstgeest via een bruggetje het terrein van kasteel Oud-Poelgeest op, waar Wim en Hendrike getrouwd zijn ('van een bruiloft komt een bruiloft', zie boven) en Boerhaave gewoond heeft. Twee kastelen en drie beroemdheden op één tocht. Van villawijk naar kasteel naar bos, naar weer een bos en naar weer een kasteel, waar vind je dat op deze oppervlakte? 9,3 kilometer op de teller, iets meer dan de helft van de vorige week, maar de wandeling was er niet minder om: een rondje Oegstgeest, met een randje Leiden.


* Hiermee bedoel ik: het kan niet op, zulke deftige combinaties van letters. 'Van Wijkersloot' had al mooi genoeg geweest.
** De straatweg/straat heeft hier eigenlijk twee namen: Leidsestraatweg heet het aan aan de kant van het voormalige zendingshuis, Geversstraat aan de kant van het weiland.

vrijdag 19 juli 2019

'Pavillon de la Fontaine' van Niek van der Plas

Niek van der Plas, 'Pavillon de la Fontaine', Jardin du Luxembourg, Parijs, 2017.
Olieverf op paneel, 46 x 58 cm.

'Maar dat hang je toch niet op zolder!'
'Maar als het daar nou zo mooi staat, bij die schelpen uit Portugal en dat zeilbootje op de kast.'
'Ja, het staat daar wel heel mooi.'
'Voor mijn part hangen we het hele huis vol met Niek van der Plas. Dan beginnen we een museum. Langs de gevel hangen we dan een banier, hoe noem je dat, zo'n vlag langs de gevel? Nou, je weet wel wat ik bedoel.'
'En dan in de lengte, van boven naar beneden, alleen die vier letters: N I E K. Staat wel artistiek.'
'Gaan we om beurten suppoosten.'


Pavillon de la Fontaine van Niek van der Plas is gevat in een originele handgesneden lijst. Een Fránse handgesneden lijst. Dat betekent dat het schilderij een typisch Frans formaat heeft. De lijst is 'over de hoek', zoals Niek ons dat heeft uitgelegd. Dat betekent dat je geen kepen ziet, geen zaagsneden. De lijst loopt door, zonder einde en zonder begin.

Adri van Beelen, die niet alleen verstand heeft van muziek maar ook van alle andere kunst, wat zeg ik, cultuur in de ruimste zin van het woord, vindt het schilderij wel wat weg hebben van Max Liebermann, met die lichtvlekken overal. Ik ben eens gaan zoeken. Er is zo'n schilderij.

Max Liebermann, 'De Oude Vink', restaurant in Leiden, 1905. Olieverf op doek. Kunsthaus, Zürich.

Ook met van die lindegroene stoeltjes onder de bomen bij een paviljoen. We hebben ze ook in de tuin staan. De kleding is in een eeuw tijd wel wat luchtiger geworden en er worden geen hoeden meer gedragen, alleen nog bij speciale gelegenheden. Op het schilderij van Van der Plas ontwaren we zelfs een laptop, op het tafeltje rechts vooraan bij het uitklapbord. Stilletjes hoop ik dat dit attribuut van de moderne tijd een menukaart is. Je weet het niet hè, wat de het schildersoog gezien heeft, hoe de schilder het interpreteert, hoe de impressie bij hem is overgekomen, en vervolgens bij ons zal overkomen.

Je moet het zien, en er soms op gewezen worden door de schilder zelf, want kijk eens wat er allemaal gebeurt achter het terras en paviljoen in het Jardin du Luxembourg, al dat licht. Dat wil naar voren, maar je oog wil er ook naartoe. Hetzelfde zien we bij dat schilderij van een eeuw geleden. Dat licht in de achtergrond, dat naar je toe wil.

vrijdag 24 mei 2019

De grens loopt daar, bij die sloot

De grens.

