Posts tonen met het label schilder- en tekenkunst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label schilder- en tekenkunst. Alle posts tonen

zaterdag 6 juni 2026

Muze in het museum – 'Liggend naakt' van Isaac Israels

Isaac Israels, Liggend naakt (Sjaantje van Ingen), circa 1894-1900, olieverf op doek, 40 x 65 cm.

In 2009 werd het door het tijdschrift Oog van het Rijksmuseum uitgeroepen tot mooiste naakt uit de Nederlandse schilderkunst. Nu hangt het in het Katwijks Museum: Liggend naakt (Sjaantje van Ingen) van Isaac Israels. Adri van Beelen schreef er een boek over – Sjaantje. De muze van Isaac Israels – en André Groeneveld ontdekte het, bij toeval, boven een bed in een slaapkamer in Amsterdam. 

Te zien van 7 juni tot 4 oktober 2026, de expositie De muze van...

maandag 29 september 2025

Het tegeltableau van M.F. Karels

Het laatste blogbericht over het tegeltableau van 28 december 2023 eindigde met de woorden: 'Maar wie weet wat er nog boven water komt.' Nu, nog geen twee jaar later, is opeens alles komen boven drijven. Door de mail die ik ontving van Niko Karels, de zoon van de maker.

'Beter laat dan nooit:' opent hij zijn mail, 'het betreffende tableau is van de hand van mijn vader, M.F. Karels uit Volendam. Hij schilderde zijn tableaus aan de hand van oude kaarten ('ansichten'), maar fotografeerde ook graag en gebruikte die foto's ook om later een stukje van te schilderen. Naar verwachting is in dit geval een kaart de bron geweest. (...) Zijn onderwerpen waren: stadsgezichten, schepen, molens, landschapppen, maar ook werken in opdracht (veelal voor jubilea en relatiegeschenken).' Karels (1923-1999) signeerde zijn tableaus met de firmanaam Kamenka. Hij leverde onder andere aan Focke & Meltzer, een glas en servieswinkel in Amsterdam. Maar ook aan een winkel in Volendam van een zekere mevrouw Meijer. Zij wilde graag haar naam in de firmanaam terugzien. De kunstenaar maakte er KA(-rels) ME(-ijer) N KA(-rels) van, met dubbele vermelding van zijn eigen naam als maker van het werk. De krul aan de eerste letter heeft de vorm van een paling. Dit is een verwijzing naar Volendam, waar de kunstenaar zijn atelier had. De tableaus van Karels vind je overal en ook in een aantal Hilton-hotels.

vrijdag 12 september 2025

1078 x Kappie – nabeschouwing en reprise

Nummer 61. Klik op de foto's om ze beter te kunnen lezen.

Bruisen van de energie doen we allang niet meer, en het eeuwige leven hebben we ook niet. En zo is ook de laatste Kappie alweer van lang geleden, december 2024 om precies te zijn, toen, juist in die maand, dat zul je altijd zien op het eind, ze steeds beter werden, nog beter dan ze al waren, de strips van Bert van der Meij, die sinds jaar en dag in De Katwijksche Post verschenen.

Nummer 1077.

Zoals de een na laatste, die rond kerst in de krant kwam, waarin Jozef en Maria op zoek zijn naar een hurreburreg (de strip, met Kappie en de vrouw van Kappie in de hoofdrol, is in Katwijks dialect), maar die moet nog gebouwd worden. Het gaat in de strip over de bouwplannen voor een hotel op de plek van manege Jonker. Dat hotel is er nog niet, maar ze kunnen wel alvast in de stal logeren, zegt Kappie. Het hele verhaal is in een prachtig plaatje gegoten, geheel in kerstsfeer. Met ook nog, als soortgenoten in het dierenrijk, een ezel en paarden die daarin samenkomen. En Jozef en Maria hebben natuurlijk snavels, net als Kappie. Wat met die lange mantels aan nog eens een extra bevreemdend effect geeft. Een paar weken daarvoor, in de tijd van suikergoed en marsepein, tekent Bert dat ventje dat tegen Sinterklaas komt zeggen dat zijn vriendje Kees zegt dat hij niet bestaat, waarop de goedheiligman uitbrult: 'Kees is een lul!!' Zo'n tekst was in al die jaren dat de strip bestond nog nooit vertoond en we hebben het er maar heel kort over gehad of het wel kon.

Nummer 1074.

Kappie was een vette knipoog naar het reilen en zeilen in het kustdorp en soms ook in de wereld daarbuiten. Elk jaar als de decembermaand naderde voelde je Berts enthousiasme toenemen, want dan kon hij weer Sinterklazen en Kerstmannen tekenen, zich helemaal uitleven, in zijn Kappie-strips. Als jaarlijks slotakkoord. Waarbij ik dan, ook in december, meestal op dinsdag aan het eind van de middag, gebeld werd voor de vertaling in Katwijks dialect. Maar het plaatje en wát er dan vertaald moest worden, dat was allemaal tevoren al door Bert bedacht. En altijd fenomenaal.

Hoe het precies ging, de samenwerking tussen tekenaar en vertaler, lees je in eerdere berichten op Huize Zeezicht: 500 x Kappie en Laerie, beide uit 2012, In het ziekenhuis (2003), uit 2016, en 1000 x Kappie, uit 2023.

Nummer 1075.

