Als het lente is, lees ik een krant op een terras en drink een latte uit een glas. Of om het even een boek met een cappuccino of een dubbele espresso. Maar dat kan ook als het zomer is. 's Winters ga je binnen zitten.
'Buller & Hartley & their many friends loved to sing here on summer evenings'.
Cadgwith ligt aan een inham, een cove, links de bocht om voorbij Lizard Point. Op dat kleine stukje pad, vanaf het zuidelijkste puntje van Groot-Brittannië, zijn we totaal de weg kwijtgeraakt, wat je niet zou verwachten als je langs de kust loopt, met aan je rechterhand de zee en links het land. Eerst vroegen we de weg aan een dame die in haar tuin bezig was – alle Britten zijn altijd in hun tuin bezig –, toen aan een automobilist die voor ons stopte. We kregen meteen een lift aangeboden en de laatste kilometers van die dag kwamen we rijdend aan in het haventje van Cadgwith. Een parel, kun je wel zeggen, een idylle, hoe noem je dat, zoals dat plaatsje daar verstild tussen de rotsen ligt te wezen.
Dat zingen van zeemansliederen wat ze er doen, doen ze al heel lang, het is een ware traditie die wordt doorgegeven van generatie op generatie. Niet alleen in of voor de pub. Boven de ingang van de oude loods bij het strandje, daar waar ze in de BBC-documentaire de kerstboom optuigden, is een plaquette aangebracht die eraan herinnert dat Buller en Hartley* en hun vele vrienden hier altijd samenkwamen om op zomeravonden te zingen. Een plaquette met onder de tekst een afbeelding van de Yorkshire Rose, de witte roos van York, symbool van erfgoed en trots.
Maar wie zijn dat, Buller en Hartley. Dit is wat AI voor mij vindt:
'Buller Arthur and Hartley Tripconey were legendary local fishermen from Cadgwith Cove who are credited with founding the world-renowned Cadgwith Singers.
The pair became local "maestros" of a tradition that began in the 1920s when a local minister started a fisherman's choir. They helped sustain and evolve this into the informal, powerful singing style seen today at the Cadgwith Cove Inn.
Key facts:
• The Cadgwith Singers: They initiated the group that continues to gather every Friday night in the village pub to sing sea shanties, hymns, and folk songs in an "unrehearsed and unique style".
• Buller Arthur: A fisherman who also played a pivotal role in the post-WWII renaissance of gig* racing in the village. The Cadgwith gig Buller was named in his honor.
• Hartley Tripconey: A key figure in the singing community whose family legacy continues; his widow, Dorothy, and daughter, Anne, have remained active in the village's musical traditions,
• The "Buller Day": The village celebrates Buller Day annually, often featuring a cricket match and community gatherings.'
Over Cadgwith hadden we het nog niet gehad, of wel, tijdens m'n praatje op 28 mei 2024 in het DunaAtelier, maar daar moest je dan wel bij geweest zijn. Cadgwith, het kwam toevallig langs op de BBC in het programma Countryfile van 28 december jongstleden, over hoe ze daar het dorp in kerstsfeer brengen ieder jaar, met de hele gemeenschap. Onderdeel daarvan is het uitzoeken van een kerstboom, een hele grote. Voor bij de schuur op het strandje tussen de rotsen waar de vissersboten liggen – er liggen stammetjes waarover ze omhooggetrokken worden. Daar wordt de boom dan neergezet en de bewoners hangen er met elkaar de ballen en de strikken in. De schuur wordt behangen met kerstverlichting in de vorm van een hert en een walvis, een kerstbal en nog zo wat figuren, plat tegen de muur op gaas, veel rood en groen, en 's avonds gaat dat dan allemaal aan, die lichtjes.
Er wordt een bezoek gebracht aan het blauwgeverfde houten kerkje van Cadgwith dat op de rotsen staat, ook helemaal versierd vanbinnen. En, je kan erop wachten, want het zijn Engelsen, dat in dat kerkje op een tafeltje een model staat van het kerkje, een miniatuur, waar het dak af kan, de dominese een snoertje kerstverlichting in doet, waarna het dak er weer op gaat en ze de batterij aandoet.