Pas sprak ik Cornelis die op de Boulevard van Oegstgeest woont. Tenminste, dat riep ik naar hem. 'Jij woont hier mooi, op de Boulevard van Oegstgeest.' Hij hield me staande. Ik kom er iedere dag langs. Van de week zag ik hier nog een zwaan met haar jongen, wel zeven. Het zal wel door dat weiland komen, die associatie met Oegstgeest: weiland – groen – natuur – veel groen – nog een boomgroep ook – Oegstgeest. Maar het was natuurlijk Leiden, de Boulevard van Leiden, want de Nachtegaallaan met dat grandioze grootse uitzicht op dat weiland, met runderen, schapen, ganzen en een ooievaarsnest op een paal, is nog helemaal Leiden. En ik dacht dat de grens daar liep, in de lengterichting over de straat. Maar dat was niet zo. 'Nee, kijk,' zei Cornelis, 'de grens loopt daar, bij die sloot.'

woensdag 8 mei 2019

Oppassen


Wij hebben nog wel eens opgepast op een huis op de boulevard van Katwijk. Het is lang geleden. Augustus 2005. Dat is echt lang geleden. We voelden ons echt op vakantie. En als we wat vergeten waren, of we misten iets, dat was zo makkelijk, dan gingen we het gewoon halen in Leiden.

donderdag 24 januari 2019

'En nog lelijk op je bek gegaan vanmorgen?'*


Er was een straat, de Nachtegaallaan, dus eigenlijk een laan en geen straat, waar Cornelis van Rijn woont en waar je gans kan eten met uitzicht op de runderen en de schapen en een nest met ooievaars op de grens van Leiden en Oegstgeest, maar volgens mij behoort die straat tot de stad, het weiland niet, waar niet gestrooid was. In bed, dat lekkere warme bed, zei ik nog tegen m'n vriendin, we wonen één jaar samen, ik denk dat ik die straat, het is een laan, langs de vogelenbuurt niet moet nemen maar gewoon het fietspad tot de Posthof door moet rijden en dan bij de rotonde rechtsaf de Wassenaarseweg op. Dat is een veelgebruikte route. Maar bij het weiland aangekomen was ik die wijze gedachte alweer vergeten en reed pardoes die gladde laan op. Teruggaan? Nee. Ik zat al in de val, al dertig, veertig meter. Afstappen dan maar en over de stoep, net als die vrouw voor me. De gladde laan was ook nog eris bol en er loopt een sloot langs, nu dichtgevroren maar was het ijs wel sterk genoeg om mij met fiets en al te houden? Bij het Rijnlandsch Revalidatiecentrum kon ik mijn stalen ros weer bestijgen maar werd ik op de rotonde die volgde toch nog bijna gegrepen door een auto. Ik was blij dat ik op m'n werk was.

*Vraag van Bert van der Meij in een mail van woensdag 23 januari 2019 naar aanleiding van ons telefoongesprek de avond ervoor waarin ik altijd de Kappie vertaal, dat is een strip in De Katwijksche Post over een gepensioneerde zeekapitein die de krant rondbrengt in het dorp en daarbij allerlei verhalen hoort die dan weer in de strip terechtkomen. Eigenlijk wilde ik hier, zoals altijd, weer opschrijven 'aan lagerwal geraakte zeekapitein'. Dat komt omdat hij niet meer vaart en 'aan de wal geraakt' is, waar je dan heel gemakkelijk 'aan lagerwal geraakt' van maakt, omdat die uitdrukking nu eenmaal bekender is.
Aan het eind van ons gesprek, waarin we ook altijd de toestand in de wereld (G.B.J. Hiltermann!**) bespreken, merkte ik op hoe glad het de volgende morgen zou worden maar dat hij daar nooit last van had omdat hij de deur niet uit hoeft voor een baas. De titel van dit stukje had daarom ook eigenlijk 'Glad' moeten zijn, getuige de voortzetting van onze mailwisseling, want Bert antwoordde op mijn antwoord hierboven: 'Hoe je iets verschrikkelijks tot iets moois kunt maken! Leest als een trein!' Waarop ik weer antwoordde: 'En dan noem ik het "Glad" en kan-ie zo integraal op Zeezicht,*** maar ik heb nog geen foto en ligt die gladde sneeuw daar morgen nog wel op die straat...' Waarop Bert weer antwoordde: 'En dan in "Glad II" het verhaal hoe je je benen brak toen je opnieuw die onverstandige route nam om een foto voor bij "Glad" te maken...'
Maar wat is glad? Dat ga je niet lezen, een verhaal met 'Glad' als titel, als het overal glad is en iedereen daar al over schrijft. Daarom deze treffende vraag maar boven het stukje gezet. Veel spannender. En inderdaad vanmorgen alsnog een foto gemaakt, toen de weg alweer begaanbaar was.

