Posts tonen met het label duinen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label duinen. Alle posts tonen

vrijdag 19 december 2025

...althans, de ruïne van dat kasteel

9 juli 2025.

Sommige muren zijn helemaal scheefgezakt, van Corfe Castle, alsof er een bom is afgegaan. Maar als je die muren ziet, hoe dik die zijn, is dat toch niet het eerste waar je aan denkt. Misschien dat de grond is weggespoeld, onder die muren, en omdat het kasteel hoog staat, zakt dat dan als er ergens een scheur in zit, zo de heuvel af.

December 1970.

Het doet me denken aan die bunker ooit, in de duinen bij Katwijk in de buurt van de watertoren, die in z'n geheel de duin af kwam zakken, ook slecht gefundeerd. Op de foto, in een heel ander jaargetijde, staat-ie nog boven op de top (met mij erop), maar een paar jaar daarna lag-ie schuin op de helling. Misschien heeft iemand daar nog een foto van.

zondag 5 september 2021

Om braam

En terwijl een uitzinnige menigte van 70.000 man/vrouw onder leiding van prins Poen coureur Verstappen over de finish ziet razen, zoeken wij de stilte. Gelukkig zijn wij onder een ander gesternte geboren en niet in een gespreid bedje ter wereld gekomen. Daardoor hebben wij nu de mogelijkheid om in een andere kustplaats, iets zuidelijker gelegen dan waar op ditzelfde moment het tumult uitbarst, 'om braam' te gaan, zoals dat daar heet. In de zomerse warmte van het duingebied in wat oudtijds de aardappelveldjes zijn geweest net voorbij de lichtmasten die de velden van de zaterdagamateurs omgorden, leren wij onze kleinkinderen wat eentjes, tweetjes en drietjes zijn, bramen met respectievelijk (slechts) één bes of twee of drie bessen, maar ook wat besuikerden zijn, bramen die dauwrijp zijn, waar zo'n blauwige mist overheen ligt. Je hebt dat ook bij druiven. Het is stil in duin, en vredig, en de planten en struiken en al het geboomte dat onder de hemel is, tiert welig. Het enige geluid in deze ongereptheid is het gejoel dat uit onze kelen komt, als we weer een plek gevonden hebben met wat meer bramen dan op de plek daarvoor. Die besuikerden staan vooral tussen het hoge gras, waar de grond wat vochtiger is.


maandag 19 april 2021

Braam plukken (4) – 'De Valstrik'

Voor de vierde aflevering van Braam plukken nemen we u mee naar De Valstrik, een uitspanning met speeltuin uit het begin van de twintigste eeuw.

De uitzending is vanaf maandag 19 april de hele week te zien op RTV Katwijk, om 12.00, 18.00 en 21.30 uur, na de sport. Via Ziggo op kanaal 41 of KPN 1385 maar nog makkelijker in het hele land op https://www.rtvkatwijk.nl/live-tv/ op de genoemde tijden. Later komt het programma op YouTube, waar het tot in alle eeuwigheid op ieder moment van de dag jaar in jaar uit te zien is.

Als je dus net bent ingeschakeld, om pakweg tien over zes, ben je nog helemaal op tijd, want het komt na de sport! Wordt het vijf voor halfzeven, dan moet je toch wel klaar gaan zitten. Want het begint opeens, zonder aankondiging, na de reclame.

Veel kijkplezier!

De drie eerdere afleveringen van Braam plukken vindt u op YouTube. Van jong naar oud zijn dat:

aflevering 3:


aflevering 2:

aflevering 1:

zondag 11 april 2021

I

Op m'n bureau van het merk Gazzda – ik zeg het nog maar eens, want ik ben er heel blij mee, niemand heeft zo'n mooi bureau, zelfs de president van Amerika niet – heb ik een presse-papier in de vorm van de letter I. Het lijkt erop dat ik hem speciaal heb laten maken voor op dat bureau. Het is de hoofdletter, zoals je die op een typmachine kan aantreffen. In de computerwereld noem je dat lettertype, dat font, de Courier. Hij is van ijzer. Wat voor ijzer weet ik niet, van welke dichtheid, maar het heeft een zeker gewicht. Waarmee deze 'papierdrukker', zoals de leenvertaling van het voorwerp luidt, de papieren die eronder liggen op hun plaats houdt. Gek dat je zo'n ding altijd met wind en tegenover elkaar openstaande ramen in verband brengt. Van Dale bevestigt dat, al komt deze gedachte voor de beschrijver van het lemma pas op de tweede plaats: 'sierlijk, zwaar stuk glas, marmer enz. om op losse papieren te leggen, teneinde te beletten dat ze door elkaar raken of wegwaaien'. In mijn opinie echter zullen de papieren pas door elkaar raken nadat de stapel is omgevallen of weggegleden of weggewaaid.

Waarom een I, en geen L bijvoorbeeld, of een stevige M? Dat komt omdat deze presse-papier uit het Smalspoormuseum komt, bij het Valkenburgse Meer. Daar lopen rails die vroeger door de Katwijkse Zuidduinen hebben gelopen. Blijkbaar hadden ze van die rails door de duinen wat stukken over. Die ze in stukjes van vijf centimeter hebben gezaagd. Er lag destijds, het zal zo'n drie jaar geleden zijn dat ik zo'n stukje op de kop tikte, een hele bak vol van.

Dat museum met dat stationnetje is leuk, hoor. Ze gaan de rails nu doortrekken om het hele meer heen. Maar zo'n open vlakte haalt het niet bij de indianenbergen in de Zuidduinen waar het spoortje vroeger doorheen liep.

Ik vind hem prachtig, die I, dat stukje rails, met het snijvlak in blank metaal, gepolijst als het ware, en de omtrek zwart, door een dun laagje teer. Ik kijk ernaar en denk: vijf centimeter rails uit de Katwijkse Zuidduinen, vijf centimeter rails waar ik ooit overheen gereden ben.

zaterdag 13 maart 2021

Wandelen in de Amsterdamse Waterleidingduinen

Dit keer waren we er bij de Oase in gegaan, in de Amsterdamse Waterleidingduinen (de AW-duinen). Daar heeft de omgeving wat van een Engelse landschapsstijl, maar dat heb ik zelf bedacht. Het is in ieder geval meer aangelegd dan bij de ingang bij het Panneland. Met rechte, diepliggende kanalen voor het water. Water dat nadat het gezuiverd is bij de Amsterdammers uit de kraan komt. Je moet daar niet naar beneden willen, van de kant af, zo steil is het naar die kanalen toe. Dan breek je allebei je benen. En armen.

We wilden nu eens kijken of we helemaal bij zee konden komen. Dat hadden we nog nooit geprobeerd. Maar dan niet via de bestrate hoofdwegen maar langs de kanalen over de paden. Daar lagen heel wat bomen om. Die laten ze liggen. Dat is wel mooi. Alsof het natuur is. Soms was het alsof we weer in de Cotswolds liepen of door een ander mooi gebied in Engeland. Heimwee. Ergens langs het pad zagen we herten met geweien. We liepen er voorzichtig naartoe. Maar hoe dicht we ze ook naderden, ze bleven gewoon dooreten. Mak als een lammetje. Was dit hun natuurlijke gedrag? Er waren ook bomen waarbij je kleine bomen had eromheen van dezelfde soort, netjes in een kring. Waren die uit de zaden ontsproten, die uit de boom in het midden vielen, of via de wortels omhooggegroeid, omgekeerd eigenlijk?


De zee was nog ver. Onderweg kwamen we een huis tegen, midden in de duinen, als in een roman. Het werd niet meer bewoond. Het was vast het huis van een boswachter geweest, of duinwachter. Ik heb het even opgezocht, het was tot 1917 het huis van de waterpompmachinist. De deuren stonden open. Door de voordeur kwam je via een gang gelijk bij de achterdeur, maar ze hadden er een soort straatje van gemaakt, van die gang, met straatsteentjes. Er ging een trap naar boven. In de gang was ook een dichte deur en als je van buiten door het raam in die ruimte keek, een soort woonkamer, zag je een tafel met allemaal koffiebekertjes. Het huis was gedegradeerd tot een keet voor de werkers in de duinen. Je kon dat ook omdraaien en zeggen dat de werkers in de duinen wel een heel luxe keet hadden als ze in dat huis hun pauzes hadden. Als je erdoorheen keek, en dat kon letterlijk bij dit huis, vanwege die voor- en achterdeur die altijd openstonden, kon het best een leuk optrekje worden om in te wonen. Boodschappen deed je dan in Vogelenzang of Zandvoort of deftiger, Aerdenhout, waar je Dieuwertje Blok kan tegenkomen bij de Albert Heijn. Heb ik eens gehoord. Dan is je dag gelijk goed. Dan kom je terug in je huisje in de duinen en zeg je tegen je vrouw: 'Weet je wie ik nu weer zag, in de supermarkt?' En dan zeg je die en die en sluit je af met de woorden: 'Er wonen hier allemaal mensen die we kennen in de buurt.' Zodat je je nooit eenzaam zou hoeven voelen in dat huis in de duinen.

