Posts tonen met het label Rotterdam. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Rotterdam. Alle posts tonen

donderdag 19 maart 2026

Schoenen

V.l.n.r. Hanwag Tatra II GTX Wide, Salomon Quest 4 GTX,
Meindl Vakuum Ultra GTX en Meindl Vakuum III GTX.

'We zijn nu bezig met de schoenen,' zeg ik tegen Eric Westhoek op de Katwijkse schrijversavond. We maken een afspraak dat ik weer eens een verhaal kom vertellen in het DunaAtelier. Een vervolg op m'n vorige praatje, over het South West Coast Path. 'Ik denk dat dat nog wel de grootste stress oplevert als je een eind moet gaan wandelen: wat voor schoenen je aan moet.'

Niet een trein die je mogelijk zal missen. Maar de schoenen. Zo'n trein hebben we meegemaakt. Het valt in het niet bij wat er allemaal met schoenen kan gebeuren. Of een vliegtuig dat de verkeerde kant op vliegt. Ook dat hebben we meegemaakt. Ook dat valt in het niet bij wat er met schoenen kan gebeuren. Hopelijk maken we het nooit mee.

We hebben het meegemaakt dat we in een TGV zaten die voorbij Rotterdam opeens langzamer ging rijden, langzaam langzamer, en daarna zelfs helemaal stil kwam te staan. De verwarring onder de passagiers die daarbij kwam, iedereen om zich heen kijkend – wat moeten we doen als we straks in Brussel aankomen? Goed luisteren naar wat er door de intercom verteld wordt, eerst dat maar, de intercom waaruit op dat moment verhaspeld Engels en Frans klinkt. Het komt erop neer dat je straks de eerstvolgende Eurostar kan nemen, ná de Eurostar die je eigenlijk had moeten hebben. Waarvoor je voor dat je daarin mag, eerst met z'n allen in een lange rij mag gaan staan. Om je ticket om te boeken. Waarna het nog langere wachten begint, op die eerstvolgende trein. We doden de tijd met een puzzelboekje en bellen naar het hotel in Southampton dat het wat later kan worden en of we dan nog op tijd zijn voor het avondeten. De keuken is tot tien uur open, wordt er aan de andere kant van de lijn geroepen. De trein gaat weer rijden en we gaan de tunnel door en uiteindelijk zitten we met vijf uur vertraging toch nog om kwart voor tien aan tafel. Southampton is maar een tussenstop. De volgende dag reizen we volkomen uitgerust en bijgekomen van ons Brusselse avontuur – we zijn het alweer vergeten; zo gaat dat – met nog een paar tussenstops door naar Penzance. Zonder stress. 

Het valt in het niet bij wat er met schoenen kan gebeuren.

We hebben het meegemaakt dat een vliegtuig dat voor ons bestemd was door een fout van de verkeerstoren in plaats van in Amsterdam in Rotterdam ging landen. Het is nog vroeg in de ochtend als dat gebeurt. We wandelen naar de gate en zien het zo van het scherm verdwijnen. Zomaar. Weg. Foetsie. Want het is er niet, niet hier in ieder geval. De radeloosheid die zich dan van je meester maakt. Onder dat bord waarop het vliegtuig dat je moest hebben, niet meer vermeld wordt. Een vrouw roept dat we terug moeten naar de vertrekhal. Die heeft het eerder meegemaakt en weet wat ons te doen staat. We staan er uren in de rij om om te boeken, voor de volgende dag, moeten met een bus een heel eind over de terreinen rond de luchthaven, niemandsland, naar een wezensvreemd hotel, waar we een hele dag en nacht mogen vertoeven – een gevangenis is er niets bij vergeleken – tot we in een vliegtuig stappen dat er wel is de volgende dag. Uiteindelijk missen we van onze wandelreis door de Cotswolds alleen de eerste nacht in Moreton-in-Marsh. Als we in het plaatsje aankomen, uit Londen met de trein, moeten we die middag meteen gaan lopen naar Stow-on-the-Wold. Wat een overgang. Gelukkig is het maar 6,4 mijl, zo'n 10 kilometer, een lachertje, denken we later, als we aan de afstanden van het South West Coast Path gewend raken. De nacht in het romantische Moreton-in-Marsh is een nacht in de verlaten wereld rond Schiphol geworden, maar we hebben niets van de wandeling gemist. Onze koffers worden de middag van de wandeling alsnog netjes afgeleverd in de plaats waar we aankomen. Zonder stress.

Het valt in het niet bij wat er met schoenen kan gebeuren.

Want je moet er toch niet aan denken dat je net een paar dagen gelopen hebt en je zolen vallen eraf. Met nog honderden kilometer voor de boeg en geen schoenwinkel in de buurt. Gelukkig is het ons nog nooit overkomen. Maar ik weet van schoenen die we op Marktplaats hadden verkocht, alleen omdat ze te klein waren, maar nog hagelnieuw, want nauwelijks op gelopen, dat toen ze in Limburg arriveerden en een mevrouw er daar op ging lopen, dat we toen per kerende post foto's kregen te zien van diezelfde schoenen met zolen die er zo ongeveer naast lagen. Ver was ze er niet mee gekomen. En het waren nog maar liefst Meindl's. Van Lowa's weet je dat je ze niet moet kopen. Die hebben de naam, staan erom bekend. Maar Meindl's... Nou zitten Lowa's mij ook niet lekker, dus ik zal ze sowieso niet aanschaffen. Waar het hem in zit, bij al die wandelschoenen tegenwoordig, is de tussenzool, de zool die moet dempen en de schokken opvangt. Ieder jaar als je weer aan een grote tocht begint te denken, kijk je daar eens naar. Het jaar ervoor hebben je schoenen het 200 kilometer volgehouden, maar gaan ze dat nog een tweede keer doen? Want hoe is het ondertussen met de tussenzool? Is-ie niet verpulverd? Waardoor de onderste zool eraf kan vallen, zomaar. Een verkoper heeft me eens verteld dat er vroeger PFAS in de zolen verwerkt was, waardoor ze lekker stevig waren. Schoenen gingen met gemak tien jaar mee. Maar PFAS mag niet meer en er is niets stevigs voor in de plaats gekomen. Wat er nu tussen zit is schuim met de naam EVA, ethyleenvinylacetaat, een synthetisch goedje dat op rubber lijkt, met duizenden kleine luchtbelletjes, waardoor het materiaal superlicht en flexibel is. Je hebt ook PU-schuim, polyurethaan, wat zo'n beetje op hetzelfde neerkomt, maar het is allebei niet te vertrouwen. Om in schoenentermen te spreken: trap er niet in! Die vering, dat opvangen van de schokken, verdwijnt als je er een tijdje op gelopen hebt. De zool wordt hard en droogt uit. Je ziet dan aan de zijkant van de schoen vouwen in de tussenzool verschijnen. Vouwen die niet meer uit de plooi gaan. Scheurtjes moeten er helemaal niet in komen, dan kunnen er van buitenaf zuren in terechtkomen als je door de mest loopt. Bij het hek van een weiland waar runderen altijd samenscholen, heb je dat al gauw als je daarlangs moet. Aan het eind van een wandeldag moet je je schoenen daarom altijd goed schoonmaken, afspuiten. Wat je kan doen om die verdroging tegen te gaan, vertelde de verkoper, is je zolen af en toe 'pesten'. Dat doe je door je schoenen iedere maand een keer aan te trekken en er een stuk op te gaan lopen. Toch vertrouw ik dat allemaal niet en bestel ik iedere keer weer nieuwe schoenen, waardoor er zo langzamerhand een rij van hier tot Tokyo ontstaat. En om die schoenen allemaal een beetje in topconditie te houden, moet ik ze om en om en door elkaar dragen, om de zolen te pesten, van al die schoenen.