Helaas kunnen we de BBC niet terugkijken op het Europese vasteland, want we ontmoeten ook nog een oude fuikenvlechter, die ook weer in zo'n mooi houten optrekje zit, dit keer geelgeverfd. De man past er precies in, met zijn fauteuil waarop hij de fuik, een soort kooi, zit te vlechten. Om kreeften te vangen.Steeds steekt hij een paar dunne takken riet, twijgen, tussen dikkere takken riet en gaat dan zo in de rondte. De presentator van het programma mag er ook een paar takken tussen steken. Hij is maar wat blij dat het hem lukt en kan het werk als hij zou willen zo overnemen. Want wie zal de man ooit opvolgen? Om hem heen langs de wanden staan allerlei attributen uit de visserij, een modelscheepje van het schip waarop hij nog gevaren heeft, er hangt een bel met een koord eraan, door de visser zelf geknoopt, een reddingsboei en oude platen en krantenknipsels. Een gezellig interieur. Als de mand klaar is en naar buiten wordt gebracht, hij past maar net door de deur van de vissershut, zie je oudste dames uit het dorp, die net de kerstboom hebben opgetuigd, in zee zwemmen met kerstmutsen op. Ook dat doen ze hier ieder jaar.
Maar er wordt nog een kerstboom meegenomen van de kwekerij. De grote voor bij de schuur was net zo oud als de kweker zelf, maar deze is wat kleiner, voor in The Cadgwith Cove Inn, de dorpspub waarboven je ook kan overnachten. Dat deden we er in 2022 op 17 juni. We hadden geluk, want net op de avond dat we er neerstreken kwamen The Cadgwith Singers langs, een groepje mannen en vrouwen uit het dorp die shanty's zingen, zeemansliederen, dat gebeurde spontaan, buiten, terwijl wij nog binnen zaten te eten. Iedereen liep weg van tafel om het te gaan horen en aanschouwen. Waarbij de zangers regelmatig voorzien werden van een biertje. In de reportage van Countryfile wordt uitgelegd dat daar die lussen voor zijn die binnen aan de balken van de pub hangen, om je aan vast te houden voor als je iets te diep in het glaasje gekeken hebt. Of eigenlijk zijn die voor de zeelui die net van hun schip stappen aan het strandje en dan hier binnenkomen, nog wat onvast op de benen. Vaak zijn er meer verhalen om een voorwerp heen, waardoor we niet meer precies weten wat het juiste is en je kan kiezen wat je wil, zoals bij de verhalen die rond de hoerenhondjes ontstaan zijn.
The Cadgwith Singers op het terras van The Cadgwith Cove Inn.
Hier kun je ze horen.
Op Huize Zeezicht had ik er nog niet over geschreven, over Cadgwith en de shanty's, en ik kan niet ontkennen dat ik ze er de avond van de lezing in mei 2024 speciaal voor Jack Vlieland in gestopt had. Als lid van het Leidse zeemanskoor Rumor di Mare kon hij ze allemaal meezingen. Daarvoor had ik die boxen nodig die hij geregeld had, naast nog meer snoeren en stekkertjes, en ook nog een microfoontje voor op je revers en afstandsbediening. Jack dacht overal aan. Pas dan kon zijn 'heerlijk avondje', zoals hij de avond over het South West Coast Path noemde, beginnen.
Op een eilandje in de baai van St Ives staat Godevry Lighthouse. De vuurtoren is goed te zien. Ook vanaf Porthminster Beach. Daar hebben Julia en Leslie Stephen een zomerhuis. Ieder jaar reizen ze met hun acht kinderen van Londen naar Talland House in St Ives. Een van die acht kinderen is de latere schrijfster Virginia Woolf. Ze is er alle zomers. Tot ze dertien wordt. Dan overlijdt haar moeder en wordt het huis verkocht.
Talland House in 1894.
Virginia en zus Vanessa spelen een spelletje cricket.
Het huis hebben we niet gezien. De dag dat we erlangs zouden komen, regent het pijpenstelen. Daarom nemen we voor het laatste stuk naar St Ives de trein. De vuurtoren hebben we wel gezien, toen het nog droog was, een dag eerder. Net als Woolf, die er alle zomers op uitkijkt. Later schrijft zij haar roman To the lighthouse, over de familie Ramsay en hun acht kinderen die een zomerhuis huren op het eiland Skye op de Hebriden. Dat is een stuk noordelijker dan waar Woolf vroeger haar vakanties doorbracht. Toch is er één ding dat herinnert aan haar jeugd. Dat is de vuurtoren in het verhaal, waarvoor Godevry Lighthouse model staat.
De familie Stephen bij Talland House in 1894.