Al pratend waren we bijna bij de zee. We zagen dat we een hoge duin over moesten bij de zeereep. Het huis lag dus ook nog eris goed beschermd tegen stormvloeden. Voor we bij de zee waren, moesten we eerst nog een klaphekje door, om de wilde beesten niet te laten ontsnappen, en hé, wat was dat? Het fietspad dat we wel eens gereden hadden. Tussen Langevelder Slag en Zandvoort. Bijzonder om dat te passeren. Toen we bij de zee geweest waren, moesten we nog helemaal terug. We wilden wel een gewei vinden. Maar dan moest je in de broedtijd zijn, zei mijn vrouw. Ze bedoelde natuurlijk de bronsttijd. Ik zag dat al voor me, al die eieren met kleine donzige hertjes erin, bamby-eitjes. En als ze dan uitgekomen waren, die eieren, dat ze dan meteen konden lopen, tussen het gras, en dat je op moest passen dat je niet op ze stapte, zo klein waren ze. Reigers en buizerds vormden ook een gevaar voor die net uitgebroede hertjes. Ze slokten ze zo naar binnen.

zaterdag 20 februari 2021

Het veldje in de duinen


Dit is het veldje in de duinen waar we altijd zaten. Op de plaid. Met koffie of thee voor m'n ouders in de thermoskan, limonade voor ons, de kinderen. Of Sisi, maar die flessen konden ontploffen. Dus ik denk toch limonade. En froufrous. Toffees van Verkade. Topdrop. En pelpinda's. Altijd pelpinda's, van de groenteboer. M'n tante en oom en de kinderen gingen ook wel eens mee. Zij hadden dan ook een plaid en ook allerlei lekkers. Dit is het veldje in de duinen waar we jokari speelden – wij noemden dat 'ballenklappen' – met een balletje aan een elastiek van een meter of vier, dat vastzat aan een blok hout met een gat om het balletje in op te bergen.* Als je tegen elkaar speelde omspande je met de bats – de 'ballenklappers' – dus zo'n meter of acht. Ook scheerden we met een frisbee. Die kwam soms buiten het veldje terecht. In een ander veldje. Dan moest je het pad over of de rails die daar lag van het treintje dat er reed. Soms hadden we ook een bal en een vlieger of gingen we badmintonnen. De veldjes lagen lekker beschut tegen de wind. We hadden ook een keer een spel mee met een houten hamer waarmee je een bal door poortjes moest slaan. Het heet met een deftig woord croquet. Maar het gras van het veldje was daar te hobbelig voor. De bal ging alle kanten op. Croquet komt van het Franse woord crochet, al associeerde je de vorm van de hamerkop gemakkelijk met een kroket. Een keer speelden we ook een spel dat lijkt op het Baskische pelote, waarbij je een bal moest vangen in een halfrond vangding. Het vangding was zwart en de bal was wit met gaten erin. Tegenwoordig bestaat het spel ook in een wat kleurrijker uitvoering. Dit is het veldje in de duinen, net voorbij het draaihek. We zaten daar altijd een beetje in de hoek, in de zon en uit de wind, op de plek waar ze nu die doornige struiken hebben neergeplant. Waarom?

* Preciezer beschreven stak er uit het blok recht omhoog een metalen veer van een centimeter of 15. Daaraan zat het elastiek. Als het balletje in het gat was opgeborgen werd de veer daaroverheen gebogen met het uiteinde in een gat. Het elastiek werd om het blok gewikkeld. Zo bleef alles op z'n plek.

donderdag 23 juli 2020

Een beetje om – van Oegstgeest naar Katwijk en terug

We zaten lekker van ons appelgebak te genieten, toen Wilma opperde:
'Zullen we via de Zuidduinen langs de Soefitempel teruggaan?'

We hadden nog een bon van de bruiloft, voor bij de Sunset, en het was mooi weer. Weer voor een wandeling. En iedere dag dertig minuten wandelen is goed voor zowat alles, lezen we. Dus namen we de bekende route, via Oegstgeester Kanaal en Oude Rijn, om zo bij het strand uit te komen en die tent op de boulevard.
Sinds vorig jaar, toen we aan het oefenen waren voor de Cotswolds, had ik niet meer zo ver gelopen. 7,8 kilometer van huis naar zee. Heen en weer zou dat nog geen 15 kilometer zijn. Iets voor de avondvierdaagse of de Kippenloop. We zaten lekker van ons appelgebak te genieten, toen Wilma opperde: 'Zullen we via de Zuidduinen langs de Soefitempel teruggaan? Kan dat?'
'Wow! Het is een beetje om, maar het moet kunnen. Er is een pad, als je naar de meertjes gaat en dan linksaf langs die uitkijkduin met die bunker erop, dat je bij de watertoren uitkomt. En dan zo via Katwijk-Binnen en Rijnsburg terug.'
'Dan kunnen we achter de camping langs.'
'Waar we Louca nog een keer hebben gedragen omdat ze niet meer kon.'
'Och, Loucaatje. Ik mis haar wel hoor.'
'Zo oud was ze toen nog niet eens.'


We gingen op pad, over het pad over de zeereep en de boulevard en doken de duinen in. Dit zou dan de training voor het South West Coast Path (SWCP) worden, waar we ooit een stukje van gelopen hadden, van Newquay naar Penzance.* En dat we volgend jaar wilden vervolgen. Langs Polperro, van de puzzel, in ieder geval. Maar ook langs dat plaatsje waar Raynor Winn en haar man Moth nu wonen, Polruan, tenminste in dat boek (De wilde stilte), en Fowey, aan de overkant. Er groeien palmbomen. Zij hadden in het eerste boek (Het zoutpad) het hele kustpad gelopen. 1014 kilometer! Aan de hand van die optimistische wandelgids van Paddy Dillon: The South West Coast Path.
Maar dit wat wij liepen leek onderhand ook al wel een hele toeristische route te worden, door de duinen langs die tempel en de watertoren, langs een groepje tiny houses – had je die in Katwijk ook al?**  – met akkertjes eromheen, café 't Wachtje en molen De Geregtigheid in Katwijk aan den Rijn, het tolhuis aan de Sandtlaan, het graf van Floris V en de Vliet door Rijnsburg. Al die indrukken. Voor je het wist was je weer thuis. Zo liep je in duin, zo zat je weer in je tuin.


De werkelijkheid was dat we ons nogal op de afstand hadden verkeken. Het was flink om. Geen kleine 15 maar 18,3 kilometer. Die drieënhalve kilometer extra hakte er behoorlijk in.

* Ik lees in de link dat dat was in 2008. Volgend jaar al 13 jaar geleden. Het wordt tijd voor een inhaalslag.
** Ja, juist! Want big houses waren er onbetaalbaar.

zondag 21 oktober 2018

Braam plukken op YouTube


De eerste aflevering van Braam plukken, over het Draaihek, eerder uitgezonden op RTV Katwijk, staat nu ook op YouTube, overal en altijd te zien!

maandag 7 augustus 2017

In de duinen

Zomer of herfst 1964, ik ruim 2 jaar oud, m'n vader ruim 32 jaar.

M'n vader als speelkameraad.

Ik met een bal, m'n vader met de vlieger. Wanneer kan-ie de lucht in? 

donderdag 15 juni 2017

Bijzonder Berkheide, bijzonder boek, niet alleen over de natuur


Van Co kreeg ik het boek Bijzonder Berkheide cadeau. Ik ben er gelijk in gaan lezen. Berkheide is het duingebied tussen Katwijk en Wassenaarse Slag. De naam is ontleend aan het in zee verdwenen dorpje Berkerhey dat voor de slag lag.
Het boek is rijk geïllustreerd. Mooie foto's van planten en dieren. Veel vogels ook. Volgens mij bestaat zo'n beetje de hele redactie uit vogelaars. Voor de luchtopnamen in het boek is handig gebruik gemaakt van drones. Op bladzijde 17 zie ik nog twee foto's van vroeger, gemaakt vanuit een vliegtuig. Ik heb er wel eens over nagedacht hoe dat geweest moet zijn. In de tijd dat Juliana in Katwijk woonde en studeerde, tussen 1927 en 1932, had zij aan de voorkant van villa 't Waerle uitzicht op zee en aan de achterkant op het wantveld, waar de netten werden uitgereden om door de nettenboetsters te worden gerepareerd. Hoe moet je je daar als prinses gevoeld hebben? In de naastgelegen villa Hoogcate verbleef het personeel. Op de foto's zien we de beide villa's ten zuiden van villa Allegonda. De laatste staat er nog, of moet ik zeggen, weer. Na een tijd hotel Savoy geweest te zijn, het afgelopen jaar weer is teruggerestaureerd naar haar oude vorm.
Veel plaatjes, ik zei het al. Ogen te kort. Op pagina 134 vinden we een fraaie opname, ook vanuit een vliegtuig, of helikopter, van gebouw De Waaier, met het 'zeehostunneltje', de tunnel waardoorheen de tbc-patiënten van het toenmalige Rotterdamsch Zeehospitium zonder in contact te komen met de bevolking onder de boulevard door naar het strand werden vervoerd. Via dit tunneltje vertrokken in de Tweede Wereldoorlog ook de Engelandvaarders met hun kano's. Het tunneltje is verdwenen onder de nieuwe zeewering, maar erbovenop is vorige week een monument onthuld dat de herinnering aan deze dappere mannen levend houdt.
Ik blader nog even verder, naar hoofdstuk 22, over boeren in Berkheide. Op de eerste bladzijde van dit hoofdstuk zien we een mooie luchtopname van de Vrieze Wei, aan de rechterkant van het pad dat zich splitst. Als we door de duinen lopen, snijden we daar altijd af. Je ziet dat zich door de Vrieze Wei daar een zanderig pad gevormd heeft. Er moeten er meer zijn die op het idee komen... Aan de andere kant van de splitsing zie je heel duidelijk de dijkjes tussen de vroegere aardappellandjes liggen. Daar ligt de Dorendel. Op bladzijde 137 is daarvan een nog duidelijker foto te zien. Nooit geweten dat Doren hier afkomstig is de achternaam Schaddé van Dooren en niets met dorens van doen heeft. We nemen deze informatie meteen op in het Katwijks woordenboek. Dat kan nog net, voordat het af is. Dat Vrieze Wei een verbastering is van 'Vries z'n wei', genoemd naar ene Vries van der Marel, wisten we al wel. Nee, hier zijn geen Friezen geweest. De namenkwestie wordt uitgelegd op bladzijde 138.
Ik blader nog even terug. Ja, dit is echt een heel veelzijdig boek. Tussen alle planten en dieren heeft zelfs het dialect nog een plekje gekregen, op bladzijde 128. Ik zie het brandezijgertje en het spektaekeldraedje en ook dat je iet thuis mot komme mit 'n buik mit biene ('niet thuis moet komen met een buik met benen'). De laatste uitdrukking is als waarschuwing aan meisjes bedoeld wanneer ze bijvoorbeeld met jongens naar de duinen (naar Berkheide!) gingen om niet zwanger thuis te komen. Ja, het Katwijks kan soms hard zijn in hoe het de dingen verwoordt.
Ik blader weer vooruit. Op bladzijde 199 een oude foto van 'de muur', zoals we in Katwijk de Atlantikwall noemen, van toen die nog door het water liep van een flink duinmeer. Hier heb ik toen ik jong was nog mijn eerste en laatste vorentje gevangen, daar rechts op de foto aan de overkant. Mijn vader moest hem van het haakje halen.
Een heerlijk boek. Ik moest even zoeken in de index en ja hoor, op bladzijde 188 is nog een foto van het Jan Parlebos. Het bestaat niet meer, jammer genoeg, want het was altijd een geheimzinnige plek, met die bomen in het water. Op de foto ziet de plek er nogal open uit, maar in mijn herinnering lag het meertje met de verdronken bomen in een donker dal, als het meer in de roman Oeroeg van Hella Haasse. Ja, het wordt tijd dat ik weer eens een duinwandeling maak. Daar heeft dit boek me wel toe uitgenodigd.