De laatste jaren liep ik op Meindl's Vakuum Ultra Gore-Tex (ook wel afgekort als GTX). En het laatste jaar op Salomon's Quest 4 GTX. Grote namen, maar wat stelt het voor. De laatste zijn lekker licht en liepen dat ook. Lekker verend. Maar ook van deze schoenen wordt de tussenzool hard en plat. Hij droogt uit. Dan ga je steentjes voelen, en dat willen je oude voeten niet. Daarom heb ik nu voor Hanwag's Tatra II GTX Wide gekozen. 'Wide' omdat ik brede voeten heb. Ook dat nog. Deze schoenen zijn van het B/C type, je kan er bergen mee bedwingen en dus hebben ze van zichzelf al een harde zool, waardoor je geen steentjes voelt. Ze zijn wat zwaarder, maar dat geeft niet. Als je dan dikke sokken aandoet, heb je vanzelf je demping weer. Sokken, tja, dat is ook nog wat. Neem een mix met als belangrijkste ingrediënt heel veel wol. Die blijven lekker droog en schoon. Ja, droog moeten de schoenen ook blijven, vanbinnen. Wilma heeft dat helemaal niet, dat ze iedere keer weer andere schoenen wil. Die loopt al jaren op dezelfde Meindl's Vakuum III GTX, schoenen van de B-categorie, dus met harde zolen. Misschien omdat ze ze al lang heeft, zit daar nog PFAS in, want ze zijn onverslijtbaar.

Voor de zekerheid nemen we altijd een tubetje Bison Kit mee.

zaterdag 2 november 2024

Een haas halen – de queeste van het schilderij met de springende haas

Anne Mortimer, Leaping Hare (2018). Giclee Fine Art Print on 310gms Hahnemuhle Photo
Rag Paper, individually finished in gold leaf, 34 x 54 cm. Limited edition, no. 21/95.

Het was een haas, een schilderij met een springende haas, waarvoor we nog eens helemaal zijn teruggegaan naar Porlock Weir. Teruggereisd, kun je beter zeggen. Want wat een reis! We hadden 'm ook kunnen laten opsturen, de print, opgerold in een koker, maar de lijst die eromheen zat was wel heel bijpassend, had precies de juiste kleur. Die wilden we erbij. Alleen, dan paste-die niet meer in de koffer, dat zou een handkoffer zijn,* want in het ruim van een vliegtuig wilde je 'm ook niet achterlaten, omdat er in de lijst glas zat. Het beste was dus om 'm te gaan halen, de haas, met de trein.
    Heen zijn we nog wel gevlogen. Ook al een reis van zo'n acht uur, met auto, vliegtuig, bus, trein en nog twee keer een bus. Dat zijn zes vervoermiddelen. Maar dan ben je er ook echt, in Porlock Weir, en sta je een paar minuten later bij de galerie.
    Hannah Norman, de nieuwe eigenaar van het optrekje – zij is vooral gespecialiseerd in het portretteren van honden –,** laat het ons zien. Daar staat het, in de hoek achter de deur. Ze tovert er een Engelse glimlach bij als ze het ons overhandigt. Ingepakt. Anne Mortimer mailde het al, de zondag voor ons vertrek, dat haar Leaping Hare klaarstond in de Real Exmoor Studio, 'all wrapped ready for your collection'. Het schilderij zit zo mooi verpakt, met bubbeltjesplastic en dik pakpapier met breed papieren plakband, dat het niet verstandig lijkt het voor de reis naar huis nog even uit te pakken. Hannah verzekert ons dat erin zit wat erin moet zitten en daarmee zijn we gerustgesteld. Anne Mortimer zien we niet meer, zij is in augustus met pensioen gegaan. Wat ze heeft ingepakt, hebben we 25 juni voor het laatst gezien.

Met het schilderij voor de Real Exmoor Studio in Porlock Weir.

Dit is de queeste van het schilderij met de springende haas.
Je krijgt het niet zomaar.

We staan bij de bushalte voor het Visitor Centre annex Library van Porlock. Die zitten samen in één gebouw. De bibliotheek bestaat tien jaar. Dat werd gisteren gevierd, op 10 oktober – drie tienen –, toen we toevallig bij het informatiecentrum waren voor een wandelkaart, met allerlei zelfgebakken Engelse cakes en thee – ik heb een plakje genomen. Vandaag is het vrijdag 11 oktober.
    We zijn op tijd uit bed gestapt en hebben vroeg ontbeten, om maar niet de bus te missen. Daarom staan we er wel een kwartier te vroeg, bij de bushalte. Toch zijn we niet de eersten. Er staat al een man met een hoed op en een rugzak om, een wandelaar. Wij zijn de tweede en de derde die erbij komen in de cue. We mogen er wel van uitgaan dat we een plekje hebben in de bus. Vlak na ons komen er nog vier mensen in de rij staan.
    We moeten naar Minehead, met het schilderij en twee koffertjes. Maandag hebben we het kunstwerk opgehaald bij de galerie in Porlock Weir. We verblijven er twee nachten in The Bottom Ship Inn. En plakken er nog twee nachten aan vast in The Top Ship Inn in Porlock. Daar staan we nu bij de bushalte. Het busje (met nummer 10 – de vierde tien in dit verhaal) waar we straks in zullen stappen, is onze eerste rit op weg naar huis. 