Nog even terug naar Talland House, dat we niet gezien hebben. Op 11 september 2022 werd daar een plaquette onthuld door de Virginia Woolf Society of Great Britain, die herinnert aan de twaalf zomers met het uitzicht op de vuurtoren.
Zenner ligt vooral heel landelijk te wezen. Een dorp met weilanden waarin koeien grazen. Een dorp waarin folkloristische verhalen goed gedijen. Als wij er aankomen, en dat is vanaf Rosmorva, het huis op het klif, nog een hele wandeling door de weilanden, is het avond en is de kerk al dicht.
We bezoeken The Tinners Arms, een oude dorpspub, met lange lage tafels en losse kussens op de banken en aan het eind van de lage ruimte een openhaard.
Zennor is Cornish voor Senara, de naam van de plaatselijke heilige. De parochiekerk, St Senara's Church, uit 1150 is naar haar genoemd. De naam Senara op haar beurt komt van de legendarisch Bretonse prinses Asenora, die van Ierland naar Bretagne reisde in de tijd dat het Keltische christendom zich over Cornwall verspreidde.
Met de kerk is de legende van de Mermaid of Zennor verbonden. De legende vertelt het verhaal van een mysterieuze vrouw die af en toe de kerk bezoekt. Ze valt op door haar mooie stem. Ze raakt verliefd op een jongeman, Matthew Trewhella, die bekendstaat als de beste zanger van de parochie. Op een dag volgt hij haar naar huis en daarna wordt geen van beiden meer gezien. De dorpelingen vragen zich af wat er met de twee gebeurd is, totdat op een zondag een schip op ongeveer een mijl van Pendour Cove voor anker gaat. Kort daarna verschijnt er een zeemeermin die de kapitein vraagt het anker op te halen omdat een van de vloeien (driehoekige zijbladen) op de deur van haar huis rust en ze haar kinderen niet meer kan bereiken. De matrozen halen het anker op en vertrekken gauw, in de overtuiging dat de zeemeermin een slecht voorteken is. Als de dorpelingen hiervan horen, komen ze tot de conclusie dat de zeemeermin dezelfde dame is die hun kerk al zo lang bezoekt en dat ze Matthew Trewhella heeft verleid om bij haar te komen wonen.
Dit is een van de vele versies die er van dit volksverhaal circuleren, bijeengeraapt van Wikipedia. Op de vroegere website van de St Senara's Church was ooit misschien nog wel de mooiste versie te vinden, mooi vooral ook door de gebruikte belettering die aan de middeleeuwen doet denken.
De versie van het verhaal van de website van St Senara's Church. Klik op het plaatje voor een vergroting.
In de kerk staat ook een bank waarin in het zijpaneel een zeemeermin is uitgesneden. Ze houdt een spiegel in haar hand. De uitsnede is meer dan 500 jaar oud. Sommigen denken dat de legende van na de uitsnede dateert, maar het kan ook heel goed dat ze van voor die tijd is en dat ze diende om het verhaal te onthouden als waarschuwing tegen de verleiding van schoonheid. Het beeldhouwwerk heeft de legende waarschijnlijk versterkt en bijgedragen aan de populariteit ervan.
Van de folkloreverteller William Bottrell (1816-1881) bestaat een langere versie van het verhaal. Hij tekende het op toen hij in 1873 Zennor bezocht. Ik kwam het tegen in Treasures of Cornwall, een bundel verhalen en gedichten van schrijvers die allemaal iets met Cornwall hebben.
Niek van der Plas, Frenchman's Creek, 2024. Olieverf op doek, 50 x 70 cm.
'Dit is wel helemaal waar jullie ook echt geweest zijn. Een herinnering van jullie samen.' De Frenchman's Creek. Waar je niet verder zou willen lopen maar altijd zou willen blijven. Niek heeft het nu geschilderd. Je ruikt de verf nog, zo vers.
'Dat we daar gelopen hebben...' Het is Engeland, Cornwall. Maar als ze zeggen dat het ergens anders is, dan geloof je het ook. Die houten huizen, de bomen die over het water hangen, een bootje tussen het gebladerte. Er is veel te zien. Zie je die palmboom?
Klik je op het plaatje, dan wordt het groter. Meer moois op niekvanderplas.nl.
