Posts tonen met het label Relikwieën en documenten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Relikwieën en documenten. Alle posts tonen

woensdag 13 augustus 2025

De binnenkant van een Engelse brievenbus

Eerst aten we er nog gewoon een ijsje – lemon crunch van Kelly's, ijs uit Cornwall, waar clothed cream doorheen zit en dat we voor het eerst, ook in deze smaak, gegeten hebben in Poldhu, ver voor Lizard Point, onovertroffen, die smaak, en nog precies zoals we ons die herinneren –, hier op dat eigenaardige hoekje, waar tussen de deur van de ijswinkel en de brievenbus nog net twee stoeltjes pasten. We maakten er een selfie van, waarbij we naast onszelf en dat ijs ook meteen maar dat icoon meenamen – rood doet het altijd goed op een foto, het plaatje knapt ervan op –, maar nu, nu we er weer eens langs liepen door High Street in Poole, zagen we op datzelfde hoekje een postbode bezig dit museumstuk te legen. Een mooie gelegenheid om er eens in te kijken – als je ervoor openstaat, maak je nog heel wat mee op een dag, zeker als je bedenkt dat er in Poole verder niets te beleven valt. De postbode maakte geen bezwaar, ging ondertussen wel door met z'n werk want hij moest verder, dus het was snel handelen om het binnenwerk vast te leggen. En dat leverde nog een aardige verrassing op. Een kijkje in de ziel van Engeland.



Zo'n Engelse brievenbus namelijk, van dit model, een zogenaamde pillar box (het smalle type met een nogal brede en geprononceerde gleuf), waarvan er meer dan honderdduizend door het land verspreid staan, mag zeker geen lege huls genoemd worden, zoals je mogelijk zou kunnen afleiden uit de replica's in miniatuur die je in de souvenirwinkels vindt en die gevuld zijn met koekjes of toffees. Nee, er zit een ingenieus draadwerk in gemonteerd van zwart metaal, een kooi, met rechts middenin een rechthoekige verdieping en onderin een klep. Die verdieping is erin gemaakt om het slot in de deur ruimte te geven en kantel je de klep naar voren, dan kun je de brieven uit de brievenbus halen. De kooi die vroeger iedere dag helemaal met post gevuld was, iets wat in onze tijd misschien alleen nog in de kersttijd het geval is, was nu leeg. Onderin bij de klep lagen nog een paar brieven en het draadwerk zag eruit als een fuik waar ze bij het begin van hun reis doorheen gezwommen waren. Toch heeft dat draadwerk wel degelijk een functie, dat wanneer je de deur opendoet en het is een keer kerst, dat dan de opgestapelde brieven niet in hun geheel naar buiten vallen, en bij wind en regen over de straat waaien.

Op alle brievenbussen in Groot-Brittannië staan de initialen van de vorst die op het moment van plaatsing aan de macht is. Deze pillar box is uit de regeerperiode van Elizabeth II. Naar alles op de wereld wordt onderzoek gedaan en zo bestaat er ook een onderzoeksgroep van Britse brievenbussen:  The Letter Box Study Group. De hier besproken brievenbus komt niet voor op hun site. Als ze uitgezocht hebben welk type het is, zullen ze dat nog laten weten. Vermoedelijk is het een type B.

zaterdag 22 februari 2025

Utah Beach

Utah Beach, 2-8-1989.

Op Utah Beach vond ik ooit een stukje prikkeldraad, met knollen van roest. Het kon van de oorlog zijn. Om het niet verder te laten roesten pakte ik het in in kunsthars, een goedje waarvoor je twee componenten bij elkaar moest brengen en dat doorroeren. Het monument van herinnering dat zo ontstond is nog wel een keer gevallen. Door het stuk dat er toen vanaf brak, kreeg het ongewild een klassieke uitstraling. Het is ook sterk vergeeld. Ik zou het nu nooit meer zo inpakken. Je kan er ook niet meer bij. En terugrestaureren al helemaal niet. Rommel is het, kunsthars.

Wanneer het geweest is dat ik het vond. Dat staat eronder: op 2-8-1989. Dat is 45 jaar, 1 maand en 27 dagen na D-day en 45 jaar, 3 maanden en 17 dagen na de gruwelijkheden op Slapton Sands. Van die laatste gebeurtenissen had ik toen nog nooit gehoord.

maandag 22 april 2019

Echte souvenirs 2 – het heilige gras van St Andrews


Dit is het gras van de oudste golfbaan ter werelddie van St Andrews. Ook wel 'The Cathedral of Golf' genoemd. Heilig gras. Wij hebben erop gelopen in 2006. Kort gehouden door maaimachines die er de hele dag overheen snorren.