Maar dit was dan dus de laatste decembermaand met Kappie, het láátste jaarlijkse slotakkoord. Ik wist al ongeveer een half jaar dat-ie eraan zat te komen. En na dat half jaar... Enfin, acht maanden later vonden we de tijd er een etentje aan vast te knopen, bij Surf en Beach, op het Katwijkse strand. Waar we geen foto's van hebben. Het strand, waar we altijd wel ergens in de buurt te vinden waren geweest. Zoals, al weer heel wat jaartjes geleden, bij de presentatie van het Kattuks kwartet, in de zeereep voor de Oude Kerk, waar we aan het kwartetten gingen met een schelpenboer en een nettenboetster, die, om de entourage compleet te maken, ook nog een kloenertje* met zich had meegenomen. Dat werd een leuke krantenfoto. Of op het Andreasplein, toen, dat weet ik nog goed, Bert in een lantaarnpaal klom, om de toeristenmarkt van bovenaf te fotograferen. Drones waren er nog niet. Het kan ook zijn dat er een keukentrapje in het spel was, maar je gedachten vertroebelen als je ouder wordt. In die tijd waren we nog jonge honden. We hebben ook nog weleens een strandwandeling gemaakt, met diepzinnige gesprekken, en als we elkaar op een andere manier van dienst konden zijn was dat nooit een punt. Zoals met die trucfoto van een wagen van TNO bij de vuurtoren met gevoelige apparatuur bij een verhaal van Jaap van der Marel en mij over het oudste Katwijkse dialect dat in het stucwerk van de toren te vinden zou zijn, omdat stukadoors tijdens hun werk altijd zingen en de trillingen van hun stembanden via hun armen in de nog natte specie terechtkomen, en dat was ook gebeurd bij de bouw van de vuurtoren, ergens in de late middeleeuwen. Een Italiaanse professor had dat ontdekt bij de restauratie van de Sixtijnse Kapel, waar het oudste Italiaans tevoorschijn kwam uit het stucwerk. O wonder. Het mooie was dan dat Bert door die 1 aprilgrap gelijk weer een Kappie-strip kon maken. Het nieuws ligt op straat, ook als het allemaal verzonnen is.

Nummer 363.

Daar hadden we het over tijdens dit bijzondere etentje 'na het werk', over hoe dat met tekenen zit en de boodschap die je over wil brengen en dat het een aan het ander ondergeschikt is. En ook hoe dat met bloggen zit en waarom je dat doet, bloggen of striptekenen, dat het in de eerste plaats aardig moet blijven voor jezelf maar dat je toch wel minstens vier man of vrouw publiek moet hebben voor zo'n podium, maar het fijne daarvan weet alleen een toneelspeler, want die staat echt op een podium en ziet dat publiek ook echt voor zich in de zaal. 

Nummer 1076.

Acht maanden is het nu, acht maanden geleden dat Kappie ophield te bestaan, de meesten zijn er nog niet overheen. En dat is ook niet nodig, om eroverheen te komen. The Beatles hebben dat mooi verwoord: 'Let it be'.

Bert had nog iets moois voor me, ingelijst, een herinnering aan toen ik voor het eerst helemaal losging. (Zie het plaatje boven aan dit bericht.) Ik weet nog dat dat op de Beestenmarkt was, in Leiden, dat ik daar fietste, uit m'n werk, en dat ik de zinnen die ik moest vertalen, of eigenlijk was het maar één zinnetje, eruit spuugde – op de tekening die Bert van het gebeuren maakte, zie je de mensen ook omkijken (of opkijken) naar die fietser met z'n telefoon aan z'n oor (toen kon dat nog en je gebruikte zo'n toestel nog niet om filmpjes af te draaien) –, want dat ene zinnetje maakte ik steeds anders, verbeterde ik, in weer een ander, beter zinnetje, terwijl Bert mij aan de andere kant van de lijn zat aan te moedigen, te juichen bijna, kan ik wel zeggen, want dit was het moment dat het gebeurde, zo wilde Bert de vertalingen van de Kappie, zo gingen we het voortaan doen. Dacht ik. Het kwartje was gevallen. Bij nummer 61, zie ik nu, nog heel vroeg in de geschiedenis van de strip dus, want we zouden er 1078 maken, maar dat wisten we toen nog niet. Ook niet dat dat nog ruim 21 jaar, bijna 22 jaar zou duren, dit plezier! – Het plezier van iedere dinsdag bellen, vertalen en een plaatje maken. 'Ik ga 'm maken!' sloot Bert het gesprek altijd af. – Nummer 61 was een strip over de Provinciale Statenverkiezingen, in dezelfde tijd dat heel Nederland aan de buis gekluisterd zat voor een andere verkiezing, die van Idols-zanger Jamai Loman, die boven Jim Bakkum eindigde, op 8 maart 2003.** De strip haalt die twee verkiezingen door elkaar en speelt in dezelfde tijd dat wij als tekenaar en vertaler ook nog heel jong waren, begin-veertigers, en nog heel veel gingen meemaken. Maar dat wisten we allemaal dus nog niet. Dat is het hele vreemde van het leven, dat je niet helemaal precies weet wat er nog gaat komen en tegelijkertijd veel van wat er geweest is, kwijt bent. Let it be. Behalve als je tekent of schrijft. Dat blijft. Want bij de ingelijste strip met het verhaal eromheen, kreeg ik nog een cadeau, keurig uitgeprint (wat een heidens karwei moet dat geweest zijn): alle 1078 Kappie-strips die ooit verschenen zijn, in al die 23 jaren. En daar kan ik nu, nu alles voorbij is, op een rustig moment van genieten. Nog heel lang.

* Een kloenertje of kloenster is een jongste boetster (leerling-boetster), zo genoemd omdat zij nog niet mocht boeten maar alleen van strengen boetgaren kloene, kluwens maakte. (Leendert de Vink & Jaap van der Marel, Katwijks woordenboek. 3e herz. en verm. druk. Leiden: Primavera Pers, 2023, p. 127.)
** De Provinciale Statenverkiezingen waren dat jaar op woensdag 11 maart. De strip in kwestie moet dan in de week ervoor, op donderdag 5 maart in De Katwijksche Post gestaan hebben.

zaterdag 21 december 2024

De Frenchman's Creek geschilderd

Niek van der Plas, Frenchman's Creek, 2024. Olieverf op doek, 50 x 70 cm.