Daar is het al, het stopt aan de andere kant van de weg, het busje dat er pas om 9.40 uur had moeten zijn. Toch is het niet te vroeg, want het moet eerst nog naar Porlock Weir. Dat is de eindhalte, aan zee. We kunnen gewoon wachten tot het terugkomt naar Porlock en stopt bij deze halte... Laten we dat doen, wachten tot het terugkomt en dan instappen... Maar dan begint een vrouw van een huis aan de overkant naar ons te roepen dat het beter is als we nu al instappen, omdat het busje via een andere route door Porlock terugkomt. Dat is vreemd, want aan de kant waar we nu staan is de bushalte waar we woensdag zijn uitgestapt, toen we uit Porlock Weir kwamen om onze intrek in The Top Ship Inn te nemen. Daar kun je dan ook weer instappen om verder te gaan naar Minehead, zou je denken. De vijf mensen, de wandelaar en de vier die er later bij kwamen, verplaatsen zich ondertussen naar de overkant van de straat, waar het busje wacht. Moeten wij dan ook maar instappen? We raken lichtelijk in paniek en stappen gauw in. Dan maar eerst naar Porlock Weir en van daaruit naar Minehead, via de door de vrouw aangekondigde onbekende route door Porlock. Omdat de andere vijf mensen al zijn ingestapt, stappen wij nu als laatste in en komen daardoor achter in de bus terecht, op de een-na-laatste bank. In Porlock Weir stappen de vijf uit en draait het busje om om terug te rijden naar Porlock, waar we gewoon weer stoppen voor de bibliotheek en het informatiecentrum. Wel heb je ooit!

We rijden Porlock uit over de buitenwegen. De bushaltes zijn er goed verstopt tussen de bomen en het struikgewas maar de buschauffeur weet ze allemaal te vinden. Het busje raakt al aardig vol als er een oude man instapt die we nog kennen van onze vorige reis. Het is de autistische boer die zo geweldig naar urine stonk, net als nu, en altijd achterin ging zitten, net als nu, waar wij ook al zitten, waar we terecht zijn gekomen door de vijf overstekende passagiers in Porlock. Opeens stonden we niet meer ergens vooraan in de cue, op de plaatsen twee en drie, maar was er van een cue helemaal geen sprake meer.
    We hadden het kunnen weten, dat hij nog ooit een keer zou kunnen instappen, en we wisten dat je daarom altijd voorin moest gaan zitten. dat was ons gezegd, maar nu is het te laat en komt hij de bus in. Hij heeft een mandje met eieren aan zijn arm. Onderweg naar achteren probeert hij die te slijten aan zijn medepassagiers. Een voor een spreekt hij ze aan – het is een heel gebeuren, de buschauffeur wacht –, maar allemaal deinzen ze achteruit. Ook wij. Bij de volgende halte komen er twee vrouwen binnen. Een gaat er voorin zitten. Naast ons, aan de andere kant van het pad, is nog een plekje vrij voor de andere vrouw. De oude man nodigt haar uit om naast hém te komen zitten, op de achterbank is immers nog voldoende plaats, maar terwijl zij hem groet met de woorden 'Good morning, Andrew', slaat zij zijn aanbod vriendelijk af. Als ze zit, maakt ze een lichte beweging met haar neus. De boer heeft nu ook een naam. We zullen hem nooit vergeten. De bus is gelukkig wat beter geventileerd dan die van de vorige keer, maar de lucht van plas, en ook poep, vestigt zich voor de duur van de reis toch stevig in onze neusgaten.

De queeste is nog niet voorbij. In Minehead stappen we over op bus 28, een wat groter exemplaar dan het busje waar we uit komen, maar overvol, met scholieren en andere reizigers. Achterin zijn gelukkig nog een paar plaatsen. Voorzichtig wurmen we ons ernaartoe, met de koffertjes en het schilderij. Niet stoten. Onze tweede rit naar huis, het is half elf in de ochtend. Schuin voor ons zit een jongeman met een plastic colaflesje, waarin een andere vloeistof zit dan je zou verwachten. Bier. Handig bedacht, want zo'n flesje kun je dichtdraaien als je er een paar slokken uit genomen hebt, maar met ook nog de telefoon in zijn handen lijkt hij dat niet helemaal onder controle te hebben. Gedurende de reis valt hij meermalen in slaap, voorover op de hoofdsteun van de passagier die voor hem zit en glijdt het flesje zonder dop erop steeds weer uit zijn handen. Van de drank die hij op deze manier al is kwijtgeraakt, loopt een kleverig spoor onder de stoelen door naar voren. De bus doet er lang over, een uur en twintig minuten. We stoppen in Taunton, een halte te ver, en moeten een heel stuk teruglopen om bij het station te komen. Het hoort er allemaal bij, bij het vervoer van een kunstwerk.

Taunton Station.

London Paddington wordt de volgende stop. We boeken onze kaartjes om naar een vroeger tijdstip: in plaats van de trein van 14.07 uur nemen we die van 12.07 uur. Zo hebben we meer speling bij het nemen van de metro naar London St Pancras en komen we niet in de drukke avondspits terecht. Met een lijst waar glas in zit is dat niet handig. De trein van Taunton naar Londen is de derde rit naar huis. We kruiswoordpuzzelen wat en eten een broodje en kijken naar het landschap dat voorbij komt en weemoedig maakt. Het schilderij ligt veilig boven onze hoofden in het bagagerek.

Paddington Station.

Om 14.16 uur komen we aan in Londen. Nu wordt het spannend. In de stationshal moeten we even helemaal stilstaan, met de koffertjes, het schilderij en onszelf. We vormen een eiland waar een dikke stroom mensen omheen loopt. Als een stromende rivier. Als de stroom wat dunner wordt, lukt het ons eruit te stappen. We lopen door de smalle gangen van de Underground, er moet nu niemand de hoek om komen en tegen ons opbotsen. Het blijft ingewikkeld, de ondergrondse, maar na één overstap zitten we in de metro die ons naar St Pancras brengt. Het spannendste gedeelte zit erop, de vierde rit naar huis.

