Als het lente is, lees ik een krant op een terras en drink een latte uit een glas. Of om het even een boek met een cappuccino of een dubbele espresso. Maar dat kan ook als het zomer is. 's Winters ga je binnen zitten.
Bij Fábrica gaan we het strand op. De plek waar we altijd als eerste naartoe gaan als we weer eens in de Algarve zijn – daar kunnen jaren tussen zitten. Het pleintje met de palmbomen en het muurtje met op de hoek de kiosk waar we koffie bestellen en een pastel de nata, zo'n gebakje van bladerdeeg met pudding.
Het is heet, eind oktober maar de zon brandt. We lopen langs de cactussen en agaves, de droge duinvegetatie die je hier aantreft. Een groot decor, die hoge rand met al die planten. Ondoordringbaar. Er ligt een boomstronk, droog en uitgebleekt, een jerrycan, uit een inham stroomt water. De lagune van de Ria Formosa, waar de witte ooievaar broedt.
Je kan je er lelijk aan prikken, die agaves. Dat het bloed. Soms hangt er tussen de planten in de hoge rand een trap, een ladder, of een hálve trap of ladder. Die zegt: ik mag eruit maar jij mag hier niet naar binnen, niet zomaar. Het aangespoelde hout is met touw en stengels en alles wat kan binden aan elkaar gemaakt.
Het is een plek, een eigendommetje, zou je kunnen zeggen, en het is de kat die het verraadt, daar diep, ver weggestopt tussen de struiken, een hut, met heel even... de bewegingen van een oude man, de kat die naar hem toe komt, de oude man die de kat aait. Ik mompel wat: '... sir', en loop door. The Old Man and the Sea... and the Cat.
De oude man en de zee en de kat. Ik heb dat eerder gezien. Mooi beeld. Niet het verhaal van Hemingway, niet helemaal. Het is de entourage die maakt dat de titel in je opwelt.
Op het muurtje tussen Fábrica en Cacela Velha. Is KennyRandom hier geweest?
Bougainvillea op het eiland Farol, 7 november 2021.
Bougainvillea. Mooi woord. Ik las het voor het eerst in Braziliaanse brieven van August Willemsen. Ik moest het opzoeken, bougainvillea. Dit jaar komt er van het boek een herdruk, dan ga ik het weer lezen. Bougainvillea, uitbundig woord, voor een uitbundige bloemenpracht. In november bloeit de bougainvillea nog volop, in Brazilë en ook in de Algarve, waar deze foto is genomen.
Bougainvillea, Brazilaanse brieven, allemaal letters b, de b ook van bureaucratie, door de Braziliaanse autoriteiten in het boek, de b van een boot die niet aan land mag, een boot vol passagiers, op de Amazone. Want er gaan geruchten dat er ziektes aan boord zijn. Zo'n boot, die maar blijft dobberen, midden op de rivier, en het drinkwater dat opraakt, het wachten. Later maakt een vriend van me precies zo'n zelfde verhaal mee, op zo'n zelfde boot, als hij een indianentaal wil onderzoeken, in het oerwoud, waardoor de rivier stroomt, een indianentaal waarvan toen nog 25 sprekers leefden, het Kwaza. Toen. In een oerwoud dat met houtkap bedreigd wordt. Dezelfde Braziliaanse bureaucratie. Dezelfde bureaucratie van niet aan land mogen, want de geruchten gaan, er zouden ziektes heersen, aan boord.
Niek van der Plas, 'Pavillon de la Fontaine', Jardin du Luxembourg, Parijs, 2017.
Olieverf op paneel, 46 x 58 cm.
'Maar dat hang je toch niet op zolder!'
'Maar als het daar nou zo mooi staat, bij die schelpen uit Portugal en dat zeilbootje op de kast.'
'Ja, het staat daar wel heel mooi.'
'Voor mijn part hangen we het hele huis vol met Niek van der Plas. Dan beginnen we een museum. Langs de gevel hangen we dan een banier, hoe noem je dat, zo'n vlag langs de gevel? Nou, je weet wel wat ik bedoel.'
'En dan in de lengte, van boven naar beneden, alleen die vier letters: N I E K. Staat wel artistiek.'
'Gaan we om beurten suppoosten.'