'Dit is wel helemaal waar jullie ook echt geweest zijn. Een herinnering van jullie samen.' De Frenchman's Creek. Waar je niet verder zou willen lopen maar altijd zou willen blijven. Niek heeft het nu geschilderd. Je ruikt de verf nog, zo vers.

'Dat we daar gelopen hebben...' Het is Engeland, Cornwall. Maar als ze zeggen dat het ergens anders is, dan geloof je het ook. Die houten huizen, de bomen die over het water hangen, een bootje tussen het gebladerte. Er is veel te zien. Zie je die palmboom?

Klik je op het plaatje, dan wordt het groter. Meer moois op niekvanderplas.nl.

zaterdag 2 november 2024

Een haas halen – de queeste van het schilderij met de springende haas

Anne Mortimer, Leaping Hare (2018). Giclee Fine Art Print on 310gms Hahnemuhle Photo
Rag Paper, individually finished in gold leaf, 34 x 54 cm. Limited edition, no. 21/95.

Het was een haas, een schilderij met een springende haas, waarvoor we nog eens helemaal zijn teruggegaan naar Porlock Weir. Teruggereisd, kun je beter zeggen. Want wat een reis! We hadden 'm ook kunnen laten opsturen, de print, opgerold in een koker, maar de lijst die eromheen zat was wel heel bijpassend, had precies de juiste kleur. Die wilden we erbij. Alleen, dan paste-die niet meer in de koffer, dat zou een handkoffer zijn,* want in het ruim van een vliegtuig wilde je 'm ook niet achterlaten, omdat er in de lijst glas zat. Het beste was dus om 'm te gaan halen, de haas, met de trein.
    Heen zijn we nog wel gevlogen. Ook al een reis van zo'n acht uur, met auto, vliegtuig, bus, trein en nog twee keer een bus. Dat zijn zes vervoermiddelen. Maar dan ben je er ook echt, in Porlock Weir, en sta je een paar minuten later bij de galerie.
    Hannah Norman, de nieuwe eigenaar van het optrekje – zij is vooral gespecialiseerd in het portretteren van honden –,** laat het ons zien. Daar staat het, in de hoek achter de deur. Ze tovert er een Engelse glimlach bij als ze het ons overhandigt. Ingepakt. Anne Mortimer mailde het al, de zondag voor ons vertrek, dat haar Leaping Hare klaarstond in de Real Exmoor Studio, 'all wrapped ready for your collection'. Het schilderij zit zo mooi verpakt, met bubbeltjesplastic en dik pakpapier met breed papieren plakband, dat het niet verstandig lijkt het voor de reis naar huis nog even uit te pakken. Hannah verzekert ons dat erin zit wat erin moet zitten en daarmee zijn we gerustgesteld. Anne Mortimer zien we niet meer, zij is in augustus met pensioen gegaan. Wat ze heeft ingepakt, hebben we 25 juni voor het laatst gezien.

Met het schilderij voor de Real Exmoor Studio in Porlock Weir.

Dit is de queeste van het schilderij met de springende haas.
Je krijgt het niet zomaar.

We staan bij de bushalte voor het Visitor Centre annex Library van Porlock. Die zitten samen in één gebouw. De bibliotheek bestaat tien jaar. Dat werd gisteren gevierd, op 10 oktober – drie tienen –, toen we toevallig bij het informatiecentrum waren voor een wandelkaart, met allerlei zelfgebakken Engelse cakes en thee – ik heb een plakje genomen. Vandaag is het vrijdag 11 oktober.
    We zijn op tijd uit bed gestapt en hebben vroeg ontbeten, om maar niet de bus te missen. Daarom staan we er wel een kwartier te vroeg, bij de bushalte. Toch zijn we niet de eersten. Er staat al een man met een hoed op en een rugzak om, een wandelaar. Wij zijn de tweede en de derde die erbij komen in de cue. We mogen er wel van uitgaan dat we een plekje hebben in de bus. Vlak na ons komen er nog vier mensen in de rij staan.
    We moeten naar Minehead, met het schilderij en twee koffertjes. Maandag hebben we het kunstwerk opgehaald bij de galerie in Porlock Weir. We verblijven er twee nachten in The Bottom Ship Inn. En plakken er nog twee nachten aan vast in The Top Ship Inn in Porlock. Daar staan we nu bij de bushalte. Het busje (met nummer 10 – de vierde tien in dit verhaal) waar we straks in zullen stappen, is onze eerste rit op weg naar huis. 

Daar is het al, het stopt aan de andere kant van de weg, het busje dat er pas om 9.40 uur had moeten zijn. Toch is het niet te vroeg, want het moet eerst nog naar Porlock Weir. Dat is de eindhalte, aan zee. We kunnen gewoon wachten tot het terugkomt naar Porlock en stopt bij deze halte... Laten we dat doen, wachten tot het terugkomt en dan instappen... Maar dan begint een vrouw van een huis aan de overkant naar ons te roepen dat het beter is als we nu al instappen, omdat het busje via een andere route door Porlock terugkomt. Dat is vreemd, want aan de kant waar we nu staan is de bushalte waar we woensdag zijn uitgestapt, toen we uit Porlock Weir kwamen om onze intrek in The Top Ship Inn te nemen. Daar kun je dan ook weer instappen om verder te gaan naar Minehead, zou je denken. De vijf mensen, de wandelaar en de vier die er later bij kwamen, verplaatsen zich ondertussen naar de overkant van de straat, waar het busje wacht. Moeten wij dan ook maar instappen? We raken lichtelijk in paniek en stappen gauw in. Dan maar eerst naar Porlock Weir en van daaruit naar Minehead, via de door de vrouw aangekondigde onbekende route door Porlock. Omdat de andere vijf mensen al zijn ingestapt, stappen wij nu als laatste in en komen daardoor achter in de bus terecht, op de een-na-laatste bank. In Porlock Weir stappen de vijf uit en draait het busje om om terug te rijden naar Porlock, waar we gewoon weer stoppen voor de bibliotheek en het informatiecentrum. Wel heb je ooit!