In de Underground.

Dan begint het lange wachten op de Eurostar. Hoe krijgen we het schilderij heelhuids door de bagagecontrole? Gelukkig past het in zo'n bak. Voor de zekerheid zeggen we het er nog maar even bij dat het om een print in een lijst met glas gaat. De dinsdag na de aankoop zijn we nog teruggegaan naar de galerie, voor een bonnetje voor als de douane moeilijk gaat doen. Voor de zekerheid doet Hannah er ook nog een visitekaartje bij van Anne Mortimer, met daarop nog een keer de gegevens. Maar het gaat allemaal even soepel, er wordt nergens naar gevraagd. Daarvoor is het ook veel te druk met al die mensen die hierdoor moeten.

Twintig minuten later dan gepland, om 18.24 uur, vertrekt de trein. Onder het Kanaal door, via Lille en Brussel naar Rotterdam, waar we omstreeks 23.05 aankomen. Een lange reis. De vijfde rit naar huis.

Tussen Rotterdam en Leiden zijn deze avond en nacht werkzaamheden aan het spoor. De conducteur van de Eurostar raadt ons aan de metro naar Den Haag te nemen, naar Laan van NOI. Die vertrekt om 23.16 uur. Het is vrijdagavond en de wagons zitten vol uitgaanspubliek. Het is hier drukker dan in de Londense metro. Dit is de zesde rit naar huis.

Op het station in Den Haag nemen we rond 23.45 uur de trein naar Leiden. De zevende rit naar huis.

Om 00.08 uur komen we daar aan en brengt schoonzoon Vincent ons naar huis. Dat is de achtste rit naar huis.

Daar kunnen we het schilderij, de gicleeprint achter glas, eindelijk zien. Van de haas en al die planten en sprieten en stippen. Op de print zijn hier en daar spatten bladgoud aangebracht. Die springen eruit als het licht er onder een bepaalde hoek op valt. Wat we die nacht te zien krijgen voldoet geheel aan onze verwachtingen. Het is de week wachten en de reis van veertien uur helemaal waard geweest. Of eigenlijk nog langer, want we hadden het natuurlijk op 25 juni voor het laatst gezien. Toen we de plaat niet mee konden nemen, omdat we nog dat hele stuk van het South West Coast Path moesten wandelen. En dat we daar moesten zijn, in Porlock Weir, en die galerie in liepen, was ook niet zomaar. Dat hadden we te danken aan het onweer en de regenbuien van 17 september het jaar ervoor. Waardoor we toen dat stuk tussen Porlock Weir en Lynmouth niet konden lopen en dat in juni alsnog gingen doen. We hebben er allemaal geen spijt van. Want ook het ophalen van het schilderij, nu in oktober, leverde ons weer drie mooie wandelingen op, rondom Porlock en Porlock Weir, met veel nieuwe ervaringen en ontmoetingen. Een queeste met nogal wat zijpaden, zou je kunnen zeggen. 

We zullen er altijd met veel genoegen aan blijven terugdenken.

De lichtgroene deur helemaal rechts is die van de Real Exmore Studio.
Het het is zo klein, het raam erna hoort er al niet meer bij.

* De lijst meet 39 x 60 cm. Dat is net 4 cm te breed en 5 cm te lang voor wat de KLM als maximale afmetingen voor handbagage hanteert. En daar komt ook nog de verpakking bij.
** Dit is Engeland in optima forma. Hondenbezitters laten hier hun viervoeter portretteren. De kunstenares heeft het er druk mee. Ze doet er zo'n zes in de maand, vertelde ze ons. 

vrijdag 24 december 2021

Kogels uit de Tachtigjarige Oorlog

De grote meet 8,1 centimeter in doorsnee en is 2240 gram,
de kleine is 3,1 centimeter en weegt 123 gram.

Het met water vermengde zand van de zandzuiger (uit het vorige bericht), ging voor het door de buizen werd geperst, eerst nog door een zeef. Die zeef zat in een bak. Eens in de zoveel tijd werd de bak opengemaakt. Dan ging mijn vader kijken wat erin zat. Veel rommel, die de buizen kon verstoppen, maar ook materiaal dat archeologisch interessant was, van kruikjes, die meestal stuk waren, tot Romeinse munten, en spullen waarvan je niet meteen wist wat het was. Of als je dat wel wist, van wanneer het was. Daarmee ging mijn vader dan naar een museum. Met de Romeinse munten ging hij naar het Museum van Oudheden in Leiden. Die wilden ze wel hebben natuurlijk. Toch deed hij ze niet meteen van de hand.

Een andere vondst die hij niet meteen thuis kon brengen, was een vishaak. Een grote vishaak, van wel 18 centimeter lang. Om het rechte gedeelte, de steel, zat lood in de vorm van een visje gesmolten, om de haak te laten zinken als er aas aan zat. Een flink stuk aas moet dat geweest zijn. Het loden visje was ongeveer 8 centimeter lang, en ik schat dat het gedeelte bij de bocht, naar de weerhaak toe, zo'n 6 centimeter in doorsnede was. Een hele bijzondere vishaak, en mooi om te zien. Wat ermee gevangen werd, weet ik niet, wel grote vissen, haaien misschien. De haak zelf was verroest, want van ijzer, het loden visje was nog mooi intact. Jarenlang heeft hij in de vensterbank gelegen, naast het model van een vikingschip, dat mijn vader had meegenomen uit Kopenhagen, op een van zijn zeereizen. Altijd, als iemand ernaar vroeg, vertelde hij weer dat verhaal van dat gave loden visje om die verroeste vishaak, waarmee duidelijk het verschil in oxidatie tussen de twee metaalsoorten kon worden aangetoond.