Ommering, G. van, G. van der Bent en R. van Rossum (red.), Bijzonder Berkheide. Katwijk, 2017. Werkgroep Berkheide / Stichting Berkheide Coepelduijnen.

zaterdag 14 januari 2017

Bandje van echtheid (vervolg)


Het bandje van echtheid zit voor in mijn kinderalbum. Het is niet het kinderalbum dat mijn ouders begonnen waren.* Toen ik een jaar of twintig was, heb ik de foto's in een nieuw album overgeplakt. In het oude album zaten ze allemaal los en door elkaar. Aan de hand van de kleren die ik aanhad, en helemaal in het begin niet aanhad, heb ik de foto's weer in de goede volgorde gezet, waarmee de chronologie van gebeurtenissen uit mijn kinderjaren werd hersteld. Gebeurtenissen? Je woonde in Katwijk, dus veel naar het strand en de duinen.

Het was nog een heel werk om al die foto's weer op volgorde te krijgen. Bij het overplakken ging het bandje van echtheid weer netjes op de eerste bladzijde. Waar het thuishoort. Het is het allereerste wat er van mij is. Mijn allereerste bewijs dat ik besta.** In het ziekenhuis werden toen nog geen foto's gemaakt, denk ik. Een andere tijd. Omdat het na alle herstelwerkzaamheden nu mijn album werd, plakte ik onder het bandje van echtheid een foto van toen ik vier was en van hoe ik er nu (in 1982) uitzag.*** Hiermee was mijn eigen album officieel bezegeld. Het was de tijd dat ik wel eens een plaat van The Doors opzette.

* Zo'n album houdt ergens op als je twaalf bent. Je ouders zijn dan al nagenoeg gestopt met foto's van je te maken. Tot je twaalfde zijn er nog wel de officiële schoolfoto's, zoals van de actie 'Snoep verstandig, eet een appel', of van Sinterklaas die langskomt, met een Piet die door de klas rent en alle kinderen die naar hem wijzen om de gekkigheid die hij uithaalt, en als laatste de foto's van de driedaagse schoolreis aan het einde van de zesde klas. Allemaal niet meer door je ouders gemaakt. Daarna gaat het hink-stap-sprong door de middelbareschooltijd, met vooral weer officiële schoolfoto's, tot de tijd dat je zelf foto's gaat maken. Het kinderalbum strandt ten slotte in lege witte bladzijden.
** Ik heb er nietjes in geslagen. Had ik de klus van het overplakken later opgepakt, dan had ik er vast zuurvrij plastic omheen gedaan. De fotohoekjes waren al wel zuurvrij, denk ik, in die tijd. De foto's zitten er in ieder geval niet aan vastgekleefd.
*** De linkerfoto is van de kleuterschool, de Juliana-kleuterschool op het Abeelplein, de rechterfoto is gemaakt in een fotohokje, nog in het oude station van Leiden.

vrijdag 26 augustus 2016

Bramen plukken – Vroege herinneringen (3)


We gingen ook bramen plukken in de duinen. Dat was aan het einde van de zomer, als ze goed dik waren. Die noemden we besuikerd. Dan vielen ze bijna van de struiken af. We zochten een dal waar heel veel van die besuikerde bramen waren. Dan had je zo een emmer vol. We gingen dan met z'n allen in dat dal langs de hellingen plukken met allemaal een eigen bakje en zetten de emmer in het midden waar we dan die bakjes in leegden. Maar soms had je alleen maar eentjes of tweetjes of drietjes. Dan had zo'n braam maar een, twee of drie besjes. Dan ging het niet zo hard.


We gingen wel eens stiekem in de zeereep. Daar mocht je niet komen, maar daar stonden wel heel veel bramen. Je kon er de duinwachter tegenkomen. Dan moest je rennen en gauw weer over het prikkeldraad, want anders pikte die duinwachter je volle emmer in en had je voor niks al die bramen lopen zoeken.
De braamstruiken prikten ook altijd heel erg aan je vingers. Als de zon heel heet was, deed je een zakdoek op je hoofd, met knopen op de hoeken. Je kwam ook wel eens thuis van het bramen plukken en dan zat je broek helemaal vol met klitten aan de onderkant. Als je een meisje was met lang haar, had je soms klitten in je haar. Die gingen er heel moeilijk uit. Dan moest je het haar eruit knippen. Op het fietspad waren allemaal paarse vlekken, van bramen die uit de emmers gevallen waren.
Mijn moeder kookte sap van de bramen en die kreeg je dan de hele winter in de gele vla, maar dan moest je wel eerst je eten opeten.

Met dank aan Lenny Haasnoot voor de foto's.

zaterdag 2 april 2016

Na de reünie


Na de reünie, op die zomerse middag op het plein van m'n ouwe school, namen Jan en José me op sleeptouw. Naar de duinen. Anders zou ik in een gat vallen. Ja, ik lach wel op die foto met m'n oude klas, maar net twee maanden daarvoor lag ik nog met een dubbele maagzweer in het ziekenhuis. Na een lange rit met de taxi, waarbij ik het bewustzijn al bijna begon te verliezen, strompelde ik begin april 2003 het ziekenhuis binnen. De waarde van mijn Hb was gezakt naar 5.* Ik kon nog net op tijd op de grote rode knop naast de deur van de EHBO drukken, viel als het ware naar binnen, en werd meteen op een brancard gelegd. Ik denk dat ik daar nog wel zelf op ging liggen, maar daarbij  ook geholpen werd. Van wat daarna gebeurde, weet ik niets meer. Ik werd wakker in een bed met allemaal slangen aan mijn lichaam en ernaast een standaard met twee zakken bloed en een zak met een maagzuurremmer. In de middeleeuwen zou je hieraan doodgegaan zijn. Ik lag een week in het ziekenhuis. Toen de wonden van de maagzweer dicht waren,* mocht ik weer langzaam eten en moest ik wachten tot mijn poep weer de gewone kleur kreeg. Bij een maagzweer is die gitzwart door het verteerde bloed dat meekomt uit de maag. Ik kreeg veel bezoek en Korrie en Willem verzorgden de poezen. Ondertussen, in die week in het ziekenhuis, was ik me er goed van bewust geraakt dat het maar een haartje gescheeld had of ik was er niet meer geweest. Vanaf het moment dat ik weer naar buiten mocht zou ik mijn leven drastisch omgooien.

Direct uit het ziekenhuis kocht ik nieuwe kleren, maar die pasten me al gauw niet meer, omdat ik in het ziekenhuis kilo's afgevallen was. Dat was behoorlijk stom van me. Ik kocht een nieuwe fiets, een toerfiets met achttien versnellingen, waarvan ik er al gauw niet meer dan vier kon gebruiken. Koop nooit een Giant, het is rotzooi.


Maar die middag, die namiddag, moet ik zeggen, die mooie zomerse namiddag, na de reünie, in de duinen met Jan en José, vergeet ik nooit meer. We liepen er over de Muur en boven op een duintop zagen we herten.

Ook deze foto's, van na de reünie, zijn weer uit de analoge tijd. Je bent er wel even naar op zoek. Ze zitten allemaal in dozen, foto's waar je al die tijd niks mee deed, want bloggen bestond nog niet. Je bladerde die dozen eens door, zo af en toe, misschien één keer in het jaar. Dan kwam er weer een beetje lucht tussen, of als je natte vingers had, omdat je net je handen had afgedroogd en ze toch nog nat waren, zaten er het jaar erna een paar aan mekaar. Die moest je dan weer losweken onder de kraan en drogen in het afwasrek. Dat was toen. Nu zit het allemaal op een kaartje, in je fototoestel, en in de computer. Wie drukt er nog af? Ze zijn er rijk van geworden, de fotografen, in de laatste jaren vooral de HEMA. Nu hou je geld over, zou je zeggen. Als bijvoorbeeld de gemeentelijke belastingen niet ieder jaar omhooggingen. Want dat weten ze hoor, bij de instanties, dat jij je foto's niet meer allemaal hoeft af te laten drukken om er met een glimlach doorheen te bladeren.