We rijden Porlock uit over de buitenwegen. De bushaltes zijn er goed verstopt tussen de bomen en het struikgewas maar de buschauffeur weet ze allemaal te vinden. Het busje raakt al aardig vol als er een oude man instapt die we nog kennen van onze vorige reis. Het is de autistische boer die zo geweldig naar urine stonk, net als nu, en altijd achterin ging zitten, net als nu, waar wij ook al zitten, waar we terecht zijn gekomen door de vijf overstekende passagiers in Porlock. Opeens stonden we niet meer ergens vooraan in de cue, op de plaatsen twee en drie, maar was er van een cue helemaal geen sprake meer.
    We hadden het kunnen weten, dat hij nog ooit een keer zou kunnen instappen, en we wisten dat je daarom altijd voorin moest gaan zitten. dat was ons gezegd, maar nu is het te laat en komt hij de bus in. Hij heeft een mandje met eieren aan zijn arm. Onderweg naar achteren probeert hij die te slijten aan zijn medepassagiers. Een voor een spreekt hij ze aan – het is een heel gebeuren, de buschauffeur wacht –, maar allemaal deinzen ze achteruit. Ook wij. Bij de volgende halte komen er twee vrouwen binnen. Een gaat er voorin zitten. Naast ons, aan de andere kant van het pad, is nog een plekje vrij voor de andere vrouw. De oude man nodigt haar uit om naast hém te komen zitten, op de achterbank is immers nog voldoende plaats, maar terwijl zij hem groet met de woorden 'Good morning, Andrew', slaat zij zijn aanbod vriendelijk af. Als ze zit, maakt ze een lichte beweging met haar neus. De boer heeft nu ook een naam. We zullen hem nooit vergeten. De bus is gelukkig wat beter geventileerd dan die van de vorige keer, maar de lucht van plas, en ook poep, vestigt zich voor de duur van de reis toch stevig in onze neusgaten.

De queeste is nog niet voorbij. In Minehead stappen we over op bus 28, een wat groter exemplaar dan het busje waar we uit komen, maar overvol, met scholieren en andere reizigers. Achterin zijn gelukkig nog een paar plaatsen. Voorzichtig wurmen we ons ernaartoe, met de koffertjes en het schilderij. Niet stoten. Onze tweede rit naar huis, het is half elf in de ochtend. Schuin voor ons zit een jongeman met een plastic colaflesje, waarin een andere vloeistof zit dan je zou verwachten. Bier. Handig bedacht, want zo'n flesje kun je dichtdraaien als je er een paar slokken uit genomen hebt, maar met ook nog de telefoon in zijn handen lijkt hij dat niet helemaal onder controle te hebben. Gedurende de reis valt hij meermalen in slaap, voorover op de hoofdsteun van de passagier die voor hem zit en glijdt het flesje zonder dop erop steeds weer uit zijn handen. Van de drank die hij op deze manier al is kwijtgeraakt, loopt een kleverig spoor onder de stoelen door naar voren. De bus doet er lang over, een uur en twintig minuten. We stoppen in Taunton, een halte te ver, en moeten een heel stuk teruglopen om bij het station te komen. Het hoort er allemaal bij, bij het vervoer van een kunstwerk.

Taunton Station.

London Paddington wordt de volgende stop. We boeken onze kaartjes om naar een vroeger tijdstip: in plaats van de trein van 14.07 uur nemen we die van 12.07 uur. Zo hebben we meer speling bij het nemen van de metro naar London St Pancras en komen we niet in de drukke avondspits terecht. Met een lijst waar glas in zit is dat niet handig. De trein van Taunton naar Londen is de derde rit naar huis. We kruiswoordpuzzelen wat en eten een broodje en kijken naar het landschap dat voorbij komt en weemoedig maakt. Het schilderij ligt veilig boven onze hoofden in het bagagerek.

Paddington Station.

Om 14.16 uur komen we aan in Londen. Nu wordt het spannend. In de stationshal moeten we even helemaal stilstaan, met de koffertjes, het schilderij en onszelf. We vormen een eiland waar een dikke stroom mensen omheen loopt. Als een stromende rivier. Als de stroom wat dunner wordt, lukt het ons eruit te stappen. We lopen door de smalle gangen van de Underground, er moet nu niemand de hoek om komen en tegen ons opbotsen. Het blijft ingewikkeld, de ondergrondse, maar na één overstap zitten we in de metro die ons naar St Pancras brengt. Het spannendste gedeelte zit erop, de vierde rit naar huis.

In de Underground.

Dan begint het lange wachten op de Eurostar. Hoe krijgen we het schilderij heelhuids door de bagagecontrole? Gelukkig past het in zo'n bak. Voor de zekerheid zeggen we het er nog maar even bij dat het om een print in een lijst met glas gaat. De dinsdag na de aankoop zijn we nog teruggegaan naar de galerie, voor een bonnetje voor als de douane moeilijk gaat doen. Voor de zekerheid doet Hannah er ook nog een visitekaartje bij van Anne Mortimer, met daarop nog een keer de gegevens. Maar het gaat allemaal even soepel, er wordt nergens naar gevraagd. Daarvoor is het ook veel te druk met al die mensen die hierdoor moeten.