De kogels op bovenstaande foto zijn ook uit de wateren rond de Nieuwe Waterweg gezeefd. Ik weet niet uit welke tijd ze komen of dat er nog mee geschoten is in een van de Engelse zeeoorlogen met de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in de 17e en 18e eeuw. Maar vermoedelijk zijn ze nog wat ouder, uit de 16e eeuw, en zijn ze in de Tachtigjarige Oorlog gebruikt. Misschien wel door de watergeuzen bij Den Briel. Op het wereldwijde web zie ik dat ze ook in Vlaardingen zijn gevonden. In de loop der eeuwen is er een mooi patinalaagje op gekomen. Ik denk dat ze van gietijzer zijn.

zaterdag 18 december 2021

Hengelen


Hier sta ik met een hengel, gemaakt van een bezem (een bezem om het dek te schrobben) en een veel te dik touw. Je kan het op de foto zien, zo dik is het, en de vissen zien het ook, want ze zwemmen met een grote boog om het haakje heen. Kort hierna zal ik wel mijn eerste echte hengel krijgen, gekocht bij de dierenwinkel van Peeters in de Princestraat. Het nylon touw dat daaraan zit is veel dunner, en doorzichtig, de vissen zien het niet. Ik vang er een voorntje mee, in de Zuidduinen, in dat grote meer dat er dan nog is bij de muur, zo noemen we de Atlantikwall, waarvan daar nog een stuk staat. M'n vader moet hem voor me van het haakje halen. Het is de eerste en laatste vis die ik met een hengel vang.

Maar hier sta ik nog met die bezem met dat dikke touw. Op het dek, het gangboord van een zuiger, een zandzuiger. Hoe weet ik dat het een zuiger is? Dat zie je aan dat stukje buis dat linksboven in de foto schuin omhoogsteekt. Naast de zuiger ligt een bak, een zandbak, dat is een schip om zand te vervoeren. Je ziet nog net de letters KON. MY. ADR van de Koninklijke Maatschappij Adriaan Volker.* Mijn vader heeft er de wacht en we zijn er met het hele gezin.

Iedere dag gaat mijn vader de machinekamer van de zuiger in. Die bevindt zich onder de waterspiegel. Ik mag dan mee. Je gaat een zware ijzeren deur door en moet dan een smal ijzeren trapje af. Machinekamer is eigenlijk niet het goede woord, want het is een hele grote zaal, waarin de machines van het schip staan te draaien. Hij loopt ze allemaal na en doet er met een oliespuit hier en daar een beetje olie bij, zodat ze gesmeerd blijven. Ze moeten aan blijven (gaan blijven), dat is beter voor het schip. Een keer kwam er een tanker langs, die ging de zee op, zo'n grote mammoettanker met zo'n druppel voor aan de boeg. Mijn vader nam me mee naar de machinekamer en deed de machines voor heel even uit. Het werd heel stil. Maar onder het water kon je in de verte de motor, de machines van de mammoettanker horen. Zo heb ik geleerd dat water geleidt, heel ver. Zoals mistdruppels in het voor- en najaar het geluid geleiden, wanneer er kilometers ver een trein voorbijrijdt. Dat heb ik altijd onthouden. Als ik op mijn beurt aan iemand uitleg dat water en waterdamp geleidt, vertel ik er dit verhaal van mijn vader bij.

De bakken waren de schepen om de bagger te vervoeren, de specie noemde mijn vader dat, zand vermengd met water, om het van de zeebodem door de buizen van de zuiger in de bakken te spuiten. Het water liep dan over de randen van de bakken over de gangboorden in het water en het zand bleef achter. Kilometers verder, wanneer de bak bij een andere zuiger aankwam, werd dat zand weer vermengd met water, waardoor de zuiger het op kon zuigen en het door dikke buizen heel ver het land kon op spuiten. Zo ontstond de Maasvlakte. Mijn vader kon er altijd mooi over vertellen, dat hij de Maasvlakte mee had helpen maken, en ook de Flevopolders.

* Omdat ze op een gegeven moment het predicaat Koninklijk gekregen hadden kregen alle schepen een oranje band over het grijs geschilderd. Ik weet nog dat mijn vader dat voor het schip waarop hij voer moest gaan doen, die oranje band verven.

woensdag 8 december 2021

Fuiken lichten

 

Met mijn vader in de roeiboot. Hij heeft zijn lieslaarzen aan. Ik moet hier een jaar of tien zijn, m'n vader veertig, we schelen precies dertig jaar en één dag. Hoe kun je het zo uitmikken.

Je moet de roeispaan niet te diep in het water steken, dan gaat het veel te zwaar. Ik weet zeker dat hij dat hier tegen me zegt. En alle keren dat ik roei in mijn latere leven, veel is dat niet, denk ik daar weer aan, dat mijn vader me dat geleerd heeft. Net onder water, dat is genoeg om vooruit te komen. Mijn moeder neemt de foto, en naast mijn moeder zit mijn zus, zes jaar, wij schelen vier jaar. Mijn moeder is negenendertig, een jaar jonger dan m'n vader.

We zijn op weg naar een palingfuik, ergens in de wateren bij de Maasvlakte. Daar werkte mijn vader in de bagger, bij de firma Adriaan Volker. Als de andere collega's vakantie hadden nam hij de wacht. Zo heette dat. Dan hielden wij vakantie op de baggerschuiten. Een klein bootje bracht ons ernaartoe, midden op het water. Hetzelfde bootje dat het eten bracht en iedere dag de krant. We liggen in de buurt van de elektriciteitscentrale. Bij mooi weer kun je vanaf het strand van Katwijk de twee schoorstenen zien, voorbij de pier van Scheveningen.

Op de Maasvlakte stikt het van de konijnen. Je kan ze gemakkelijk vangen, met strikken, maar nu gaan we naar de fuiken. Fuiken lichten, zo noem je dat. We leggen de boot aan de kant, bij een dijk van basaltblokken. Wij, mijn moeder, mijn zus en ik blijven op de kant. Ik zie ons daar nog staan, terwijl m'n vader het water in gaat, het donkere water van de Nieuwe Waterweg, of is het het Calandkanaal, hij gaat het talud af, zo noemt hij dat, met zijn hoge lieslaarzen, zoekend naar die fuik, over de ongelijke stenen en het zand van de bodem, met zijn handen onder het water. Het heeft iets radeloos, waar heeft hij die stokken gezet? Als hij een fuik gevonden heeft haalt hij die naar de kant. Hij haalt het knoopje uit het laatste, smalste net achter de kleinste hoepel en laat de palingen in de emmer glippen. Soms ontsnapt er wel eens een, die dan snel de dijk af glijdt en in het water verdwijnt. Het zijn dikke palingen, zeepalingen. Mijn vader heeft twee tonnen op elkaar laten lassen, met onderin een luikje voor de houtmot en bovenop een vochtige juten zak, om de rook er een beetje in te houden. In de bovenste ton zijn aan weerszijden gleufjes gemaakt. Daar hangt hij de speten in, waaraan hij op gelijke afstanden de palingen rijgt, door de koppen. Zo hangen ze te roken, tot ze gaar zijn, en het vet eruit druipt. Soms bakte hij ze ook, in dikke moten.