** Voor wie niet meer of nooit geweten heeft wie dit was, het volgende filmpje. Zijn radioprogramma (blijkbaar ook tv-programma) werd op zondag tussen de middag, ik denk om een uur of één uitgezonden terwijl we na de kerk van de visite bij oma waren teruggekomen en zoute snijbonen met witte bonen en draadjesvlees aten, met in het geprakte eten een kuiltje voor de jus waar vervolgens hele landschappen door ontstonden met bergen en rivieren. Soms aten we ook paardenbiefstuk – biefstuk van de haas (van het paard) – met sperziebonen en een lekker justje. Een kilo haalde m'n vader dan, van die haasbiefstuk. Hij had er speciaal een snijmachine voor gekocht, zo'n metalen met een zwengel, om mooie dunne plakken te kunnen snijden. Als kinderen, ik en m'n zus, mochten we daar absoluut niet aan komen, zelfs niet in de buurt komen, dat ronddraaiende mes.


*** Gewoon maar eens gedaan.

zaterdag 16 juni 2018

Over azulejo's


Echt iedereen gaat naar de Algarve tegenwoordig. Voor wíj gingen, moest ik nog naar de kapper. Ik ga nog steeds naar dezelfde kapper, in Leiden. Deze had net de haren uit mijn oren gebrand* – mijn oren gloeiden nog na en het rook naar verschroeid haar – toen ik in de spiegel mijn collega Sufyan zag langslopen. Een vreemde gewaarwording. Sufyan zie ik nooit bij de kapper, ik wist niet dat hij bij dezelfde kapper kwam als ik, maar het was wel nodig, want hij had een flinke, verwilderde bos haar. Zo had ik hem nog nooit gezien. Daarbij was hij ook een stuk bruiner geworden. Daarom riep ik: 'Ben je weer aan het graven geweest, in een ver land?' Hij is namelijk archeoloog en gaat wel eens in de grond zoeken in Oman. Of die contreien.
'Nee, ik kom net terug uit de Algarve, voor vakantie.' Hij wisselde een paar woorden met de kapper, toen hij zijn telefoon tevoorschijn haalde. 'Kijk, hier.'
Hij liet een kaart in Google Maps zien. Morenos, daar had hij gezeten. 'Maar dat is vlak bij waar wij naartoe gaan, iets onder Santa Catarina en boven Moncarapacho.'
'Er is een fabriekje waar ze azulejo's maken.' Hij liet me een filmpje zien.
'O, gaaf, dat wil ik ook wel zien. Hoe heet het? Waar is het?'
'In Morenos. En je moet ook naar Alcoutim. En dan met een boot naar de overkant, naar Sanlúcar, dan zit je in Spanje. Daar is een kasteel. Op een berg.' Je stak dan de Guadiana over, de grensrivier.'
'Wacht, ik schrijf het op. Morenos tegelfabriek en Alcoutim. Bedankt voor de tips. Leuk!'
Met een geknipt hoofd verliet ik de zaak.


Thuis vertelde ik dat ik Sufyan was tegengekomen, die ook in de Algarve was geweest. Iedereen ging tegenwoordig naar de Algarve. En dat we naar dat tegelfabriekje moesten en naar Alcoutim en dat kasteel. Dat was nog vóór Adri ons vertelde dat de twee hoofdpersonen in zijn boek Verborgen daar een rol spelen, in Alcoutim.



Alcoutim was uiteindelijk gemakkelijk te vinden, maar dat tegelfabriekje in Morenos... Als we inzoomden op de naam, kwam er verder niets in beeld dan alleen die naam en een bergweg en zoomde je nog verder in in Google Maps, dan had je alleen nog die bergweg en was er van de naam  niets meer over. Die loste op. Er was daar helemaal niets, net schuin boven onze quinta waar we logeerden. Maar Sufyan had het wel aangewezen op zijn telefoon. En het leek zo dichtbij. Een stukje over de N398 omhoog naar Santa Catarina, dan naar rechts over de N270, en dan de derde weg links, de M513-1. Die bergweg.