Twintig minuten later dan gepland, om 18.24 uur, vertrekt de trein. Onder het Kanaal door, via Lille en Brussel naar Rotterdam, waar we omstreeks 23.05 aankomen. Een lange reis. De vijfde rit naar huis.

Tussen Rotterdam en Leiden zijn deze avond en nacht werkzaamheden aan het spoor. De conducteur van de Eurostar raadt ons aan de metro naar Den Haag te nemen, naar Laan van NOI. Die vertrekt om 23.16 uur. Het is vrijdagavond en de wagons zitten vol uitgaanspubliek. Het is hier drukker dan in de Londense metro. Dit is de zesde rit naar huis.

Op het station in Den Haag nemen we rond 23.45 uur de trein naar Leiden. De zevende rit naar huis.

Om 00.08 uur komen we daar aan en brengt schoonzoon Vincent ons naar huis. Dat is de achtste rit naar huis.

Daar kunnen we het schilderij, de gicleeprint achter glas, eindelijk zien. Van de haas en al die planten en sprieten en stippen. Op de print zijn hier en daar spatten bladgoud aangebracht. Die springen eruit als het licht er onder een bepaalde hoek op valt. Wat we die nacht te zien krijgen voldoet geheel aan onze verwachtingen. Het is de week wachten en de reis van veertien uur helemaal waard geweest. Of eigenlijk nog langer, want we hadden het natuurlijk op 25 juni voor het laatst gezien. Toen we de plaat niet mee konden nemen, omdat we nog dat hele stuk van het South West Coast Path moesten wandelen. En dat we daar moesten zijn, in Porlock Weir, en die galerie in liepen, was ook niet zomaar. Dat hadden we te danken aan het onweer en de regenbuien van 17 september het jaar ervoor. Waardoor we toen dat stuk tussen Porlock Weir en Lynmouth niet konden lopen en dat in juni alsnog gingen doen. We hebben er allemaal geen spijt van. Want ook het ophalen van het schilderij, nu in oktober, leverde ons weer drie mooie wandelingen op, rondom Porlock en Porlock Weir, met veel nieuwe ervaringen en ontmoetingen. Een queeste met nogal wat zijpaden, zou je kunnen zeggen. 

We zullen er altijd met veel genoegen aan blijven terugdenken.

De lichtgroene deur helemaal rechts is die van de Real Exmore Studio.
Het het is zo klein, het raam erna hoort er al niet meer bij.

* De lijst meet 39 x 60 cm. Dat is net 4 cm te breed en 5 cm te lang voor wat de KLM als maximale afmetingen voor handbagage hanteert. En daar komt ook nog de verpakking bij.
** Dit is Engeland in optima forma. Hondenbezitters laten hier hun viervoeter portretteren. De kunstenares heeft het er druk mee. Ze doet er zo'n zes in de maand, vertelde ze ons. 

vrijdag 14 juni 2024

Zomer in het Vondelpark

Niek van der Plas, Zomer in het Vondelpark. Olieverf op paneel, 30 x 50 cm.

De grote vijver met daarachter het gebouw waar vroeger het Filmmuseum was. Nu is het een restaurant en wordt er vanuit een zaaltje iedere zondag een tv-programma uitgezonden. Officieel heet het het Vondelparkpaviljoen. Gebouwd door architect W. Hamer tussen 1874 en 1881 'in Italiaanse renaissancistische stijl en voorzien van gecanneleerde Ionische halfzuilen, rondboogvormige vensters en gekoepelde torentjes', lees ik op Wikipedia. Het is vooral wit. Net als de wolken erboven. En dat contrasteert mooi met alles eromheen: het groen van de bomen, de kleurige parasols op het terras aan de voorkant, waaronder al die mensen zitten. Aan de linkerkant zien we nog meer licht, met groepjes mensen in het gras. We zien dat sprankelende licht ook op de paden die naar achteren verdwijnen, met nog meer mensen, de kleurige stipjes in de verte. Dat maakt het spannend. Je kan wel zien dat het zomer is en dat de schilder, Niek van der Plas, ervan genoten heeft dit fijne kunstwerk te maken. In het Vondelpark, waar altijd de zon schijnt.

zondag 12 mei 2024

St Ives – South West Coast Path (47)

Dit moet geweest zijn in St Ives. In 2008. Je hebt hier een heel bijzonder licht, waar schilders op afkomen. Er is ook een filiaal van de Tate Gallery. Vanwege diezelfde schilders. De hoofdvestiging is in Londen. Dit is op de hoek, die huizen. Je zal er wonen. Een schilderij op zich.



Je passeert het als je naar het museum gaat. Daar hebben we boven op het terras nog koffie gedronken. We hebben er foto's genomen in wat je vroeger noemde een 'high-key'-effect. Maar volgens mij zijn ze gewoon overbelicht. Een combinatie van veel zon en wit.

Voor de hoek heb je het haventje. Waar het nu eb is. Het zand is geel, in St Ives.* Het is een mooi oud stadje. Met leuke straatjes met galeries. En hier en daar een pub. Maar er wonen ook veel mensen. Dat zie je al iets buiten het centrum, aan de lange rijen huizen.