Die fuiken maakte mijn vader zelf, als hij thuis was, met fijnmazig net dat hij aan elkaar boet tussen ronde ringen, van groot naar klein naar de staart van de fuik, heel ingenieus. Vandaag is hij negentig geworden.

dinsdag 12 januari 2016

David Bowie 1947-2016


Zo'n kaartje moet je altijd bewaren. Ik weet nog hoe hij neerdaalde op het podium, zittend in een kuipstoeltje met een telefoon in zijn hand, in een rood pak.

maandag 17 november 2014

Op het schrijversstrand (8) – Deelder

Foto: Dick Hogewoning   

In 2005 was Jules Deelder op het Katwijkse strand, voor de opening van de strandbibliotheek. Speciaal voor de gelegenheid maakte hij een gedicht en droeg het voor. Dick Hogewoning fotografeerde 'de nachtburgemeester van Rotterdam' voor de witte kerk aan zee. Groter contrast bestaat niet.

We lopen langs het stille strand
De lucht staat strak
Scheve bunkers in het zand
De oorlog zwijgt
Opkomend tij
M'n moeder pakt me bij m'n hand
Ik ben niet bang
Wel klein

Met dank aan Dick Hogewoning.

zaterdag 7 juni 2014

Naar de Stones

kaartje Rolling Stones 4 juni 1982

Kijk, het kaartje heb ik nog. Daar stond je dan bij de VVV voor in de rij, onder aan de vuurtoren.


Ik vond er ook nog een filmpje van, van dat concert, op YouTube.

zaterdag 1 juni 2013

Bellen in 1915

Naamlijst voor den telefoondienst, 1915.
Thuis heb ik nog een telefoonboek uit 1915. Het is een facsimile uit 1995.* Het op grauw papier gedrukte werk behoort tot de juwelen van mijn boekenkast en ik mag er graag in bladeren. Alle telefoonnummers die er toen waren, staan erin. Op 758 niet al te grote pagina's van 26 x 18 cm. Alle telefoonnummers... dat waren er toen 75.000. De namen waarbij ze horen, zijn keurig op alfabet gerangschikt, net zoals dat met de plaatsnamen het geval is.

'Katwijk', op pagina 447.
Een duidelijker, uitgetikt overzicht is hier te vinden.
Nog niet te lezen? Downloaden en dan naast het bericht bekijken helpt zeker!

Na Kamperland, Kapelle (op Zuid-Beveland) en Kats, een gehucht in het zuidoosten van Noord-Beveland, alle op pagina 446, volgt op pagina 447 Katwijk, met alle nummers van het dorp op nog niet eens één bladzijde bij elkaar. Want onderaan is nog ruimte voor het gehucht Kekerdom (bij Millingen aan de Rijn). Voor Katwijk tel ik 69 nummers, met voor Katwijkers ook nu nog bekende namen van personen en bedrijven uit Katwijk aan den Rijn, Katwijk aan Zee, Rijnsburg en Valkenburg. Dat zijn de gemeenten die onder het 'locaal telefoonnet' vallen.
Niet veel mensen hadden telefoon in 1915. Alleen degenen die handel dreven of op een andere manier aan de weg timmerden en de officiële instanties hadden een toestel. De verbinding met dat toestel kwam tot stand via de telefonistes van het Rijkstelefoonkantoor. Dat kon op werkdagen van 8 uur 's ochtends tot 9 uur 's avonds, en op zon- en feestdagen 's ochtends van 8 tot 9 uur en 's middags van 1 tot 2 uur. De rest van de dag kon je niet bellen of gebeld worden. Mensen zonder telefoon, dat waren de meesten, belden via de telefooncel naar de telefooncentrale. De 'openbare spreekcellen' waren gevestigd in het Post- en Telegraafkantoor te Katwijk aan Zee (dat was in de Voorstraat, waar nu een meubelzaak van Haasnoot zit) en in het Centraalbureel van het orale telefoonnet (waar dat zat, weet ik niet).
In Katwijk zijn het in die tijd vooral de rederijen en vishandels die een telefoon hebben: Dijkdrenth (met telefoonnummer 69), Dubbeldam (met nummer 63), Van Duijn (64), Van Duijvenbode (10), drie Den Dulken (38, 36, 14) en één Den Dulk Jaspersz. (52), vier visbedrijven met de naam Haasnoot (18, 16, 9, 51), waaronder een 'meester kuiper', rederij Meerburg (33), twee bedrijven met de naam Ouwehand (34, 19), een Parlevliet die alleen reder is en vis verkoopt (20), en een Parlevliet die behalve in vis ook in kaas handelt (32). De laatste in de tweede kolom die iets met vis heeft, is Jacob Pronk: naast zijn handel in haring runt hij Pension Lilly. Daarvoor bel je met nummer 5. In de derde kolom komen we alleen nog rederij 'Katwijk aan Zee' tegen, een naamloze vennootschap die in de Oude Kerk is gehuisvest. Na de bouw van de Nieuwe Kerk aan de Voorstraat fungeerde het bekende witte kerkje aan zee van 1890 tot 1920 als rederij, met telefoonnummer 17. Belangrijk voor de visserij is natuurlijk ook telefoonnummer 12 van scheepsbouwer Taat, al is de tijd van de bomschuiten die vanaf de werf aan de Voorstraat naar het strand werden gerold in 1915 wel voorgoed voorbij.
De toeristen die de kustplaats bezochten, konden behalve in Pension Lilly ook in Villa Gertrude (42) terecht of in Hôtel de Zwaan (41) of Hôtel du Rin (25), waarvan A.J. Houtkamp 'prop(riétaire)' was, dat wil zeggen de eigenaar.
Het gemeentehuis heeft nummer 2. Daar wordt ook de administratie van de gasfabriek (het toenmalige energiebedrijf) bijgehouden. De gasfabriek zelf heeft nummer 27. Nummer 1 is van de Nederlandsche Tiend Maatschappij van T.A.O. en O.J. de Ridder. Zij verpachtten land. De eerste, Tieleman Albertus Otto, was meer dan veertig jaar, van 1873 tot 1914, burgemeester van Katwijk. Naar hem is het De Ridderpark genoemd. Tegenover de gasfabriek, aan de overkant van het Prins Hendrikkanaal, was de pillenfabriek van Van Dorp gevestigd, hier aangeduid als 'Chem. Laboratorium', met nummer 66. Daar werd het versterkende drankje Tonicum Katwijk gemaakt. In de derde kolom zien we dat onder hetzelfde nummer naar de 'Societeit voor Chem. Industrie' gebeld kan worden. Bij drogisterij Waterreus aan de Burgerdijkstraat werd het tonicum vast wel verkocht, maar wilde je zeker weten of ze het op voorraad hadden, dan belde je gewoon even met nummer 60. En misschien dat kunstschilder Louis Hartz (nummer 65) daar zijn verf wel betrok. Mocht het drankje van de drogist niet helpen, dan kon je altijd nog naar een van de artsen, waarvan ik er drie tel: Hueting (met nummer 3), De Ruiter Zijlker (23) en Van Walsem (45). Voor de meer verfrissende vloeistoffen was er de mineraalwaterfabriek en bierbottelarij van Pluimgraaff (13) in de Zuidstraat. Het pandje bestaat nog steeds. Ook zien we dat er in 1915 al een 'vleeschhouwer' Kleen is, met nummer 26, en wordt er al brood en koek gebakken bij Van Tongeren & Zn., te bereiken via telefoonnummer 43. Beide firma's hebben het lang uitgehouden, tot ver in de twintigste eeuw.
Eén bladzijde uit het telefoonboek laat ons het hele reilen en zeilen van een gemeenschap zien, met bakkers, groenteboeren en slagers, en voor Katwijk in het bijzonder alle bedrijvigheid rondom de visserij. We ontwaren ook nog een smid, Gesink & Zonen (67), om alle paarden die er in het dorp rondlopen van nieuwe hoefijzers te voorzien. Een rijtuig kun je huren door met Van Schie te bellen op nummer 22. Bij een andere Van Schie (met nummer 56) kun je een lapje stof kopen. Dat kan ook bij de manufacturenwinkel van De Boer (nummer 61).
Er zullen zeker wel Katwijkers geweest zijn die alle 69 nummers uit hun hoofd kenden. Nu ik ermee bezig ben, merk ik dat ik sommige nummers ook al ga onthouden.
Zo'n telefoonboek geeft een mooi tijdsbeeld. In die ene bladzijde al, zit veel geschiedenis verborgen. Zoals we zien bij bloembollenteler Van Tol (57), die zich door de veranderende oriëntatie binnen Europa, waarschijnlijk als gevolg van de Eerste Wereldoorlog, in het Engels als 'bulbgrower' aanprijst, die ook handelt in 'califlower [sic] in brine', dat is bloemkool in pekel, oftewel gezouten bloemkool.
Het is mooi dat ook de adressen erbij staan, al zullen sommige allang niet meer bestaan. Zo heeft de Boulevard zoals we die nu kennen, in 1915 nog drie namen. Het noordelijke gedeelte heette Weth. Van der Plaskade. Daar woont 'bouwkundige' Kruyt, op huisnummer 4, met telefoonnummer 24. Het middenstuk was de Van Wassenaerkade, waar dokter Van Walsem praktijk houdt, op nummer 3. Het zuidelijke gedeelte heette Van Melskade. Daar schildert kunstschilder Hartz in Villa Coby op nummer 3.