Het leek ons beter om zelf maar een fabriekje te zoeken. En dat lukte. Met wat googelen, op 'azulejo' en 'Algarve' en nog zo wat trefwoorden, vonden we er eentje vlakbij. Een fabriekje, een werkplaats, kun je beter zeggen. Want het gaat wel aan de lopende band, maar niet letterlijk. Zo zouden we later zien. Vanaf de quinta moesten we rechtsaf de weg omhoog – die kant waren we nog nooit geweest, terwijl we nu al voor de tweede keer hier waren – en dan nog een paar bochten en in een kwartiertje waren we er. We reden het terrein op en werden vriendelijk verwelkomd door de eigenaar van Terracota do Algarve. We mochten overal kijken, in de showroom en in de werkplaats. Maar wat een baan! Je zal hier werken! Niet iets om jaloers op te zijn. De ter plekke gewonnen rode klei wordt in een vormen gedaan op asbestplaatjes en daarna glad gestreken en dat doen die mensen dan de hele dag door. De plaatjes met de kleitegels worden ongeveer vijf dagen te drogen gelegd in rekken waarna ze gebakken worden. Hier volgen twee filmpjes over hoe die mensen aan het werk zijn.




Toen we weggingen, werden we weer vriendelijk uitgeleide gedaan door de eigenaar, die ons nog vertelde dat juist een week geleden de Nederlandse televisie was langs geweest. Hoe toevallig. Daarvoor moesten we maar even naar hun Facebookpagina gaan, die van Terracota do Algarve. Het was voor het programma Droomhuis gezocht, gepresenteerd door Sybrand Niessen. Wij zochten daar trouwens ook nog een droomhuis, in Olhao bijvoorbeeld, een leuk appartement om af en toe eens naartoe te gaan.

* Dat doet hij met een stokje met een dot watten erom gedraaid, die hij met spiritus of wasbenzine doordrenkt, aansteekt en tegen je oren slaat.

vrijdag 11 mei 2018

Digitaal

Uit het Leidsch Dagblad van 28 mei 2009.

Ik denk dat ik bij mijn verhuizing wel tien kuub spullen heb weggegooid. En ook de nodige papieren. Wat een mens allemaal verzamelt, het is diep triest. En voor het grootste gedeelte zinloos. Daar kom je na je vijftigste wel achter. Verzamelingetjes geven hooguit wat houvast in het leven.

Er zijn natuurlijk altijd papieren die je niet makkelijk weggooit. Maar die toch een beetje in de weg liggen, en liggen te vergaan, en langzamerhand een wanordelijke bende worden. Al die krantenknipsels bijvoorbeeld die over mezelf gaan. Wat moet ik ermee. Je bewaart het, bladert er af en toe nog wat weemoedig doorheen, leest een frase, slaat het velletje weer om en bergt het weer op.

Bij mijn verhuizing dacht ik, ik neem het mee, vooruit, laat ik dat in ieder geval doen, maar ik wil er niet steeds weer doorheen hoeven bladeren. Sommige mooie dingen, zoals dat interview in het NRC Handelsblad, bewaar ik, ik maak er een scan van, zoals van de rest, die ik wel weggooi, maar het halen van de deftigste krant van het land is natuurlijk al reden genoeg om hem te houden. In dit geval de hele krant! Ik weet nog dat de fotograaf die de foto bij het artikel nam nog met rolletjes fotografeerde, analoog dus, dat hij daarbij zwoer, zwart-wit, want die korrel, dat was toch veel mooier dan wat er uit die digitale camera's kwam van tegenwoordig (we schrijven 2004, digitale camera's waren er nog niet zo lang en de foto's die je ermee kon maken hadden een grootte van ongeveer 1 megabite). De foto werd gemaakt aan de kade van de Rijn en Schiekade achter de universiteitsbibliotheek, want water op de achtergrond, dat paste wel bij iemand die een proefschrift over het Katwijks geschreven had. De zee, altijd de zee. Het interview zelf, met de titel 'Over Skeveling nae Lààie' (te vinden op internet), was van Dirk van Delft, Rijnsburger van geboorte en destijds hoofdredacteur van de wetenschapsbijlage van de krant, nu de baas van Museum Boerhaave in Leiden. Een Rijnsburger die een Katwijker interviewt. Een paar jaar daarvoor, in 2001, hadden we in het huis waar hij woonde de kleine Beer nog uit een nest katten uitgekozen, maar dat wist hij niet meer en dat klopte wel, want daarbij hadden we vooral met zijn vrouw te maken. Het leven hing van toevalligheden aan elkaar. Beer kwam uit Leiden, een echte stadskat, heel wat anders dan Zorro, die van de boerderij kwam. Maar ik dwaal af. Je ziet dat krantenknipsels heel wat losmaken. Wat ik natuurlijk ook bewaar, is de Courant van de eeuw – wie heeft hem nog?! – bij de millenniumwisseling door Adri van Beelen op touw gezet – ik ken geen grotere workaholic! – met een stuk over een eeuw dialect door mijzelf. Bewaren en scannen! Van dertien jaar later is dat exemplaar van Visserijnieuws met het verhaal over de bomschuit door Gijs van der Bent naar aanleiding van mijn boek over het handschrift van bomschuitschipper Leendert Buijsertszoon van der Plas. Of dat grote interview met Jaap en mij in het Leidsch Dagblad door Alieke Hoogenboom, over het Katwijks woordenboek dat er temet is, met die schitterende foto van Taco van der Eb, die mij ook al eens voor de omslag van Leidraad had gefotografeerd. Ik bewaar dus nog genoeg. Net als dat interview met die geheimzinnige foto van Adrie van Duivenboden, over twee pagina's, in De Katwijksche Post. Bewaren en scannen! Maar de rest, het ligt te vergelen en te vergaan. En als je er niet meer bent, wordt het weggegooid. Dat doe ik dan zelf alvast maar. Het is niet eens de ruimte die het inneemt, misschien een archiefdoos vol, meer niet. Maar digitaal kun je het ook allemaal makkelijker terugvinden. En met één druk op de knop doorgeven aan al die mensen en instellingen die er belangstelling voor hebben. Voor zouden hebben.