Pavillon de la Fontaine van Niek van der Plas is gevat in een originele handgesneden lijst. Een Fránse handgesneden lijst. Dat betekent dat het schilderij een typisch Frans formaat heeft. De lijst is 'over de hoek', zoals Niek ons dat heeft uitgelegd. Dat betekent dat je geen kepen ziet, geen zaagsneden. De lijst loopt door, zonder einde en zonder begin.
Adri van Beelen, die niet alleen verstand heeft van muziek maar ook van alle andere kunst, wat zeg ik, cultuur in de ruimste zin van het woord, vindt het schilderij wel wat weg hebben van Max Liebermann, met die lichtvlekken overal. Ik ben eens gaan zoeken. Er is zo'n schilderij.
Max Liebermann, 'De Oude Vink', restaurant in Leiden, 1905. Olieverf op doek. Kunsthaus, Zürich.
Ook met van die lindegroene stoeltjes onder de bomen bij een paviljoen. We hebben ze ook in de tuin staan. De kleding is in een eeuw tijd wel wat luchtiger geworden en er worden geen hoeden meer gedragen, alleen nog bij speciale gelegenheden. Op het schilderij van Van der Plas ontwaren we zelfs een laptop, op het tafeltje rechts vooraan bij het uitklapbord. Stilletjes hoop ik dat dit attribuut van de moderne tijd een menukaart is. Je weet het niet hè, wat de het schildersoog gezien heeft, hoe de schilder het interpreteert, hoe de impressie bij hem is overgekomen, en vervolgens bij ons zal overkomen.
Je moet het zien, en er soms op gewezen worden door de schilder zelf, want kijk eens wat er allemaal gebeurt achter het terras en paviljoen in het Jardin du Luxembourg, al dat licht. Dat wil naar voren, maar je oog wil er ook naartoe. Hetzelfde zien we bij dat schilderij van een eeuw geleden. Dat licht in de achtergrond, dat naar je toe wil.
Ronin heeft nog scherpe ogen. Op Culatra op het strandje bij de haven vond hij deze drijvers. Om het net omhoog te houden in de zee. Net voor de veerpont ons weer naar Olhão zou brengen. Soort van samengeperste kurk of kunststof. Mocht ze zomaar van hem hebben. Daar ben je opa voor. Mooie herinnering aan een puur en prachtig eiland.
Echt iedereen gaat naar de Algarve tegenwoordig. Voor wíj gingen, moest ik nog naar de kapper. Ik ga nog steeds naar dezelfde kapper, in Leiden. Deze had net de haren uit mijn oren gebrand* – mijn oren gloeiden nog na en het rook naar verschroeid haar – toen ik in de spiegel mijn collega Sufyan zag langslopen. Een vreemde gewaarwording. Sufyan zie ik nooit bij de kapper, ik wist niet dat hij bij dezelfde kapper kwam als ik, maar het was wel nodig, want hij had een flinke, verwilderde bos haar. Zo had ik hem nog nooit gezien. Daarbij was hij ook een stuk bruiner geworden. Daarom riep ik: 'Ben je weer aan het graven geweest, in een ver land?' Hij is namelijk archeoloog en gaat wel eens in de grond zoeken in Oman. Of die contreien.
'Nee, ik kom net terug uit de Algarve, voor vakantie.' Hij wisselde een paar woorden met de kapper, toen hij zijn telefoon tevoorschijn haalde. 'Kijk, hier.'
Hij liet een kaart in Google Maps zien. Morenos, daar had hij gezeten. 'Maar dat is vlak bij waar wij naartoe gaan, iets onder Santa Catarina en boven Moncarapacho.'
'Er is een fabriekje waar ze azulejo's maken.' Hij liet me een filmpje zien.
'O, gaaf, dat wil ik ook wel zien. Hoe heet het? Waar is het?'
'In Morenos. En je moet ook naar Alcoutim. En dan met een boot naar de overkant, naar Sanlúcar, dan zit je in Spanje. Daar is een kasteel. Op een berg.' Je stak dan de Guadiana over, de grensrivier.'
'Wacht, ik schrijf het op. Morenos tegelfabriek en Alcoutim. Bedankt voor de tips. Leuk!'
Met een geknipt hoofd verliet ik de zaak.