Het telefoonboek laat nog veel meer zien dan die ene bladzijde. Voor andere dorpelingen en stedelingen zijn er weer andere dorpen en steden waaraan ze hun hart kunnen ophalen. Maar iedereen kent de Amsterdamse architect H.P. Berlage, die in 1915 aan de Amsteldijk 77 woonde met telefoonnummer Z2084. Of O. ('Oscar') Carré, met zijn circus aan de Amstel 115-125. Het theater heeft nog steeds hetzelfde adres, maar niet meer het telefoonnummer N2967.


Als je in Amsterdam een telefoongesprek aanvroeg, moest je tegen de telefoniste zeggen of je met een noordelijk of zuidelijk nummer te maken had: 'Men verzuime niet bij het aanvragen van een telefoonnummer, wanneer daarvoor de letter N staat, het woord "NOORD" en wanneer daarvoor de letter Z staat, het woord "ZUID" te vermelden.'


In Rotterdam zoeken en vinden we de Holland-Amerika Lijn, waarvan het gebouw nog steeds bestaat aan de Wilhelminakade. We zien een hele reeks telefoonnummers, van 5801 tot en met 5822. De afdeling Passage heeft nummer 5803, voor Vrachtzaken uitgaand bel je nummer 5821 en voor Vrachtzaken inkomend nummer 5822.


Op het eiland Urk zit nog een ansjoviszouter met de naam Hoekman (met telefoonnummer 8).


In Makkum vinden we de bekende plateelbakkerij van de gebroeders Tichelaar, met nummer 6.


Men draait er zeker niet omheen in die tijd, want zo vinden we in Castricum onder nummer 1 'Krankzinnigengesticht "Duin en Bosch"'.

Het schijnt dat sommige telefoonnummers uit dit 'geschiedenisboek van de werkelijkheid' nog zijn terug te vinden in de tegenwoordige telefoonnummers. Dat geldt dan natuurlijk alleen als het bedrijf of de instelling na bijna een eeuw nog bestaat.

Voor wie het boek niet heeft, zijn er nijvere lieden geweest die de Naamlijst voor den telefoondienst uit 1915 helemaal hebben zitten overtikken en online hebben gezet. Voor wie verder wil lezen, zijn er genoeg recensies, zoals deze.

* Uitgegeven door De Groot Ontwerpers/Uitgevers, Utrecht.

zaterdag 3 maart 2012

KLM-huisjes (2)


Kijk, de Brenninkmeijertjes, op nummer 755, hebben de Lamborghini van Mariska de la Fuente overgenomen. Ze reed er al nauwelijks meer in. Maar of de Brenninkmeijertjes er nu zoveel in rijden... Heel anders is het met de Van Veurst tot Veurtjes. Ze zijn op de thee bij Jo ten Cate. Voor elke meter die ze bewegen pakken ze hun rode Ferrari. Verder hoor ik dat de Van Dammetjes in scheiding liggen. Zij is bij Coen Lammers ingetrokken en hij is voor het laatst met Sarah Voorslag op Long Island gesignaleerd. Ze moeten nummer 87 verkopen. En die architect op nummer 514 vindt het zeker wel kek om in die oude eend te blijven doortuffen.