maandag 7 mei 2018

Wat ik nog vergeten te vertellen ben op de tv


En dan ben ik nog vergeten te vertellen van mijn stage bij het Meertens Instituut, toen nog P.J. Meertensinstituut, aan de Keizersgracht 569-571 te Amsterdam. In 1993 deed ik daar mee met een onderzoek naar het Amsterdams onder leiding van dr. Dédé Brouwer.

Het was een onderzoek in werkelijke tijd ('real time'). Dat betekende dat dezelfde Amsterdammers die twintig jaar daarvoor waren geïnterviewd nu weer werden geïnterviewd. Als je die mensen iedere twintig jaar opnieuw zou interviewen, zou je kunnen zien hoe hun taal veranderde. Of het in 2013 weer gebeurd is, weet ik niet.

Behalve dat het een onderzoek in werkelijke tijd was, was het ook een onderzoek waarin klassen werden vergeleken: lagere klasse, middenklasse en hogere klasse. Dat is omdat je bij een stadsdialect, wat het Amsterdams is, een verticale gelaagdheid ziet. Iedereen spreekt het dialect, van de vuilnisman tot de burgemeester. De lagere klasse, waartoe we de eerste mogen rekenen, zal nog volop het Amsterdamse stadsdialect spreken, de hogere klasse, waartoe we de laatste mogen rekenen, zal dat nog een beetje doen. Dezelfde gelaagdheid zie je in steden als Leiden, Den Haag en Utrecht.

Om daarachter te komen gingen we die mensen thuis interviewen. Met een cassetterecorder namen we hun spraak op. Het interview bestond uit tests en vrij gesprek. In buurten als De Pijp of de Jordaan in huizen driehoog-achter woonden de mensen die tot de lagere klasse behoorden. In 1973 woonden veel mensen uit die klasse ook in de Bijlmermeer, maar in 1993 waren de meeste Amsterdammers uit die buurt verhuisd naar Purmerend. Dat betekende veel extra reizen met de cassetterecorder.* De hogere klasse vond je onder andere in de straten rond het Vondelpark, in de Vossiusstraat die daarlangs loopt, waar Annie M.G. Schmidt gewoond heeft. Dat waren huizen met hele grote woonkamers, herinner ik me nog, met wel drie bankstellen, voor, achter en in het midden. Je keek je ogen uit.


De mensen van het P.J. Meertensinstituut figureren in de zevendelige roman Het bureau van J.J. Voskuil. Dédé Brouwer komt er ook heel even in voor als zij met twee andere dames in de kamer van Jan Berns, in het boek Huub Pastoors, een bespreking heeft.


* Dat was nog een hele zware, een Uher.