* 'Knalgeel', schreef ik in 2011, maar laten we het op 'geel' houden, dat is al behoorlijk geel, voor zand.

vrijdag 26 april 2024

Honfleur – die andere muurreclame


Blijft over de nogal vage muurreclame met de drie zich herhalende figuren, links naast die van het tafelzout. Na enig googelen in mijn klompenfrans op zoektermen als 'ancienne publicité murale trois figures' kom ik bij dit plaatje uit:


Er staat zoiets als RIPO en daaronder PEINTURE LAQU. Dat laatste moet LAQUE zijn, 'verf'. Als je daarop zoekt kom je al snel de merknaam Ripolin tegen, en nu zie ik dat LIN opeens ook doorschemeren op het plaatje. Met deze woorden combineer ik weer mijn Frans voor oude muurreclames: 'ancienne publicité murale ripolin peinture laque' en krijg ik een duidelijke afbeelding te zien:


De zich herhalende figuren zijn drie schilders met strooien hoedjes op en stofjassen aan. Twee schrijven een tekst op de rug van hun voorganger, de achterste en de middelste, de voorste schrijft vervolgens op de muur. Ze maken reclame voor het merk Ripolin, een lakverf die kan worden gebruikt op metaal, gips, hout en cement, zo maken we op uit wat de laatste opschrijft. In Frankrijk staan de drie bekend onder de van de merknaam afgeleide namen Riri, Polo en Lino. In  oktober1898 figureerden ze in de eerste Franse reclamefilm, waarvan alleen wat foto's bewaard zijn gebleven:


Een echt Frans merk, zou je denken, met die Franse reclameplaat en de strooien hoedjes die de schilders daarop ophebben. En ook de merknaam zelf klinkt helemaal Frans. Toch is Ripolin van oorsprong een Nederlands merk. Op de Franse Wikipedia-pagina lees ik – met behulp van Google Translate – dat een Nederlandse scheikundige van Pruisische afkomst, Carl Julius Ferdinand Riep (1835-1898), in 1887 een proces uitvond om vernissen op olieverfbasis te maken die snel droogden en die hij de naam 'Riepolin' gaf. Hij werkte voor de NV Nederlandsche Stoomverffabriek in Haarlem. Na drie jaar werd de fabricage van de vernis overgenomen door koopman en financier Otto Wilhelm G. Briegleb, die zich met Riep en zijn zoon Fritz Johannes Wilhelm Julius Riep (1867-1957) in Amsterdam vestigde. Vervolgens opende Briegleb een fabriek in Hilversum, die hij aanzienlijk kon uitbreiden door samen te werken met andere verfproducenten in Europa, voornamelijk in Londen en Parijs. De fabriek in Hilversum produceerde in 1901 bijna 450 liter verf per dag.
In 1897 werd over een licentie onderhandeld met de Franse firma Lefranc & Cie (het latere Lefranc & Bourgeois) die 'Riepolin' verfranste tot 'Ripolin'. Zij produceerden al lak- en vernisproducten voor kunstenaars en ambachtslieden. Op de Engelse Wikipedia-pagina lezen we dat Picasso en Le Corbusier verf van Ripolin gebruikten.
De fabriek in Hilversum heeft tot 1975 bestaan. Daarna kwam alle verf van Ripolin uit België en Frankrijk. Sinds 2011 is het merk in Amerikaanse handen.

Egbert Pelgrim schreef een uitgebreid en zeer lezenswaardig artikel over de geschiedenis van de verffabriek. Hij schrijft onder andere dat je voor het woorddeel 'lin' aan het Franse huile de lin kan denken, dat 'lijnolie' betekent. Maar toen de naam bedacht werd, in het begin nog geschreven als Riepolin, bestond het merk nog niet in Frankrijk. Er is daarom nog een andere verklaring mogelijk, en misschien dat die meer voor de hand ligt, namelijk dat de merknaam ontstaan is uit samenvoeging van de naam Riep en 'Lina', de roepnaam van Carl Rieps vrouw Caroline.

Het is in ieder geval wel zo dat in 1902, wanneer het tafelzout van Cérébos zijn intrede doet op de Franse markt, de verf van Ripolin daar al vijf jaar gemaakt en verkocht wordt. Verf waarmee ook kunstenaars aan de slag gingen, waarmee de cirkel rond is en we weer uitkomen bij dat schilderij van Niek van der Plas van het haventje van Honfleur met de zon op het gele pannendak van de visafslag. De visafslag waarop destijds die muurreclames te zien waren.

Niek van der Plas, Haven van Honfleur. Olieverf op paneel, 30 x 50 cm.

vrijdag 12 april 2024

Het haventje van Honfleur

Niek van der Plas, Haven van Honfleur. Olieverf op paneel, 30 x 50 cm.

De pakhuizen aan de kade, smal en hoog, in tinten grijs en beige, de boten met hun witte en roodbruine zeilen, weerspiegeld in het water, een schip dat opvalt door zijn rood-wit-rode boeg, voor het gebouw van de visafslag, dat eruit springt door de zon op het gele pannendak. Het haventje van Honfleur. In een Frankrijk dat niet meer bestaat. Het Frankrijk van de muurreclames, van DUBONNET en BYRRH en MICHELIN. Waar op de kade een bar-tabac geweest zal zijn. Met pakjes Galoises, hoog opgetast achter de toog, zonder filter. Waar je onder de luifels, in rood, geel en blauw, daar links vooraan, een bol glaasje witte wijn kon bestellen, aangelengd met limonade – grenadine –, dan werd het rood,* bij wijze van aperitief – zou het nog bestaan? Doen ze dat nog, de Fransen, voor het avondeten? Of als het warm is, tussen de middag, aan een tafeltje, een Ricard, aangelengd met water. Dit moet zo'n zomerse dag geweest zijn, de bomen vol in 't blad, een paar wolkjes rustig aangedreven vanuit zee, maar verder helemaal zonder wind. Zoel. De perfecte dag voor de perfecte compositie, met links die slanke torenspits** boven de huizen, subtiel maar wel belangrijk, de daken aflopend naar rechts, als in een golf, nog even omhoog, bij dat hoge gebouw naast de visafslag, en dan naar achteren, voor nog meer dieptewerking. En overal tussendoor, mensen.