Op dinsdag 9 juli liepen we het laatste gaatje dicht, van de westkant van het South West Coast Path, van Portcothan naar Padstow. Twee dagen daarvoor hadden we onze prefinish al beleefd in Newquay. De plaats waar we ooit begonnen waren, in 2008. Maar Padstow is mooier om te finishen. Een toeristisch gat, dat wel, maar ook een living community, waar iedereen elkaar kent, met, zo is ons verteld, een postbode die nog alle kaarten leest, voordat ze ze op de bus doet. Wil je iemand in Padstow een kaartje sturen, zet er dan gerust ook een boodschap voor Rosie op.
Stepper Point.
Een levende gemeenschap, zolang Rick Stein niet het halve dorp opkoopt, met prijsopdrijving en een jongere generatie die nergens een huis kan vinden tot gevolg. Maar dat is overal in Cornwall. Aan de overkant van de River Camel, in Rock, woont nog zo'n tv-kok, Gordon Ramsay, in een van al z'n huizen.
Ergens aan de rechterkant, buiten beeld, ga je het strand op en dan loop je helemaal tot aan die punt in de verte tot je om de hoek het haventje van Padstow in loopt.
De overkant.
Met de River Camel, die bij eb bijna helemaal droogvalt. Waardoor je er, als je voorbij het torentje van Stepper Point bent, en de aanwijzingen van de kustwacht negeert, die daar om de hoek in z'n lookout zit – die wilde ons weer helemaal de andere kant op laten lopen – gewoon over het strand het dorp kan binnenlopen.
Terugkijkend over het strand bij eb. In de verte de doorgang van de River Camel naar zee.
In Zennor logeren we in een barn, bij een huis op een klif, niet helemaal op de rand, maar het steekt wel ver vooruit. Met de zee aan drie kanten. Op een foto zie ik hoe het heet: Rosmorva.
De barn.
Van de man en vrouw die er wonen, is de laatste schrijver, van poëzie en kinderboeken: Jenny Hamlett. Na het ontbijt kopen we van haar een dichtbundel: Watching the Sea Four Times. Van hem krijgen we een reisadaptor, moeilijk woord voor een stekker voor een Engels stopcontact waar Nederlandse pootjes in passen. De onze zijn we in de vorige B&B vergeten uit het stopcontact te halen.
Rosmorva.
Haar naam weten we nog, door de dichtbundel, zijn naam weten we niet meer – wie schrijft die blijft –, maar de adaptor is ons even dierbaar als de bundel. Iedere reis opnieuw, gaat hij weer mee naar het eiland van onze dromen. Het is er een met een zekering, een hele luxe. Ik zie die man nog binnenkomen op 22 juni 2008, in die barn, met die stekker. We mogen hem houden. De B&B bestaat niet meer, daar aan het klif, maar de dichtbundel en de adaptor hebben we nog. Beide brengen, op hun manier, licht in de duisternis.
Moge dit een pleidooi zijn om van iedereen die je tegenkomt op je reis de naam te noteren, en zeker als het van die vriendelijke en behulpzame Engelsen zijn.
Na St Ives komt een rotsig parcours. We hadden er 16 jaar geleden ook rekening mee gehouden, weet ik nog, bij het uitstippelen van de route: hier niet te veel kilometers inplannen. Ik dacht dat het er zes waren, tot Zennor. Zes kilometer klauteren en klimmen, alle kanten op, je weg zoeken tussen de rotsblokken. Alsof ze door een reuzenhand zijn uitgestrooid. Je moet er omheen of overheen.
Dit moet geweest zijn in St Ives. In 2008. Je hebt hier een heel bijzonder licht, waar schilders op afkomen. Er is ook een filiaal van de Tate Gallery. Vanwege diezelfde schilders. De hoofdvestiging is in Londen. Dit is op de hoek, die huizen. Je zal er wonen. Een schilderij op zich.
Je passeert het als je naar het museum gaat. Daar hebben we boven op het terras nog koffie gedronken. We hebben er foto's genomen in wat je vroeger noemde een 'high-key'-effect. Maar volgens mij zijn ze gewoon overbelicht. Een combinatie van veel zon en wit.
Voor de hoek heb je het haventje. Waar het nu eb is. Het zand is geel, in St Ives.* Het is een mooi oud stadje. Met leuke straatjes met galeries. En hier en daar een pub. Maar er wonen ook veel mensen. Dat zie je al iets buiten het centrum, aan de lange rijen huizen.
* 'Knalgeel', schreef ik in 2011, maar laten we het op 'geel' houden, dat is al behoorlijk geel, voor zand.