* Dan verlies je bijna het bewustzijn. De minimale waarde voor een man is 8,5 en voor een vrouw 7,5.
** Die wonden gaan dicht door een maagzuurremmer die een soort laagje op je maagwand maakt. Daarna krijg je nog een kuur van twee soorten antibiotica om de heliobacter pylori-bacterie te bestrijden. Die kuur gaat nog door als je het ziekenhuis al verlaten hebt.

donderdag 17 september 2015

Op het schrijversstrand (12) – Andersen

Hans Christian Andersen – Foto: Thora Hallager, 1869.

Dit is geen sprookje. In 1866 was de Deense schrijver Hans Christian Andersen op het schrijversstrand. Hij was daar met Johannes Kneppelhout, onder andere om er de uitwateringssluizen te bewonderen. Hij schrijft erover in een brief aan Henriette Collin:

Aan Henriette Collin
Den Haag, 22 maart 1866

Lieve mevrouw Collin!

Hedenmorgen nog zal ik in een keer van Den Haag naar Antwerpen reizen en vandaar verder over Brussel naar Parijs, waar ik tegen het eind van de maand verwacht te arriveren, zodat ik twee april in Parijs kan doorbrengen waar ik bij de Deense Delegatie brieven van mijn vrienden en vriendinnen hoop te vinden, die aan mijn feestdag hebben gedacht. Vanuit Leiden heb ik een brief gestuurd aan Hartmann en daarbij een korte brief aan uw man gevoegd, zodat hij, u en mijn vrienden binnen uw familie zouden kunnen lezen hoe het met me ging. Hij heeft dat briefje vast gekregen. Ik weet niet of ik daarin verteld heb van het mooie uitstapje dat ik met Kneppelhout gemaakt heb naar de duinen van Katwijk, waar ik de geweldige sluizen heb gezien waardoor de Rijn de zee instroomt. (...)

Een hartelijke groet H.C. Andersen

Dat 'uitstapje' moet in de dagen voor zondag 18 maart 1866 hebben plaatsgevonden. Andersen verblijft dan een paar dagen in Leiden bij Kneppelhout.


De zeesluizen bij Katwijk waren in de tijd dat Andersen ze bezocht al ruim een halve eeuw in bedrijf maar nog steeds een grote bezienswaardigheid en interessant genoeg om aan buitenlandse bezoekers te laten zien. In 1804 was begonnen met de aanleg ervan en in 1807 werden ze in aanwezigheid van koning Lodewijk Napoleon in gebruik gesteld. Zijn grote broer Napoleon Bonaparte was zelfs ook nog komen kijken, op 24 oktober 1811.

Bron: Hans Christian Andersen, Nooit rijk, nooit tevreden, nooit verliefd. Een keuze uit zijn dagboeken en brieven. Bezorgd, vertaald, van noten en een voorwoord voorzien door Edith Koenders. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1998, pp. 205-208. Privé-domein Nr. 225.

Met dank aan Willem van der Plas voor de tip.

maandag 15 september 2014

Op het schrijversstrand (6)


Kijk, de bungalow van de gemeentesecretaris staat er nog steeds, boven op het duin, waar Maarten ooit z'n meisje ophaalde. Wacht, we halen 'm even dichterbij.


Wordt het niet tijd voor een plaquette, naast de voordeur?

Ook al is het verhaal net even anders. Of toch niet... Dan heeft de schrijver het wat aangedikt. Het staat in de bundel Het roer kan nog zesmaal om, in het verhaal 'De man Gods uit Juda'. Het blijkt daarin niet om de dochter van de gemeentesecretaris te gaan maar om de dochter van een ouderling. De schrijver vertelt dat toen hij ging studeren in Leiden zijn oom eens moest preken in Katwijk en hij en zijn tante met hem meegingen. Na de kerkdienst gaan ze koffiedrinken. Die wordt 'ditmaal geserveerd bij een ouderling die een riante bungalow op een duintop bewoonde. Dadelijk nadat wij de woonkamer binnenkwamen, zag ik dat er een levensgroot naakt aan het schone metselwerk hing. Mijn tante verbleekte, ging er demonstratief met haar rug naartoe zitten, trok mijn oom haastig naast zich zodat hij niet in velerlei verzoeking zou worden geleid. Voor mij restte toen slechts een plaats tegenover het schilderij, maar ik had er nauwelijks oog voor, keek alleen maar naar de donkere, fraaie, nogal droevig en melancholiek ogende dochter – een meisje van mijn leeftijd [...].' Later maken de families een strandwandeling en lukt het Maarten om met het meisje door wat sneller te lopen ver vooruit te komen, los van de groep. Maarten is verliefd op het meisje, maar kan haar niet krijgen, want ze heeft al een verkering, maar dat ligt allemaal heel ingewikkeld, want er is een kerkscheuring aan de gang en die verkering is daardoor in de andere groep terechtgekomen, aan de andere kant van de scheur.

Maar goed, ze lopen over het schrijversstrand. Zoveel is zeker. En de bungalow, waar de schrijver door de blik van de dochter van de ouderling gevangen werd, is er ook nog steeds. Toch maar een plaquette?

Bron: Maarten 't Hart, 'De man Gods uit Juda', in: Het roer kan nog zesmaal om. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1984, pp. 198-246.

Met dank aan Peter van Duijvenboden voor het aanreiken van de bron.

zaterdag 13 september 2014

Op het schrijversstrand (5)


En Maarten 't Hart had ooit verkering met de dochter van de gemeentesecretaris, lees ik op Facebook. Dan zullen ze ook wel op het strand geweest zijn, of in de duinen...

Met dank aan Gerard Brouwer, die mij hierover tipte vanmiddag.

vrijdag 9 mei 2014

M'n eerste vorentje


Hier, achter deze muur, had je toen een groot water en ving ik m'n eerste vorentje. Het was ook meteen m'n laatste vorentje, en m'n vader moest 'm van het haakje halen. Dat moet 25 jaar na de oorlog geweest zijn.

zondag 26 mei 2013

Meren in Meijendel


Een groot meer...


Eentje met een duikplank. O nee..., een aanlegsteiger.


En eentje die me altijd aan het meer in Oeroeg doet denken, van Hella Haasse.

dinsdag 29 mei 2012

Vroege herinneringen

'en wist niet beter dan dat 't nooit voorbij zou gaan'
(HET DORP – Jean Ferrat / Hugo Verhage / Wim Sonneveld)

'dat daar m'n jeugd voorbijging'
(TERUG NAAR DE KUST – Theun de Winter / Maggie MacNeal)


We woonden in een huis met een plat dak. Dat noemden we 'het platte dak'. Want je had ook nog een puntdak, met pannen. Je had het puntdak met pannen, en dan het platte dak. Niet een plat dak dus over het hele huis, als een deksel op een koektrommel. Nee, je had een puntdak, met aan weerszijden pannen, schuin aflopend naar de voor- en achterkant van het huis, en dan verdiept in het schuine pannendak aan de achterkant een deur, en door die deur kwam je dan vanaf de zolder op het platte dak.

Op het platte dak

In het begin was er een afzetting van gaas, ruiten, dat zie je op de eerste foto's van het platte dak. Maar algauw kwamen daar planken tegenaan van oude pallets, met ook nog plastic golfplaten ertussen. Als je op je tenen stond, kon je daaroverheen kijken. Toen de golfplaten wat seizoenen achter de rug hadden, braken er stukken af aan de bovenkant. Ik weet niet of dat door ons kwam. Mijn zus moest nog meer op haar tenen staan om over de rand te kijken dan ik, want ze was jonger en kleiner.
Door die afzetting was het wel veilig, want het was een hoog dak, het platte dak. Je keek over alle huizen heen. Ik weet nog dat ik er plantjes in een bak liet groeien, afrikaantjes, die zo raar ruiken. En dat ik een konijn had, in een hok met stro. Ik gaf het konijn gras en het had een naam, maar die weet ik niet meer. Snuf of zo. Op een gegeven moment was het konijn er opeens niet meer. Zo gaat dat met konijnen, heb ik later begrepen. Ik had het konijn gehad toen ik een keer een weekje mee mocht met mijn vader op de boot van zijn werk. Die boot ging toen ergens aan de kant liggen onderweg en toen kreeg ik dat konijn van een man die bij mijn vader werkte en die daar woonde. Ik denk dat die man nog wel meer konijnen had.
Als het regende, en dan had het wel heel hard geregend, moesten we daarna altijd vegen, want dan liep het water niet weg van het platte dak. Dat kwam omdat de balken van de zolder van de kamer eronder doorgezakt waren in het midden. Misschien door de zware tegels die er op het dak lagen. Die lagen er in het begin nog niet. Toen lagen er nog groene planken. Soms moest je al vegen als het nog regende. Dan hield het niet op met regenen en deden we gele zuidwesters op. We veegden het water dan naar de hoek waar de regenpijp uit het dak naar beneden liep. Het was zo veel water dat je het beneden op de straat kon horen kletteren.
Niemand kon je zien op het platte dak, omdat het hoger lag dan de huizen eromheen. Als je wilde, kon je er gewoon in je blootje lopen. Maar dat deed je niet natuurlijk.
Door de deur in het schuine pannendak kwam je weer terug op de zolder. Het was een hoge drempel. Rechts stond de wasmachine en dan kwam de trap naar beneden, een hele steile trap.
Voorbij het trapgat was het gordijn. Niet een gordijn met een raam erachter, om door naar buiten te kijken, maar een gordijn waar spullen achter lagen. Die spullen lagen dan tegen de schuine dakkant. Ze lagen dan 'achter het gordijn'. Zo noemde je dat. Dan kon je iets niet vinden en dan was het: 'Kijk maar achter het gordijn.' Of: 'Misschien ligt het wel achter het gordijn.' Daar lag dan een emmer bijvoorbeeld, of de boormachine of ander gereedschap of spullen die je nooit nodig had.