De Haven van Honfleur is een echte Niek van der Plas. Ga naar zijn website voor nog meer moois.

* Het kan ook bier met limonade geweest zijn, maar wel in een klein bol glaasje. Knalgroene menthollimonade drinken ze ook.
** Van de Église Sainte Catherine, de grootste houten kerk van Frankrijk, gebouwd in de 15e eeuw.

zaterdag 24 februari 2024

De witte kerk aan zee weer wit

Niek van der Plas, Oude Kerk te Katwijk aan Zee, olieverf op doek, 24 x 30 cm.

Aan de grote schilderijententoonstelling en -veiling in de Oude Kerk in Katwijk aan Zee, bedoeld om de kerk weer wit te krijgen, is vandaag een schilderij van Niek van der Plas toegevoegd. Met daarop... hoe kan het ook anders, de witte kerk aan zee. Een sprankelende afbeelding, van hoe we het gebouw nu kennen, de huizen eromheen, het helmgras van de zeereep ervoor, alles in een fraaie en licht getinte penseelvoering, een paar stippen kleur, de mensen die de boulevard oversteken, en als finishing touch het ijstentje van Pistacchio.

Gaat dat zien! Op de expositie Kerk en Kunst, meer dan een eeuw met elkaar verbonden, in de Oude Kerk in Katwijk aan Zee van 17 februari t/m 23 maart iedere zaterdag van 11.00 tot 16.00 uur.

donderdag 28 december 2023

Tegeltableau met antwoorden

Het kan snel gaan, met het vinden van de oplossing. Op mijn vraag wie bovenstaand tegeltableau gemaakt heeft (zie het bericht op huizezeezicht.nl van gisteren), kreeg ik via Facebook al snel antwoord van André Groeneveld*: 'Het betreft een tegeltableau van ontwerper/kunstenaar M.F. Kamenka uit de periode 1950-1974 (ik schat het tableau van jou uit de jaren 50-60). Zie ook dit andere tableau...'

En dan volgt (een deel van) een afbeelding van een Hollands landschap met molen en ophaalbrug met dezelfde handtekening. We zien dat deze tegeltjes ook in eenzelfde soort houten lijstje zijn gevat. Mooi dat we nu weten door wie en wanneer het tegeltableau gemaakt is. Waarvoor veel dank!

Van M.F. Kamenka vind ik verder niets op internet. Maar wie weet wat er nog boven water komt.

* André Groeneveld is curator van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen en al jaren actief als samensteller van tentoonstellingen in het Katwijks Museum.

woensdag 27 december 2023

Tegeltableau met vragen


Het is niet groot, dit tegeltableau: 17 x 24,5 cm, en de tegeltjes zelf meten 7,5 x 7,5 cm. Ze zijn in een houten lijstje gevat en met cement gevoegd. Niet groot maar prachtig mooi. Ik kan er uren naar kijken. Dat straatje voor de kerk, die mensen op stoelen voor hun huis, dat zonnescherm met een knik voor het raam. Een zomers buurtje in Katwijk. Ik kreeg het cadeau van m'n ome Willem, uit Texel.

Maar nu is de vraag: wie heeft dit kunstwerkje gemaakt? Waar is het gebakken? Links in de hoek staat een naam: Famenta? Of staat er iets anders? Wat opvalt is dat de kerk, de Oude Kerk in Katwijk aan Zee, al de toren heeft van na de oorlog.* Maar het straatje is nog oud, met huizen van voor de oorlog. Hoe heet dat straatje? Dat zou ik allemaal willen weten. Is het tegeltableau gemaakt naar een foto? Misschien dat er antwoorden op komen, via dit blog. Kortom: wat is de achtergrond van dit plaatje?

* De Duitsers hadden de toren eraf laten halen zodat de Engelsen hem niet zouden zien als oriëntatiepunt. Na de oorlog is er bijna naadloos een nieuwe toren op gezet, die iets slanker is dan de oude.

zaterdag 20 mei 2023

Open vensters – Lagereschooltijd (11)

In 2014 schreef ik een stukje over rieten strandstoelen en badkoetsjes, of eigenlijk was het dat ik mijn moeder citeerde, omdat dat met die rieten strandstoelen en badkoetsjes, als je het goed beschouwde, nog helemaal niet zo lang geleden was. Ik zette er een plaatje bij van een strand met rieten strandstoelen afkomstig uit deel 1 van Open vensters. Dit is een serie boekjes in oblongformaat, met op bijna elke bladzijde vier plaatjes die samen een verhaal vormen, soms doorlopend op de volgende bladzijde met weer vier plaatjes, hier en daar afgewisseld door een bladzijde met daarop één grote plaat. Het plaatje van het strand had ik van een bladzijde met vier plaatjes. De andere drie zien we hierboven.

De boekjes zijn een genot om doorheen te bladeren. Dit komt natuurlijk door de andere tijd – de serie verschijnt vanaf 1935* –  waarin de onderwerpen spelen. In bepaalde opzichten zal het ook een gelukkiger tijd geweest zijn, zoals we die nog kennen uit onze jeugd, overzichtelijk en zonder allerlei nieuwerwetse poespas.

Deze pagina uit deel 8 gaat over de verzending van post. Ook aan de tram hing vroeger een bus waar je je brieven in kon doen.