Thuis vertelde ik dat ik Sufyan was tegengekomen, die ook in de Algarve was geweest. Iedereen ging tegenwoordig naar de Algarve. En dat we naar dat tegelfabriekje moesten en naar Alcoutim en dat kasteel. Dat was nog vóór Adri ons vertelde dat de twee hoofdpersonen in zijn boek Verborgen daar een rol spelen, in Alcoutim.
Alcoutim was uiteindelijk gemakkelijk te vinden, maar dat tegelfabriekje in Morenos... Als we inzoomden op de naam, kwam er verder niets in beeld dan alleen die naam en een bergweg en zoomde je nog verder in in Google Maps, dan had je alleen nog die bergweg en was er van de naam niets meer over. Die loste op. Er was daar helemaal niets, net schuin boven onze quinta waar we logeerden. Maar Sufyan had het wel aangewezen op zijn telefoon. En het leek zo dichtbij. Een stukje over de N398 omhoog naar Santa Catarina, dan naar rechts over de N270, en dan de derde weg links, de M513-1. Die bergweg.
Het leek ons beter om zelf maar een fabriekje te zoeken. En dat lukte. Met wat googelen, op 'azulejo' en 'Algarve' en nog zo wat trefwoorden, vonden we er eentje vlakbij. Een fabriekje, een werkplaats, kun je beter zeggen. Want het gaat wel aan de lopende band, maar niet letterlijk. Zo zouden we later zien. Vanaf de quinta moesten we rechtsaf de weg omhoog – die kant waren we nog nooit geweest, terwijl we nu al voor de tweede keer hier waren – en dan nog een paar bochten en in een kwartiertje waren we er. We reden het terrein op en werden vriendelijk verwelkomd door de eigenaar van Terracota do Algarve. We mochten overal kijken, in de showroom en in de werkplaats. Maar wat een baan! Je zal hier werken! Niet iets om jaloers op te zijn. De ter plekke gewonnen rode klei wordt in een vormen gedaan op asbestplaatjes en daarna glad gestreken en dat doen die mensen dan de hele dag door. De plaatjes met de kleitegels worden ongeveer vijf dagen te drogen gelegd in rekken waarna ze gebakken worden. Hier volgen twee filmpjes over hoe die mensen aan het werk zijn.
Toen we weggingen, werden we weer vriendelijk uitgeleide gedaan door de eigenaar, die ons nog vertelde dat juist een week geleden de Nederlandse televisie was langs geweest. Hoe toevallig. Daarvoor moesten we maar even naar hun Facebookpagina gaan, die van Terracota do Algarve. Het was voor het programma Droomhuis gezocht, gepresenteerd door Sybrand Niessen. Wij zochten daar trouwens ook nog een droomhuis, in Olhao bijvoorbeeld, een leuk appartement om af en toe eens naartoe te gaan.
* Dat doet hij met een stokje met een dot watten erom gedraaid, die hij met spiritus of wasbenzine doordrenkt, aansteekt en tegen je oren slaat.
‘Hoe vind je dat nou? Dat wij ook naar die quinta gaan. Die foto van de kip heeft de doorslag gegeven voor Ineke.’
Adri appte mij een Katwijks zinnetje met een achteraan geplaatst bijwoord en of we dit soort grammaticaliteiten ook in het woordenboek opnamen en van het een kwam het ander. Ik stuurde een foto van een kip in de keuken met de mededeling dat we op de quinta zaten maar dat dat niks gaf.
Uurtje later hadden ze geboekt.
‘Wat leuk! Jammer dat wij dan alweer weg zijn.’ We hadden het over dat paleis in Estoi, hier vlakbij, en dat we aan de vis zaten in Tavira. Dorade en tonijn.
‘Tavira speelt ook een rol in mijn boek Verborgen en Estoi ook,’ appt Adri terug.
‘Die verse knoflook op de vis is zó lekker,’ zegt Wilma. ‘Wat zou dat groene spul zijn?’
‘Peterselie?’
‘Maar hoe vind je dat nou? Datte we ook die kant uitgaan?’
Ik vertelde alvast wat over de compound.
‘Mag je ook vijgen plukken?’