In de winter was de zolder heel groot. Dan kon je er spelen. We hadden beneden in het huis ook wel een eigen kamer, maar op de zolder was het groter om te spelen. Er was ook een gaatje, in een plank van de vloer. Daar stopten we centen en stuivers in, en legoblokjes, als ze erin pasten. Maar je kreeg dat geld en die blokjes er niet meer uit, dus dat was best wel stom eigenlijk. Het was een soort geheim gat, op die hele grote zolder. Er lagen sisal matten. En er was een raam op het westen met een hele lage vensterbank. Daarachter was het heel diep naar beneden. We moesten daarom altijd uit de buurt blijven van dat raam en mochten het nooit opendoen. Maar als het schoongemaakt moest worden, ging je vader of moeder daar gewoon uit hangen. Of op de vensterbank staan en dan met één hand aan het kozijn en dan met de andere hand water gooien en daarna de ruit droogtrekken met een trekker met een zemen lap erover. Die viel dan soms op de straat. En dan moesten ze hem gaan halen.
Het kon heel erg stormen in de winter. Omdat het huis op de hoek van de straat stond en heel hoog was, voelde je de wind dan tegen de westmuur beuken. Je durfde dan niet bij die muur in de buurt te komen. Dat was de muur naast het raam waar je vandaan moest blijven. De planken van de zolder kraakten als het stormde en het leek wel of het hele dak bewoog, zo bulderde en dreunde het.
Als het zo waaide, kreeg ik altijd oorontsteking. Toen heeft de dokter een keer te sterke bruisdruppels voorgeschreven waardoor mijn trommelvlies klapte. De dokters van het ziekenhuis hebben toen twee keer geprobeerd mijn trommelvlies te repareren maar dat is niet gelukt. Later hoorde ik dat ze tijdens de operatie ruzie gekregen hadden, gewoon boven mijn hoofd, en toen mijn oor maar gauw hebben dichtgemaakt. Daardoor zitten hamer, aambeeld en stijgbeugel aan elkaar verkleefd waardoor ik helemaal niks meer hoor.

In de zomer 'verhuisden' we naar de zolder. Zo noemden we dat. Dan kwamen de badgasten. Die moesten dan op onze kamers, van mij en van mijn zus en van mijn vader en moeder. Dat begon al in april. Dan kwamen de 'bussenmensen'. Dat waren Duitsers die al oud waren. En die gingen dan naar de Keukenhof, naar de tulpen kijken. Als ze weggingen, kregen we dan altijd repen chocola. Met Duitse woorden erop. Soms was er wel eens een Duitser met één been. Het andere been was hij dan kwijtgeraakt in de oorlog. Soms had je ze ook met alleen nog een stompje arm uit hun schouder. Daar hing dan een losse mouw van een overhemd over. Keurig in de vouw gestreken. De manchet van de mouw werd in de broek gestopt. Of de mouw zat vastgespeld.
In juni kreeg je dan de Duitsers die zomervakantie hadden en naar het strand gingen. Hele gezinnen waren dat. Ze kwamen meestal uit het Ruhrgebied, waar alleen maar fabrieken stonden, met vieze lucht. Hier hadden ze schone lucht, bij de zee. Sommige families, zoals de familie Schaf (je spreekt dat uit als 'sjaaf'), kwamen ieder jaar terug. Daar deden mijn ouders dan extra aardig tegen. Tenminste, dat leek zo.
Je had ook 'eenlingen'. Zo noemde mijn moeder die. Die waren altijd een beetje apart, een beetje raar. Want wie ging er nou alleen op vakantie. Ik ben een keer per ongeluk zo'n kamer binnengelopen waar een eenling zat. Ik schrok en kreeg een rood hoofd en trok gauw de deur weer dicht. Je mocht natuurlijk nooit bij de kamers van de badgasten naar binnen gaan. Maar als je de hele winter gewend was geraakt aan je eigen kamer en daar zaten dan opeens Duitsers in in het voorjaar, dan kon je je natuurlijk wel eens vergissen. De Duitsers stonken ook altijd heel erg op de wc. Ze hadden ook altijd hele sterke luchtjes op. Maar daar kon je niks tegen doen.
Mijn moeder noemde de Duitsers ook wel eens 'Frühstückers'. Omdat ze 's ochtends Frühstück kregen zeker? Dat is ontbijt in het Duits. Ze werden ook wel 'slapers' genoemd. Want slapen deden ze ook natuurlijk. Ze kregen altijd kaas en twee soorten worst. Meestal boterhammenworst en ham, of ook wel eens cervelaatworst of leverkaas, met zo'n wit vetrandje, maar altijd twee soorten. En er stond jam op tafel, ook twee soorten, aardbeien- en abrikozenjam. En ze kregen roomboter en King Corn-brood, bruin en wit. De jam en de roomboter gingen in van die bakjes van Arcopal. Dat was een soort onbreekbaar glas dat er wit uitzag met bloemen erop. Maar het kón wel breken, maar dan lag het gelijk in duizend stukjes, maar dat gebeurde eigenlijk nooit. Als het Frühstück afgelopen was, kwam alles weer terug naar de keuken. Mijn zus en ik mochten dan de roomboter opmaken op ons brood. Dat deden we er dan heel dik op, met bruine suiker of hagelslag.
We hadden ook een keer een hele voetbalploeg te logeren uit Duitsland. Die gingen dan overdag trainen op het strand en dan moesten ze 's avonds allemaal een voor een douchen. Dat duurde heel lang bij elkaar en dan was alles nat. Niet alleen de douche maar ook de vloer van de gang, van het uit de douche lopen. De douche lag dan vol met zand van het strand en mijn moeder werd dan helemaal gek. En dan ook nog al die bedden opmaken iedere ochtend, en als ze weer weg waren naar hun eigen huis, al dat wasgoed, al die lakens en slopen en handdoeken. Van het elftal gingen er vier op de voorkamer, drie op de achterkamer en op de kamers van mijn zus en mij elk twee spelers, in allebei de kamers één op het onderschuifbed. Ja, er waren heel veel bedden in huis. Je kon er wel een winkel mee beginnen. Ik tel er met die van ons erbij gauw al veertien: een tweepersoonsbed voor mijn vader en moeder, de bedden van mijn zus en mij en dan de bedden van het logerende elftal. Allemaal bedden met van die grijze doorlopende buizen op het eind. De onderschuifbedden hadden dat ook, maar die konden ingeklapt worden. Dan pasten ze precies onder de gewone bedden. Die onderschuifbedden bleven gewoon op de kamer, ook als er een eenling sliep, en als er dan twee Duitsers waren, werd het onderschuifbed tevoorschijn gehaald en opgeklapt.

Ik sliep op zolder bij de dakkapel, naast het gangetje met de deur naar het platte dak. Mijn zus sliep onder het schuine dak tegen de muur naast het raam waar we niet te dicht bij mochten komen. Onze ouders lagen aan de overkant, onder de schuine kant aan de voorkant van het huis. We sliepen in de zomer dan dus allemaal bij elkaar op de zolder, maar er waren wel gordijnen tussen. Dan leken het net kamers. Soms hoorde je je vader snurken en als er 's nachts een van ons moest overgeven, kon je dat ook horen.
Ik ging wel eens slaapwandelen, hebben mijn vader en moeder een keer verteld. Dan stond ik slapend ergens in een hoek van de zolder te plassen. Ze hebben me toen wakker gemaakt en weer in bed gestopt. Misschien dat ze me eerst nog naar de wc gebracht hebben voordat ik weer in bed ging, of op een emmer hebben laten plassen. Dat weet ik niet meer.
Ik weet nog wel dat ik een keer midden in de nacht uit het raam van de dakkapel geklommen ben. Om de dakkapel heen kon je dan schuin omhoog over de pannen naar de nok van het dak klimmen. Dan kon je over het randje kijken en dan zag je de schuine kant naar de straat toe. Ik ben toen met mijn benen aan weerskanten van de nok gaan zitten om naar de sterren te kijken, maar toen ik de diepte van de straat zag, ben ik zo geschrokken dat ik weer heel gauw achteruit teruggegaan ben en door het raam van de dakkapel naar binnen. Heel stilletjes ben ik toen weer in mijn bed gekropen en heb nog lang na liggen denken en mezelf beloofd nooit meer zoiets te doen. Mijn zus moet al geslapen hebben toen ik naar buiten geklommen ben, en mijn vader en moeder zullen nog beneden zijn geweest, verwikkeld in een belangstellend gesprek met de badgasten. Toen ik mijn zus later het verhaal vertelde, vertelde zij dat ik wel een keer uit een ander raam gevallen was aan de voorkant van het huis. Of ik dat nog wist. Maar dat was niet waar. Dat was een grapje. Maar ik vond het geen leuk grapje. Wel was er op de andere hoek van ons huizenblok – wij woonden op de ene hoek en andere mensen op de andere hoek – een keer een jongen uit dat raam gevallen waar wij op de zolder niet te dicht bij mochten komen. Hij was naar het ziekenhuis gebracht en zijn neus was kapot maar hij leefde nog wel.