Het zit in een busje, een kokertje, waar je vroeger een fotorolletje in bewaarde. Ouderen herkennen het nog wel. Voor de foto moest het er even uit, het gras. Gelukkig stond er geen wind. Na de foto is het er tot en met het laatste sprietje weer gauw in gegaan. Dor en droog. Het mocht eens wegwaaien. Een echte souvenir. Maar hoe hou je gras groen?


Op de golfbaan is een bruggetje waarop de winnaars gehuldigd worden: de Swilcan Bridge. Het overspant het riviertje de Swilcan Burn en verbindt de eerste golfbaan met de achttien andere banen die het terrein rijk is. Behalve op het gras moesten we natuurlijk ook nog even op het bruggetje staan.

zondag 24 februari 2019

De sokken in het broodtrommeltje


Vandaag heb ik besloten de sokken die m'n oma nog heeft gebreid in het broodtrommeltje van m'n opa te doen. Zo heb ik ze mooi bij elkaar, een warme herinnering.


Onder in het trommeltje liggen onzichtbaar twee stukken Sunlight-zeep, tegen mot en ander ongerief. In de normale museale opstelling is het trommeltje dicht. Maar doe je het straks open, dan zal het zeker niet naar zweetvoeten ruiken.

vrijdag 15 februari 2019

Echte souvenirs 1 – de golfballetjes van het Fife Coastal Path


Dit zijn de golfballetjes gevonden op de stranden langs het Fife Coastal Path. Fife, of Kingdom of Fife, zo heet het graafschap boven de Firth of Forth, de zeearm – noem je zo'n inham in het land zo? – waaraan ook Edinburgh ligt, maar dat is dan ten zuiden ervan.

Ja, het is oppassen als je daar loopt, ze vliegen je er echt om de oren, van al die golfbanen aan zee. De balletjes komen uit twee jaren: uit 2004, toen ik er in mijn eentje liep, en 2006, met m'n nieuwe liefde. Welke balletjes uit welk jaar komen, weet ik niet meer.

Er staat van alles op. De bedrijven met hun reclame, wat de balletjes misschien wat goedkoper maakt, en ook een soort van technische aanduiding: PRO V1 – 392. Het laatste getal moet welhaast de afmeting zijn, in tienden van millimeters. Golfer nummer 2 moet gedacht hebben, ik zal nog even duidelijk aangeven wat mijn balletje is door er met stift een cirkel omheen te trekken.

vrijdag 18 januari 2019

Het broodtrommeltje van m'n opa


Dit is het broodtrommeltje van m'n opa dat hij altijd meenam naar het land. Niet voor sneetjes brood allemaal apart belegd. Nee, hij nam er een heel brood in mee, in de lengte doorgesneden en tussen de twee helften een laag reuzel. Genoeg voor de hele dag. Je moest hard werken op het land.


Nu bewaar ik er het vet voor m'n schoenen in.

zaterdag 14 mei 2016

Dommetje


Je kan niet altijd maar overal zijn. Daarom brachten Gerard en Linda dit potje zand voor me mee uit Sainte-Marguerite-sur-Mer.* De naam van het plaatsje is in mooi schuin handschrift op een papiertje geschreven en met plakband erop geplakt. Het deksel heeft hier en daar wat butsen, roest lijkt het. Wat zou erin gezeten hebben? Kappertjes? Nu zien we mooi gevarieerd zand, grof, veelkleurig.

Sainte-Marguerite-sur-Mer is een plaatsje dicht onder Dieppe en iets verder van Fécamp gelegen. Fécamp, waar Dom Bénédictine gemaakt wordt, een alcoholische kruidendrank. Katwijkse vissers die vroeger de havens van Dieppe of Fécamp aandeden, namen wel eens een fles van dat spul mee naar huis. Een 'dommetje' noemden ze dat.

Ook de vader van Linda kwam vroeger als visser in Dieppe.

* Voor m'n verzameling.

zaterdag 7 mei 2016

Het wonder van Katwijk


Ik herinner me nog, lang geleden, in een trein vol bedevaartgangers, terug uit Lourdes op weg naar Nederland – wij hadden er in de bergen gewandeld – een vrouw tegenover ons met zo'n Mariabeeldje gevuld met water, eerder eigenlijk een flesje in de vorm van een Mariabeeldje, een plastic flesje. Zij vertelde dat het bijzondere aan het water in het flesje was dat het niet verdampte. Thuis had ze nog zo'n flesje, van een paar jaar daarvoor, ook meegebracht uit Lourdes, en daar was nog geen druppel uit verdampt.