‘Ja, mag allemaal. We vinden het helemaal maf en leuk natuurlijk. Dat jullie deze kant op komen. Kunnen we na afloop, als we terug zijn allemaal, een avondje Quinta Corcunda met z’n vieren houden.’ Soort dia-avondje van vroeger.
Wilma poseert voor de veel te grote Citroën C-elysée die we gehuurd hebben. Gaat ook op de app.
‘Zo, blitse kar!’
‘Ja, we gaan ’m wel ruilen hoor. Te groot en te log met optrekken. Liever zo’n pittige Seat Ibiza.’
‘Staat de caravan rustig genoeg om lekker te schrijven?’ vraagt Adri.
‘Ja, helemaal apart. Een schrijvershut.’
Het is gezellig. Met een gezamenlijk reisdoel heb je veel te appen. In Fuseta, je mag het ook met een z schrijven, vanaf hier rechtdoor óver de kruising met de kustweg heen, daar kun je de lekkerste vis eten. We sturen een filmpje met daaronder: ‘In afwachting van de vis.’
Casa Corvo, en niet dat terras er vlak naast, daar moet je wezen. Daar zit het vol en staan de mensen in de rij, terwijl er op de andere terrassen nog ruim plek is. The winner takes it all. De ober die ons de eerste dag helpt heeft van die oud-Hollandse grapjes, dan tikt-ie je van achteren aan op je rechterschouder, knipoogt ondertussen naar je vrouw aan de overkant van de tafel en zet dan links van je de karaf met wijn neer. We eten zeebaars en zwaardvis. Giga vissen.
‘Mùrrege een rog. Die ben zòò gròòt. Mì-se twieje ete we die dan. Op.’
‘Rog, dat is mijn bijnaam. Van Beelen: hij is-t’r ien van de rog. Of van ’t rogje. Met De Vink hoefde dat niet. Ook niet met Grunstra.’*
‘Die mot je dan ààgelijk wel ete, de femilie indachtig.’
‘Ja,’ appt Adri, ‘dan moet ik in het Portugees om “um raio” vragen.’
‘Dat is goed, dat je dat zegt,’ app ik terug, ‘want we zagen net al een Duitse mevrouw vragen aan een tafel met Portugezen en ze kreeg in het Engels te horen dat die vis op tafel op een sole leek, een tong, maar dat is alleen hoe die zwemt over de grond. Raio onthouden we.’
‘Eu gostaria de comer um raio: ik zou graag een rog eten,’ appt Adri.
‘As ik maar uit m’n woorden kom. We schrijven het op.’
‘Gek, meestal eet je die van oktober tot en met december. Maar dat is in Nederland. In Portugal is het vast anders. En er zijn zo’n 450 verschillende soorten rog, dus je ken nog effe vooruit.’
Adri weet veel. Een wandelende encyclopedie. Hij krijgt gelijk. De volgende dag lees ik m’n briefje op.
En omdat we bij het filmen het eerste deel missen, nemen we nog een filmpje op. De ober speelt het spel voortreffelijk mee.
Och kip, zondagmiddag toen je op de mat zat hebben we samen nog naar die mooie pianomuziek geluisterd. Pikte je af en toe nog een graantje. Verder zat je een beetje voor je uit te suffen, je ogen op een kier. Had je ooit wel eens zulke mooie muziek gehoord? Samen met je zus, of vriendin?
Iedere dag weer, we zaten nog aan de koffie of daar kwamen jullie al aangelopen. Voor de haver. Voor de gezelligheid. Lieve kip, lieve kippen. Tòòòk tok tok tok tok, tòòòk tok tok tok tok. Eén keer hadden wij nog niet opengedaan, waren wij een tikje laat en was het tik tik tik, tegen de deur. Zo uit het kippenhok, de eerste gang. Uitgebreide begroetingen iedere dag. Met diepe buigingen, van jullie en van onze kant: tòòòk tok tok tok tok, tòòòk tok tok tok tok!
Maar met jou, lieve kip op de mat, ging het niet zo meer. Je zat daar wat versuft. Pikte nog een graantje. Maar niet zoveel als je zus, of je vriendin, die vandaag alleen over was.
Heb je ooit wel eens zulke mooie muziek gehoord? Lieve kip? Op de laatste dag dat je bij ons was. In de keuken, op de mat.