Het huis met het platte dak, met rechts de 'hoogtetjes'

Onder ons huis had je nog een huis. Daar woonden de onderburen, en de vader van dat gezin was wegenwacht. Hij had zo'n geel autootje. De onderburen hadden 's zomers ook slapers, maar dan gingen ze zelf met z'n allen in de schuur slapen, want ze hadden natuurlijk geen zolder, zoals wij. Vanaf het balkon bij onze keuken kon je ze zo zien zitten in de schuur. Je kon alleen vanaf het balkon of uit de keuken kijken, want in de achterkamer, naast de keuken, zaten natuurlijk Duitsers, dus daar kon je niet kijken. Je kon ook kijken vanaf het platte dak, boven de achterkamer en de keuken, maar dat was hoger. De kinderen van de onderburen hadden ook Duitsers in hun eigen kamer.
Onder de onderburen was een hele lange garage, tot helemaal onder het schuurtje van de onderburen door. Daar stonden vrachtwagens in en er lagen aardappelen. Eén keer stond er ook een paard en die sloeg de hele nacht met zijn hoeven tegen de muur.

Door die onderburen en die garage daar weer onder had ons huis (vanuit de hal van het woongedeelte gezien) een hele lange trap naar beneden, in twee gedeeltes, een kort stukje boven in een bocht en dan een lang recht stuk beneden tot in de hal bij de voordeur. Je probeerde dan als je naar beneden ging op dat rechte stuk zo veel mogelijk treden achteruit naar boven te nemen en dan je handen ver vooruit op de leuningen te zetten en dan in één keer in de hal te springen. De sprong was zo groot en je kwam zo hard terecht dat je temet je benen brak. Het was een hele grote hal, die hal bij de voordeur. Daar ging ik altijd spelen met de zoon van de familie Schaf. Die had heel veel plastic soldaatjes. Groene en lichtgroene en een kleur daartussenin, een soort groenbruin. De groene waren de Amerikanen. Die hadden een gewone helm. De lichtgroene waren de Engelsen. Die hadden een soort diep bord als helm. Het kan ook zijn dat de lichtgroene de Amerikanen waren en de groene de Engelsen, dat weet ik niet meer. Groenbruin waren de Duitsers. Die hadden een helm met van die flappen opzij. Gek dat die Duitsers hier zo door de straten hadden gelopen. De zoon van de familie Schaf had ook nog Leopard-tanks. Hij had echt heel veel speelgoed. Die Leopard-tanks hebben we later nog van de Duitsers gekocht. Ik had mijn legoblokken en auto's. Soms moesten we een beetje opzij met ons speelgoed, als er iemand door de voordeur naar binnen kwam. Dat gebeurde meestal onverwachts, omdat er een touwtje uit de brievenbus hing en je gewoon naar binnen kon zonder aan te bellen. Als de voordeur dan weer dicht was, konden we alle soldaatjes, legoforten, tanks en auto's weer terugzetten. Met die auto's kon je ook op het kleed spelen dat in de hal lag boven in het huis. Dat kleed hadden mijn vader en moeder gemaakt, een keer in de winter. Ze hadden er heel lang over gedaan. Het kleed was bruingrijs en er waren langs de kant drie zwarte lijnen waar je dan met de auto's tussenin kon rijden. Bij de hoeken kon je helemaal niks met die auto's, want daar raakten de lijnen in de war en waren er ook hele grote bloemen. In het midden van het kleed waren helemaal geen lijnen of bloemen. Daar was het helemaal bruingrijs. Daar kon je dan huizen van de lego bouwen. Ook op de achterkamer kon je goed met auto's rijden, want daar had je een hele lange vensterbank van langwerpige grijze tegels. Daar kon je dan met je auto's overheen rijden. Door de cementvoegen was het net of je over een oude rijksstraatweg van betonplaten reed.

Tussen de hal en de huiskamer was een heel groot raam. Daarom leek het huis vanbinnen heel groot. Je kon uit de hal zo in de huiskamer kijken en van de huiskamer in de hal. Overal had je grote ramen, ook om naar buiten te kijken.
De deuren van het huis hadden allemaal verschillende kleuren. Ik weet nog van de grijze deuren van de slaapkamers, de blauwe deur van de wc en de gele van de douche en ik denk ook van de keuken, maar het kan ook anders zijn. Mijn zus rende altijd achter mij aan door het huis. Ze wilde altijd met mij spelen, maar dat wilde ik niet altijd. Toen rende ik een keer mijn kamer in, of uit, en toen kwam ze achter me aan en toen kwam haar vinger tussen de deur. Dat was heel erg, want ze was nog klein en het topje van haar vinger was eraf. Nou, eraf, niet helemaal, want het zat nog met een heel klein velletje vast, maar het hing er wel naast. Mijn moeder heeft toen met een handdoek om haar vinger het topje op die vinger gehouden en toen hebben ze het gelukkig in het ziekenhuis weer eraan vastgemaakt.

Met Trix op schoot bij opa

Als opa en oma langskwamen op visite mocht je altijd nog even opblijven in je pyjama. Je mocht dan bij opa op schoot zitten en ze hadden Trix, de hond, mee. Ik had ook een oma zonder opa en ook nog een oma die in klederdracht liep. Dat vond je heel gewoon, want dat waren haar gewone kleren. Ze had ook een vriendin die in klederdracht liep.

Met de drie oma's en een vriendin en als tweede van links Trix
en het bruingrijze kleed dat later in de hal lag

Toen we televisie kregen, mochten we naar Pipo de Clown kijken, met Mamaloe en Klukkluk en de Dikke Deur en het ezeltje Nononono. En naar Swiebertje, met Saartje en Bromsnor en Malle Pietje. En je had ook Floris, met Sindala, en Paulus de Boskabouter.

Soms sneeuwde het. Ik weet nog van een winter dat er toen hele hoge sneeuw lag en dat we gangetjes schepten van de ene voordeur naar de andere voordeur in de straat, zo hoog lag het. Ook op het platte dak. Toen ik al wat groter was, gingen we met plastic pvc-pijpen pijltjes schieten naar beneden. Het platte dak was dan net een fort. Beneden stonden dan jongens pijltjes omhoog te schieten. We deden ook spelden in de punten van de pijltjes of doopten ze in de inkt. Die pijltjes draaiden we van stroken glad tijdschriftenpapier. Die scheurden we van de Libelle en de Margriet en de Panorama.
Beneden hoorde je ook altijd rolschaatsen. Ze gingen dan met de rolschaatsen van de 'hoogtetjes' af rijden. De hoogtetjes waren de trapjes en fietsbanen die naar de schuren van de huizen onder ons en naast ons gingen. Het is heel moeilijk uit te leggen zonder een plaatje. Je kon met de fiets of met een kinderwagen aan de hand omhoog en omlaag en dan zelf op de trapjes lopen. Zo was het ongeveer bedoeld. Maar ze gingen er ook vanaf rolschaatsen en dan vielen ze altijd en dat hoorde je dan.
In de zomer zag je ook wel eens vliegtuigjes boven het platte dak, die 7UP schreven in de lucht, maar wij hadden nog nooit in een vliegtuig gezeten.

Uit het raam waar je niet te dichtbij mocht komen, kon je 's zomers het vuurwerk zien. Dan mocht je opblijven. Toen we groter waren, gingen we zelf naar het vuurwerk toe lopen. Dat was aan de boulevard. Aan het eind had je dan altijd een bord met letters die vuur spuitten. En helemaal aan het eind een hele harde knal. Dat betekende dat het vuurwerk was afgelopen. Alle mensen gingen dan allemaal tegelijk teruglopen naar huis.

Als mijn moeder de badgasten deed in de zomer en wij hadden vakantie van school, dan gingen we altijd heel vroeg alvast het schermpje opzetten op het strand. Dan had je een plekje. We lieten het schermpje dan gewoon staan als we het hadden neergezet en gingen dan weer naar huis en later weer terug met onze moeder. We gingen dan een dijk scheppen om onze plek en ook zand tegen de onderkant van het schermpje, dat het niet wegwaaide. 's Middags kregen we dan een Split, een vanille-ijsje op een stokje met waterijs met sinaasappelsmaak eromheen. We maakten dijken in het zwinnetje, een soort stuwdammen, en als het water achter de stuwdam dan te hoog werd, maakten we een gat in de dam en dan had je een stroomversnelling. Of we maakten een hoge berg en dan probeerden we die zo lang mogelijk boven water te houden als de vloed kwam. Maar de zee won altijd. We maakten ook wel eens een kuil, zo diep tot we water hadden. Dan kon je er bijna niet meer uit klimmen.

In het zwinnetje

Soms was er een lange loopplank met een grote witte boot. Die boot ging naar de Deiningmeter. Dat was een lange paal die heel ver in zee in het water stond. Daar ging de boot dan omheen en dan weer terug naar het strand. Naast de Deiningmeter was het Remeiland. In de boot zaten allemaal Duitsers. Als we naar het strand gingen met het schermpje, namen we ook altijd de schep mee en daar ging je dan mee over de straat slepen. Dat maakte herrie.
Als je naar het strand ging, kwam je eerst langs het huis van Jenneke, waar we wel eens mee speelden in het zomerhuis, en dan verderop langs het huis van grote Jaap en kleine Jaap. Twee Japen in één huis. Die moesten vernoemd worden en die hadden twee opa's die Jaap heetten en dus kreeg eerst de ene Jaap de naam van de ene opa en toen later de andere Jaap de naam van de andere opa. Grote en kleine Jaap en hun vader en moeder zaten altijd aan de hoogte. Als je het strand op kwam, kwam je altijd langs ze. Ze waren poepbruin van de zon.
Soms, als het aan het einde van de zomer was, gingen ze garnalen vissen. Dan kwam er een wagentje met een hele hoge ketel op het strand met een vuur daaronder. En daar kookten ze dan water in en daar gingen dan die garnalen in. En dan kwamen de mensen met emmertjes en pannen en dan kon je ze vers kopen. En dan gingen we thuis garnalen pellen.