En zo hadden we in nog geen week 44 van de 92* huisjes bij elkaar verzameld. Trapgevels, halsgevels, klokgevels, tuitgevels, puntgevels, lijstgevels, alles waar Holland groot mee is geworden, in een notendop bijeen.

Ik doe daar niet geheimzinnig over, over de huizen die ik bezit. Afgelopen woensdag al mocht ik mij de gelukkige eigenaar noemen van de volgende panden**:

1. Restaurant d'Vijff Vlieghen, Spuistraat 294, Amsterdam (2)
2. Oudezijds Voorburgwal 18a-18b, Amsterdam (8)
3. De Gecroonde Raep, Oudezijds Voorburgwal 57, Amsterdam (10)
4. D' Gekroonde Bije-korf, Kamp 10, Amersfoort (13)
5. Houtmark 17, Haarlem (16)
6. Markt 47, Delft (21)
7. Spieringstraat 1-3, Gouda (25)
8. Nieuwe Uitleg 16, Den Haag (26)
9. Het Gulden Tonneke, Wijnhaven 16, Delft (34)
10. Oude Delft 39, Delft (35)
11. Hippolytusbuurt 8, Delft (36)
12. Bank van Lening, Oudezijds Voorburgwal 300, Amsterdam (37)
13. Herengracht 607, Amsterdam (38)
14. Nieuweweg 12, Hindeloopen (39)
15. De Rode Hoed, Keizersgracht 104, Amsterdam (40)
16. Prinsengracht 514, Amsterdam (42)
17. Prinsengracht 516, Amsterdam (43)
18. Hooglandse Kerkgracht 19, Leiden (44)
19. Rozengracht 106, Amsterdam (50)
20. Voorstraat 49, Franeker (51)
21. Herengracht 203, Amsterdam (53)
22. Pakhuis Frankfort, Prinsengracht 773, Amsterdam (54)
23. Zakkendragershuisje, Oude Sluis 19, Schiedam (55)
24. Herengracht 64, Amsterdam (56)
25. Herengracht 101, Amsterdam (58)
26. Herengracht 314, Amsterdam (60)
27. Keizersgracht 439, Amsterdam (61)
28. Keizersgracht 755, Amsterdam (64)
29. Pakhuis De Sparrenboom, Keizersgracht 487, Amsterdam (65)
30. Pakhuis Maarseveen, Keizersgracht 403, Amsterdam (66)
31. Prinsengracht 721, Amsterdam (67)
32. Prinsengracht 969, Amsterdam (68)
33. Keizersgracht 319, Amsterdam (69)
34. Koningsstraat 4, Alkmaar (70)
35. Singel 81, Amsterdam (71)
36. Singel 87, Amsterdam (72)
37. Reguliersgracht 7, Amsterdam (74)
38. Hofweg 9-11, Den Haag (75)
39. Leidsegracht 51, Amsterdam (78)
40. Jenevermuseum, Lange Haven 74-76, Schiedam (79)
41. De Drie Fleschjes, Gravenstraat 18, Amsterdam (80)
42. Goudkantoor, Waagplein 1, Groningen (81)
43. Museum Van Loon, Keizersgracht 672, Amsterdam (83)
44. Antillenhuis, Badhuisweg 175, Den Haag (91)


* Dit veronderstelt dat ik nog net niet op de helft ben. Echter, trekken van de in totaal 92 uitgebrachte huisjes de niet in de werkelijkheid bestaande fantasiehuisjes af, dat zijn er 10, en ook een heel lelijk huisje, nummer 49, dat staat in Coevorden, dan blijven er 81 huisjes over en ben ik al ruim over de helft.
** Achter de adressen staan tussen haakjes de nummers van de corresponderende KLM-huisjes.

vrijdag 27 januari 2012

De grofste korrel

Toen er nog rolletjes waren die je moest ontwikkelen en je foto's nog moest afdrukken om het resultaat te zien en je zonder te fotoshoppen voor de afwisseling eens een keer de grofste korrel* wilde hebben. Dat deed je met een rolletje TRI-X Pan 400 van Kodak. Een rolletje met een lichtgevoeligheid dus van 400 ASA, waarbij je je camera dan op 640 of 1280 ASA moest zetten, even uit mijn hoofd, en dan vervolgens de film twee keer zo lang in de ontwikkeltank. Dat betekende dan dat er overdreven kort licht in de lens binnenviel, waardoor de grijstinten geen kans kregen, maar misschien had dat extra lang ontwikkelen daar juist wel weer mee te maken. Ik ben niet zo technisch, maar zo kan ik me dat voorstellen. Toen waren dat echt onderwerpen binnen de fotografie.


Het leverde dan dit soort foto's op: eentje van een concert van The Cure in Ahoy in Rotterdam, van 27 november 1985, en eentje van Guusje en Mosje in de tuin bij het zomerhuis, ook ongeveer rond die tijd gemaakt, want de boom is nogal kaal.


Later heet Guusje overigens Guus, maar hier is hij nog klein, en Mosje is altijd Mosje gebleven, de pratende kat. Maar wat een toestand, die takken, zie ik nu pas. Hoe moet Guusje terug?

* Nog niet eens zo lang geleden hadden foto's korrels, zoals ze nu pixels hebben. De pixels van tegenwoordig zeggen eigenlijk alleen iets over hoe groot je de foto kunt opblazen. Een foto kan heel groot worden afgedrukt, maar wordt hij te groot, dan ga je allemaal blokjes zien, opgeblazen pixels. Dan ben je te ver gegaan. De korrels uit het verleden hadden met lichtgevoeligheid en scherpte te maken. Korrels waren er altijd, of je nou een kleine of een grote foto had. Een rolletje van 100 ASA had een fijnere korrel dan een rolletje van 400 ASA, maar was ook minder lichtgevoelig. Daardoor had je een langere sluitertijd nodig, en wilde je zo'n foto scherp krijgen, dan moest je je camera goed stil houden. Een rolletje van 100 ASA gaf hele scherpe foto's bij zonnig weer. Bij een hogere ASA-waarde had je minder licht nodig en kon je dus ook met een kortere sluitertijd werken. De korrels werden grover. 200 ASA gebruikte je bij bewolkt weer en met 400 ASA kon je binnen fotograferen zonder flits. Hoe groot je een foto ook afdrukte, korrels waren er altijd te zien, maar werden nooit blokjes.