Bij de plaatjes is geen begeleidende tekst, maar de verhalen kun je er wel uit halen, al is het soms gissen. Steeds dacht ik bij het doorbladeren van de plaatjesboeken, er moet toch ook een tekstboek bij geweest zijn? Want wat doen de schrijvers Rie van Rossum en S.J. Matthijsse anders zo prominent op de kaft als alleen de tekeningen van Jaap Veenendaal** te zien zijn? Naar die tekstboeken moet je goed zoeken op internet. Ze bestaan en zijn geschreven door de genoemde auteurs. Wellicht is het zo gegaan dat de plaatjesboeken aan de leerlingen in de klas werden uitgedeeld en dat er één 'handleiding', zoals de tekstboeken worden genoemd, voor de onderwijzer was. Dat verklaart wellicht dat er van de laatste zo weinig zijn.



In deel 8 komt ook de bijenteelt in beeld, verspreid over drie bladzijden. Met een stempel zette ik m'n naam in het boekje, zoals ik dat van bibliotheekboeken had afgekeken niet meteen op de eerste bladzijde maar wat verderop.



In deel 2 zien we het leven in de stad. Op het postkantoor kun je kinderpostzegels kopen en dat hondje mag de winkel niet in.



In hetzelfde deel ook ijspret en ijsleed.

Voor het onderwerp de visserij in deel 7 hebben tekenaar en schrijvers zich vast ook op Katwijk aan Zee georiënteerd. De plaatjes van de boetsters en 'speters' (zij rijgen haring, makreel of sprot aan 'spete', dat zijn ijzeren pennen, om te roken) komen me als foto's namelijk nogal bekend voor. 

De boekjes zijn me denk ik zo dierbaar omdat je ze kreeg aan het einde van het schooljaar. Het was dan bijna grote vakantie en altijd zonnig weer. In het zicht van het nieuwe schooljaar werden de oude voorraden opgeruimd. Boekjes van W.G. van de Hulst, van Anne de Vries, onder andere Jaap en Gerdientje, of Titus, de zoon van Rembrandt, van P. Joh. Zonruiter (2e druk, 1952), kregen we uitgedeeld. Boekjes die je zelf nooit in de klas had meegemaakt, waaruit je nooit onderwezen was, maar waar wel de generaties voor je nog les uit hadden gehad. Oude boekjes. Ze werden uitgedeeld en je mocht ze houden en mee naar huis nemen. In feite waren ze het begin van je eigen bibliotheekje.

Van de serie Open vensters kom je soms nog deeltjes tegen op een rommelmarkt of bij een kringloop. De deeltjes dragen duidelijk een protestantse signatuur maar er bestaat ook een katholieke variant: Zon en leven. Daarin zijn sommige plaatjes uit de protestantse versie vervangen zijn door plaatjes met katholieke taferelen. De tekenaar is dezelfde, Jaap Veenendaal, de tekstschrijver is een ander, Willem Wiltschut.

* Wanneer de serie gestopt is, is niet helemaal duidelijk. Ik zie op internet nog deeltjes uit 1949 voorbijkomen, maar misschien zijn ze ook nog later verschenen. De Christelijke Opleidingsschool is van 1953 (de eerste steen werd gelegd op 27 februari van dat jaar – is dat jubileum van 70 jaar nog eigenlijk gevierd dit jaar?), dus de deeltjes kunnen ook dan nog courant zijn geweest.

** Jaap Veenendaal maakte ook tekeningen voor plaatjesalbums van Kanis & Gunnink.

donderdag 20 april 2023

1000 x Kappie

Signeren in de HEMA in de sinterklaastijd – 3 december 2005.

Vandaag verschijnt de duizendste Kappie. Zoals iedere donderdag, vaste prik in De Katwijksche Post. Een strip getekend door Bert van der Meij, met in de hoofdrol 'een door de vangstbeperking aan wal geraakte kapitein van een Katwijkse kotter' die de krant rondbrengt. De duizendste Kappie! Toch wel even een moment om bij stil te staan. Want wie houdt het zo lang vol, heeft zoveel discipline, week in week uit!

Onwillekeurig doet die duizendste aflevering me denken aan de tijd dat we een stuk jonger waren en in de HEMA de verzamelbundels van Kappie gingen zitten signeren, tussen de rookworsten en de tompoezen. De tijd dat mensen nog boeken lazen en het ervoor overhadden om uren in de rij te staan voor een handtekening, maar wel eentje met een échte tekening en vertaling in het Katwijks dialect.

Kort daarvoor waren die Kappie-boekjes helemaal uit India gekomen, met een schip, dat op een welbepaald tijdstip afmeerde in de Rotterdamse haven. Wat een feest was dat! Want als je daar een pdf naartoe stuurde, naar dat verre land – of was het nog een schijfje? –, dan kwam er precies terug wat je had besteld, zonder fouten, want van de Kappie en het Katwijkse dialect hadden ze daar nog nooit gehoord. Ze drukten gewoon af wat jij ze stuurde, en wisten helemaal niet waarover het ging, al die belevenissen van die zeemeeuw. En dat je zo'n pallet met al die boekjes dan opsloeg in je keldertje en ze zelf ging rondbrengen, naar al die boekwinkels die Katwijk toen nog had. De Kappie, iedere week in de krant, een daverend succes, nog steeds, een strip die zelfs besproken werd in de gemeenteraadsvergaderingen, waar dan zinnen over de tafel rolden als: 'Ja, Kappie zegt het, dus dan is het waar. Heb je hem niet gelezen dan?'

Bert, ik filciteer je mit-tut skitterende jubelejum! Op naer de, of in ellek geval de kant op van de twieduizenste!

(Hoe dat gaat, een Kappie maken, lees je in het bericht van toen de 500ste Kappie verscheen, nog maar elf jaar geleden.)