Met de schep op het strand

Om de hoek van de straat had je de groenteboer, Ger, met haar man Jacob. Je ging door een poort en dan over een erf en dan was er een grote schuur met openstaande deuren en daar verkochten ze de groenten. Ger brouwde als ze praatte. Ze had ook allemaal centen in een grote glazen pot, voor als ze wisselgeld tekortkwam. Een eindje verderop, op de hoek, had je Van Egmond, de bakker. Die moest later zijn huis en de winkel verkopen, omdat hij alles vergokt had. Ik moest daar altijd een brood halen en at dan onderweg het kontje op. Als het melkwit was, dan was dat helemaal lekker. We hadden ook een keer een peuk in het brood. Hoe verder je in het brood ging, hoe duidelijker die peuk tevoorschijn kwam. Aan het begin zag je nog alleen een heel vaag grijs plekje, maar bij de volgende sneden werd die plek steeds grijzer, tot hij zwart was. De bakker had zijn peuk in het deeg laten vallen. Toen gingen we terug om dat te zeggen en konden we een ander brood krijgen. Je moest ook wel eens terug naar huis als je bij de bakker of de groenteboer was en je had te kort geld. Je kreeg dan pas je brood of je groente mee als je die twee of drie centen was wezen brengen.
Aan de overkant van de bakker had je een lange, smalle radiozaak, en dan verderop, ook weer op een hoek, de A&O-winkel. Het was allemaal dichtbij en overzichtelijk.
Op een andere hoek, vlakbij, had je Jaap de kapper. Daar mochten we nooit heen, want dat was een dure kapper. We moesten altijd naar Bedeker op de Voorstraat, maar die knipte ouderwets, een 'bloempotkapsel'. En dan gingen we toch af en toe naar Jaap de kapper. Die knipte altijd heel modern – 'in model' noemde je dat –, maar liet er ook veel haar aan zitten. Dan was er bijna niks af en moest je weer heel gauw terug om weer geknipt te worden en dan verdiende hij nog meer. Hij had ook een hele grote auto voor de deur staan, een Citroën GS, en later een CX. Ik speelde altijd met Marijke, de dochter van de kapper. Er was ook nog een kapper in de Badstraat, maar die trok heel hard aan je hoofd.
Als je vanuit huis bij de hoek van Jaap de kapper omlaag ging en dan links in een van die straatjes, weer een beetje naar rechts, dan had je daar een kaasboertje in een piepklein winkeltje met een belletje.
In onze straat had je ook nog de 'witkoppen'. Zo noemden we de kinderen van de peenboer, omdat ze allebei heel wit haar hadden. Die hadden in de schuur een keer een film en dan mocht je voor een kwartje kijken, maar het was geen bewegende film. Verderop had je ook nog de grote jongens. Die gingen altijd pesten en die wilde je dus niet tegenkomen. Daar bleef je dan bij uit de buurt.
Aan het einde van de straat had je de garage van De Jong, met allemaal van die grote Citroëns op een gegeven moment, GS'en en CX'en en dat soort letters allemaal, maar ook heel veel lelijke eendjes. Bij De Jong kwam ook de Citroën van de kapper vandaan en ze hadden ook taxi's.
Een stukje verderop was de kalkfabriek, waar ze schelpen brandden om kalk van te maken. Daar werden de ramen altijd vies van als de wind de verkeerde kant op stond. Toen de kalkfabriek wegging, kon je er in de winter naar beneden sleeën.

Met oma en mijn neef in de kinderwagen en daarachter
het veld en de kalkfabriek

Er werd nog veel meer afgebroken in de buurt. Allemaal oude huizen en schuren. We keken daar op uit waar al die huizen afgebroken werden en we noemden dat 'het veld'. We gingen altijd hutten bouwen op het veld en dan haalden we spijkers bij de ijzerwinkel van Oudshoorn. Hele dozen spijkers. En dan gingen we in de huizen en schuren die afgebroken werden planken halen en naar het veld slepen. We hadden een keer een hut gebouwd die tweehoog was. We gingen ook fikkie steken op het veld, maar ook op het strand. Gewoon planken die we vonden en 's winters kerstbomen en we gooiden ook spuitbussen op het vuur, die ontploften.
Ik weet nog dat er een keer een brand was in een van die oude huisjes bij het veld en dat mijn vader toen vroeg of de brandweer even tegen de ramen kon spuiten. Dan hoefde hij een keertje minder uit het raam te hangen. Nou, en dat deed de brandweer toen. De ramen werden toen bijna het huis in geblazen, zo hard was die straal.
Als er nieuwe huizen gebouwd werden, kwam er ook een nieuwe straat, met nieuwe straatstenen, van die zware, roze stenen. Daar gingen we kastelen van bouwen, door ze in de rondte te stapelen. Eigenlijk waren het meer lage torens, waar je dan op een gegeven moment niet meer in kon staan als ze te hoog werden. En dan gingen we ze omgooien.

Vanaf het platte dak kon je op de erven van de huizen beneden kijken. Op een van die erven zat altijd een ongelukkig meisje in een karretje. Dat vonden we heel eng maar af en toe praatten we wel tegen dat meisje. Ze moest naar een aparte school op het Zeehospitium.

Als je naar school ging, ging je over de hoogtetjes omhoog en dan moest je over een muurtje omlaag springen en dan ging je door een slop en dan haalde ik eerst Jantje op en dan waren we er bijna. Er was een hele grote boom op het plein en daar gingen we dan in een hele lange slinger omheen en dan zongen we: 'De boom, die wordt al dikker, al dikker, de boom, die wordt al dikker, al dikker, de boom, die w...' En zo ging dat nog een tijdje door tot we er allemaal omheen waren. Als het kerstfeest was, was er binnen een hele grote kerstboom in de gymzaal, tot het dak. En dan kreeg je allemaal een boek met een spannend verhaal erin. En een sinaasappel en kerstkransjes van chocola.
Toen ik naar de grote school ging, hoefde ik Jantje niet meer op te halen, want die ging naar een andere grote school.

Vanaf de bovenkant van de hoogtetjes kon je naar ons huis aan de achterkant kijken. Dan zag je het platte dak waar we pijltjes vanaf schoten en daaronder de kamer met de lange vensterbank waar je overheen kon rijden met autootjes net als over de rijksstraatweg en daarnaast het balkon met een muurtje en een stang daarboven. Ik had een keer een Duits vriendinnetje, Hildegard heette ze, en toen zaten we daar allebei met een emmer op ons hoofd.

Allebei met een emmer op ons hoofd

Achter de boulevard had je een straat die de Princestraat heette. Daar had je de speelgoedwinkel van Oudshoorn, waar je altijd klappertjes voor je klappertjespistool haalde. Je had er ook bouwpakketten van vliegtuigen, niet die 7UP in de lucht schreven maar Starfighters en ook Leopard-tanks. Ze waren heel moeilijk in elkaar te zetten en je zag overal lijm zitten omdat ik er te veel op gedaan had. Soms liep de lijm gewoon te snel uit de tube en kon je dat niet tegenhouden. Dus je kon er niet altijd wat aan doen. Aan de overkant van de speelgoedwinkel had je de dierenwinkel van Peters, waar ik een keer een hengel mocht kopen met blinkertjes en maden. Toen gingen we vorentjes vangen in de duinen en toen heb ik er een gevangen, een heel klein vorentje, en die moest toen van het haakje af en toen heeft mijn vader me geholpen. Dat was meteen het allerlaatste vorentje en visje dat ik met een hengel gevangen had van mijn hele leven. Een stukje terug, richting huis, had je de boekwinkel van Van der Lee. Daar ging ik De Kameleon kopen en Pietje Bell en ook nog andere boeken. Maar Pietje Bell heb ik nooit uitgelezen. Het was een boekwinkel waar ze ook pennen en schriften verkochten en met hele grote ramen, tot op de grond. De boekwinkel was bijna bij de hoek van de Princestraat, maar voordat je de Princestraat in ging, had je eerst nog het Andreasplein, met ergens in een hoek Huize Onrust. Daar ging je altijd maar gauw langs, dat huis, want dat was zo'n rare naam, dat kon nooit goed zijn. Heel ver aan het einde van de Princestraat en dan daarna, op het Emmaplein, had je de patattent van Prins, met patat voor een kwartje. Het was een vierkante houten tent met in het midden een schoorsteen en je kon aan twee kanten patat kopen. Je had daar ook de bioscoop Musica, waar een keer een Dik Trom-film draaide. Daar stond dan een man voor bij de school, voordat de film in de bioscoop was, om te zeggen dat die film goed was en dat alle kinderen van de school daarnaartoe moesten gaan. Dik Trom zat altijd achterstevoren op een ezel. De patattent was wel bijna het verste waar je heen ging, van huis af gezien. Eigenlijk kwam je maar in een paar straten, helemaal niet ver. Niet verder dan de Tramstraat in het noorden, of de Varkevisserstraat in het zuiden. Verder had je niks te zoeken, was er niks, hoefde je niet te zijn.