Dat was nog wat, die lijn. Die lijn trekken. Een kaart die je helemaal uit Engeland hebt laten komen, om daar zomaar met een rode stift op te gaan zitten stiften, zoals ik in een vorig bericht nog schreef. Wat als de inkt uitliep of erger, je hand uitschoot, dan kon je dat nooit meer herstellen, en moest er weer een hele nieuwe kaart uit Engeland komen, met alle rompslomp die dat gaf, van inreisbeperkingen bij de douane en zo meer. Maar we hadden nog een potlood, een rood potlood, van toen we waren wezen stemmen, de la lag er zo onderdehand vol mee, van alle democratische verkiezingen die we achter de rug hadden, in het schoolgebouw dichtbij, en de laatste jaren de gymzaal naast de school. Verkiezingen die steeds grimmiger werden en eindigden in Zwarte Woensdag 22 november. Ook dit potlood had toen zijn werk gedaan, zijn burgerplicht. Het had een rondje rood gemaakt. Een mooi rood rondje was het geworden. En daarna mocht het mee naar huis. Je kon er trots op zijn. Het was niet bezoedeld geraakt. Zoals alle potloden in de la dat niet waren. Het had geen rondje rood gemaakt voor een haatprediker, of een van zijn vele meelopers, binnen en buiten de partij, een haatprediker die ons als belastingbetaler al miljoenen had gekost, en nog kostte en ging kosten, en die de hele cultuur en alles wat daarbij hoorde om zeep zou helpen. Een haatprediker die vond dat hij alles maar tegen iedereen kon zeggen. Maar andersom kon dat niet. Dan was het een en al zelfbeklag. Dit potlood bleef daar verre van. Het was niet bezoedeld, niet misbruikt, het had goed werk geleverd, gekozen voor een open samenleving, waarin iedereen, niemand uitgezonderd, in vrede met elkaar kon leven én wandelen! Als we zo'n 'stempotlood' nou eens zouden omdopen in 'bestemmingspotlood', en daarmee een nieuwe functie gaven. Dan mocht je daarmee, als er een rondje mee gezet was, ook een lijn trekken, dunkt me. En de bestemming was dan het kustpad, het South West Coast Path.
Het is een flinke oversteek, vanuit Falmouth, je kan het onmogelijk lopen, helemaal om dat water. Daarom ga je óver het water, in twee etappes: eerst naar St Mawes en dan met de volgende boot naar St Anthony in Roseland.
Falmouth is een nogal vervallen stadje, er is niet veel te beleven. In Church Street is er nog wel de opvallende gevel van St George's Arcade, een bioscoop uit 1912, die in 1948 door brand verwoest werd en tegenwoordig een winkelcentrum is met op de bovenverdieping een nachtclub. En we zitten hier in een mooi hotel, met uitzicht op zee, en eten er voor de tweede keer al curry deze reis – dat kenden we tot nog toe alleen van thuis, maar nu durven we het ook buiten de deur te eten, want je moet toch weer wandelen de volgende dag. Dus ja, het valt ook wel weer mee, dat Falmouth. Maar om nou te zeggen wauw...
Tot we aan boord gaan van de Enterprise en Carrick Roads overvaren – zo heet het grote water, het estuarium van de rivier de Fal – en we in een hele andere omgeving komen. Waar ze bedacht hebben om allemaal aan het water te gaan wonen, met de huizen in lange slierten, trapsgewijs achter elkaar, om allemaal van het uitzicht te kunnen genieten. Veel wit, die huizen, met een zonnetje erop ziet dat er feestelijk uit. Dit is St Mawes.
Waar ze bedacht hebben om allemaal aan het water te gaan wonen...
...met de huizen in lange slierten, trapsgewijs achter elkaar...
...om allemaal van het uitzicht te kunnen genieten.
Als we in St Anthony in Roseland zijn, vaart het kleinere bootje weer weg.
St Anthony's Church.
Daar stappen we over op een kleiner bootje, voor nog een oversteek, waarna we aankomen in het groene en paradijselijke St Anthony in Roseland – de naam alleen al is prachtig – met een soort van landhuis met een groot gazon ervoor, een oeroud kerkje – uit 1150 – en langs het pad aan zee het vuurtorentje van St Anthony's Head. Op een supplank staan een man en een hond. Een idylle. Alweer. Het kustpad is goddelijk.