's Zondags gingen we naar de kerk. Je wist precies naar welke kerk je moest. Dat kon je zien aan de hoedjes. Als de vrouwen hoedjes op hadden, dan gingen die mensen naar een zware dominee, en als ze geen hoedjes op hadden, dan gingen ze naar een lichte dominee. En tussen de kerken werd dat afgewisseld, dus liep je steeds een andere kant op iedere zondag, dan naar de kerk aan het ene einde van de straat en dan naar de kerk aan het andere einde van de straat, het lag eraan naar welke soort dominee je moest. Wij gingen altijd naar 'de lichte', want de zware dominees preekten alleen maar hel en verdoemenis. Het is eigenlijk niet uit te leggen maar het was heel duidelijk. Je keek gewoon naar buiten en je wist welke kant je op moest. Ze liepen dan gewoon over de straat, de mensen die naar de kerk gingen, maar er waren nog weinig auto's in die tijd en op zondag reden er bijna helemaal geen auto's.
Mijn vader en moeder hadden altijd ruzie over het naar de kerk gaan. Mijn vader wilde nooit naar de kerk, want er zaten allemaal 'dikdoeners' voor in de kerk. Dat waren mensen die een winkel hadden en die dan tegen iedereen zwaaiden en lachten als ze de kerk in kwamen. Ze dachten dat als ze dat deden dat die mensen dan bij ze kwamen kopen. Mijn moeder wilde wel naar de kerk. Die hield ook erg van zingen. Ze zat ook op een koor en iedere dinsdagavond kwamen haar 'zangvriendinnen' haar ophalen en dan gingen ze oefenen voor de Matthäus. Die hadden ze één keer in het jaar.
's Middags moest je naar de zondagsschool. Daar vertelde de zondagsschoolmeester een verhaal en dan moest je een regel uit de bijbel uit je hoofd leren. Dat noemden ze een 'versje'. En dan kreeg je de week erna een plaatje van een verhaal uit de bijbel als je dat versje nog wist. Ik vond de zondagsschool helemaal niet leuk. En toen ik een keer mijn arm gebroken had op de grote school toen ik van een hekje gevallen was, had ik een smoes om er niet meer naartoe te hoeven. Ik ben toen nooit meer naar de zondagsschool gegaan en daar merkten ze niks van.

Na de kerk gingen we naar oma en dan gingen we daar huizen bouwen met houten blokken. Iedere week weer dezelfde blokken. Het hout van de houten blokken leek heel veel op het hout in de kerk. Als je in de kerk zat, met al die houten vormen om je heen, van de banken en op de einden van de banken, dacht je al aan de houten blokken waarmee je straks ging bouwen. Het hout van de kerk had ook dezelfde lucht als de houten blokken bij oma. We hadden ook een kladblok om op te tekenen. Mijn oma had ook een grote stapel kaarten: speelkaarten, kwartetkaarten en zwartepietenkaarten. Daar gingen we kaartenhuizen van bouwen, heel hoog. En niemand mocht dan de tafel bewegen of erlangs lopen, want anders stortte alles in, door de houten vloer die bewoog. Alle neefjes en nichtjes zag je bij je oma, maar niet allemaal eigenlijk, want het lag eraan welke ooms en tantes met elkaar omgingen en welke niet. Daar hadden wij als kinderen niks over te zeggen. Mijn vader en moeder en de grote mensen kregen bij mijn oma koffie en ik en mijn zus en de andere kinderen een glaasje 'siter'. Dat was sinas priklimonade. We kregen er allemaal een plak cake bij. En later dronken de mannen een biertje of een borrel. De vrouwen dronken een zoete Spaanse wijn. En ome Willem was altijd heel grappig, en als mijn vader zei 'we gaan maar weer eens naar de vetpotten van Egypte', dan gingen we allemaal weer naar huis. We mochten dan van mijn oma uit de gangkast onder de trap een rolletje snoep uitzoeken: Autodrop of Topdrop of Stophoest of Fruittella en op een gegeven moment was er ook Italiano. Van die bezoeken na de kerk bij oma zijn nooit foto's gemaakt. Dat is wel jammer, want het was er altijd heel gezellig. Mijn oma zei altijd dat ik vast nog wel eens burgemeester zou worden als ik goede cijfers had op school, maar dat ben ik niet geworden.

Als we thuiskwamen, gingen we eten. Zoute snijbonen met witte bonen en draadjesvlees, waar we dan de vette flubbertjes afhaalden, ik en mijn zus. Mijn vader en moeder aten die gewoon op.
In het midden van je eten maakte je altijd een kuiltje voor de jus. Dat was dan een meer op een berg van door elkaar geprakte zoute snijbonen, witte bonen en aardappels. Je maakte dan een gat in de dijk en dan stroomde de jus naar beneden, naar de rand van je bord en dan hoorde je je moeder zeggen dat je niet moest zitten spelen maar eens een keertje moest gaan eten. Als ik te langzaam at of het niet lustte, werd ik met mijn bord op mijn kamer gezet, tot ik het ophad. Aangemengde andijvie vond ik heel vies. Er zaten van die doorzichtige klonten aanmengsel in, van die glazige flubbertjes. Het zat er gewoon niet goed doorheen, door die andijvie en volgens mij deed mijn moeder dat expres. Want elke keer zei ik het, en dan deed ze het toch. Bij de witlof had je ook die doorzichtige klonten. Daar zag je echt tegen op, tegen dat eten.
Soms hadden we paardenbiefstuk van de haas, bij de paardenslager vandaan. Dat was wel heel lekker. Dat werd dan gesneden met een snijmachine die je rond moest draaien en die was heel scherp. Daar mochten wij niet aankomen met onze vingers.
Voor of onder het eten had je dan ook nog de toestand in de wereld door meester G.B.J. Hiltermann. Ik hoor die man nog praten op de radio. Dat leidde heel erg af van het eten.

We hadden ook een oom en tante heel ver weg in het dorp. Als we daar 's zondags naartoe gingen, moesten we een heel eind lopen. Dan mochten we pinda's pellen onderweg. Die hadden we in onze jaszakken zitten. Als we er waren, waren ze op. We lieten een heel spoor van pindadoppen achter in de Sluisweg, net als Roodkapje. Het was daar altijd heel gezellig, bij die oom en tante, en ze hadden ook hele leuke kinderen.
We mochten ook altijd pinda's pellen als we naar de duinen gingen. Daar was het heel mooi en dan zaten we op een 'plaid'. Zo noemde mijn moeder de deken altijd waar we op gingen zitten. We moesten de plaid niet vergeten als we naar de duinen gingen. Aan het begin van de duinen was het 'draaihek'. Dat was net een draaideur. Als je door het draaihek was, was je echt in de duinen. Het piepte altijd heel erg, dat draaihek. Nog voor het draaihek was een hele hoge duin en daarop was een paal met een bal eraan, een bal van riet. Het was een rode bal, en als die omhoog was, dan waren ze aan het schieten. Dan gingen de soldaten oefenen voor als het oorlog was. Dan mocht je niet in de buurt van die bal komen. We gingen vliegeren in de duinen en met een bal gooien en met rackets en een kleinere bal heen en weer slaan.

Ik had ook een oom en die had een zeilboot op het strand, en toen mocht ik daar een keer op en toen kreeg ik de giek tegen mijn hoofd. Maar hij had ook een lelijke eend, en toen kwam hij een keer langs met een hele schoenendoos met vuurwerk. Dat was heel veel. Hij had ook een glazen oog en dat kon hij er zo uit halen om af te spoelen onder de kraan. Maar dat heb ik nooit gezien.

Als mijn oma jarig was, was het altijd zomer. Dan zaten we op rechte stoelen die van boven waren gehaald, en dan kregen we na de siter altijd bowl, met mandarijntjes en stukjes appel en peer en banaan en ananas en nog meer andere vruchtjes. Dat was heel lekker. En de koffie voor de grote mensen kwam uit een ketel met een kraantje. Daar moesten altijd grote filters in en heel veel scheppen koffie. Als het heel warm was, gingen de stoelen naar buiten op de plaats en gingen we daar zitten.
Achter op de plaats naast de poort was een volière waar mijn opa vogeltjes in had in allerlei kleuren. In de volière stond een kale boom met takken en over de hele achterwand was een plaat geplakt van een ander land, met bergen en bloemen. Het leek wel Zwitserland of Japan. Net of die vogels dan in een ander land vlogen. Mijn opa's buitenland. Mijn opa maakte ook bomschuitjes. Dat waren modellen van bolle bootjes zonder voor- of achterkant – de voorkant was hetzelfde als de achterkant – en met een platte bodem. Als jongen had hij ze zelf nog gezien, had hij er zelf nog tussen gelopen, op het strand. Dat bomschuitjes maken was best wel gevaarlijk, want door de medicijnen voor zijn hart had opa heel dun bloed en als hij zich sneed aan een guts of een mesje, dan zou hij helemaal leegbloeden. Mijn oma naaide de zeiltjes voor de bootjes. Ze zat ook altijd te breien en te haken. Ze liep de hele dag te neuriën. Oma had altijd een schaal met appeltjes staan in een hoek van de kamer en ze maalde koffiebonen met een elektrische koffiemolen. Ze had ook een asbak op de tafel staan. Dat was een vuurtoren met een bakje ervoor. Je kon zien dat het een asbak was, want er zaten aan twee kanten gleuven in het bakje, maar mijn oma had er altijd krulspelden in liggen.

Mijn opa heeft ook de brug nog gebouwd in het Panbos die daar over een dal ligt. Niet in z'n eentje natuurlijk. De brug is vlak bij de ingang van het bos, waar mijn ome Arie woonde die boswachter was. Met mijn neef en mijn zus ben ik nog wel eens de eendjes wezen voeren in het Panbos, dat is achter de duinen, maar daar herinner ik mij niks meer van. Er zijn wel foto's van, dus het moet gebeurd zijn.

Eendjes voeren in het Panbos
Met z'n drieën op de tafel