Het is natuurlijk niet zomaar water, dat water uit Lourdes. Het komt uit de Grot van Massabielle, waar in 1858 Maria verschenen is aan de 14-jarige Bernadette Soubirous, een eenvoudige molenaarsdochter. Maria had haar van allerlei kwalen genezen. Sinds het bekend worden van deze wonderen kwamen er jaarlijks zes miljoen bezoekers naar de grot om er te bidden en water mee te nemen dat er ontspringt uit een bron. Maar dat dit water anders zou zijn dan ander water en niet verdampte, dat geloofde ik niet. Ik vertelde de mevrouw dat ik dat wel begreep dat dat water in haar Mariaflesje er niet uit wou. Omdat er een dop op zat. Een plastic dop op een plastic flesje. Maar nee hoor, daar lag het niet aan. Volgens de vrouw had het niet met flesje te maken maar met het water. Het water zelf, daar lag het aan. Het was de eigenschap van het water, dat het niet verdampte. De vrouw was zeer stellig in haar opvatting. Ik probeerde het haar nog een keer uit te leggen, van de dop en het flesje, maar het had geen zin. Bij hoog en bij laag bleef zij volhouden dat het het water was. Uiteindelijk gaf ik haar maar gelijk. Het was nog een lange reis naar Nederland en de sfeer moest vooral prettig blijven. Misschien dat het lag aan mijn nuchtere protestantse opvoeding,* maar ook zonder die opvoeding was ik niet in haar verhaal getrapt. Hier golden gewoon de natuurwetten.


Later ben ik daar toch anders over gaan denken. Ooit, ook alweer lang geleden, heb ik voor mezelf een kunstwerkje gemaakt, bestaande uit een blok hout met daarin twee gaten, als een soort van houder. In het ene gat zette ik een pot met zand en in het andere een pot met zeewater uit Katwijk. Dat was op 4 september 1999, staat onder de potten in het blok. Waarom ik het kunstwerkje gemaakt heb, weet ik niet meer. Het zal wel met de eeuwwisseling te maken hebben. Heel voor de hand liggend heb ik het 'ZEEZAND' genoemd. De potten zijn afgesloten door een bakelieten deksel met daartussen een flexibele lijm. De deksels zijn verzegeld. De potten zijn nooit geopend. Daarmee werd dit kunstwerkje een relikwie.** Met het zand ondertussen is natuurlijk niets gebeurd, maar met het zeewater wel. Dat is bijna helemaal verdampt. Op het moment van schrijven zit er in de pot nog een dun laagje water, met daarin, op een hoopje, ook een wat vaster residu, een doorzichtig bergje. Zou dat het zout zijn dat uit het water is overgebleven?


Wat kan er de verklaring voor zijn dat het water verdampt is? Is bakeliet, de voorloper van plastic, poreus? Ik kan het me niet voorstellen. En kan water door een lijmlaag die de pot hermetisch afdicht, of als die lijmlaag misschien verteerd zou zijn,*** om een hoekje, de hoek van de rand van de deksel, een forse rand, mag ik wel zeggen? Nee toch? Ook al zou het er heel lang over hebben gedaan, dat water, om te ontsnappen door die deksel, wel bijna zeventien jaar, dan kan ik dat niet geloven. De pot zit letterlijk potdicht. Hij staat in een koude kamer waar de zon nooit komt op een donkere plek. Hoe kan het dat het water dan toch verdampt? Als het niet aan de pot ligt, het omhulsel, moet het wel aan de inhoud van die pot liggen. Hier gelden duidelijk niet de natuurwetten. Het kan niet anders of het moet de bijzondere eigenschap van het zeewater zijn, dat er de oorzaak van is dat dat water verdampt.  De bijzondere eigenschap van zeewater uit Katwijk. Zeewater uit Katwijk en níét uit Noordwijk of Scheveningen. Het Katwijkse zeewater is in ieder geval niet zo gewoon als het water uit Lourdes, uit de Grot van Massabielle, dat helemaal niet verdampt, zelfs niet door een plastic dop of een plastic omhulsel. Dat dit bij het water van Katwijk wel gebeurt, wel lukt, mag je daarom gerust een wonder noemen, het wonder van Katwijk.

Ten slotte nog dit: bedevaartsgangers worden in Katwijk badgasten genoemd. Het scheelt een paar letters,**** maar je kan het ook omdraaien, als je ziet hoeveel badgasten, lees: bedevaartgangers, de zee jaarlijks trekt.

* Zo'n plastic flesje in de vorm van Maria had me eigenlijk al moeten laten stuiteren. We spreken hier wel over de jaren tachtig van de vorige eeuw waarin ik dit meemaakte, een tijd waarin de zuilen nog lang niet verbrokkeld waren, de katholieke Máxima nog geen koningin was van ons protestantse vorstenhuis en de sociale media nog niet hadden bijgedragen aan een verdere vervlakking van de maatschappelijke verschillen.
** Het bevat nog het oude zand van Katwijk, van ver voordat de nieuwe waterkering werd aangelegd, zand dat daar in feite onder ligt.
*** Ik kan dit niet nagaan, want de potten zijn verzegeld. De inhoud is een relikwie. Van bijvullen van zeewater uit 1999 met zeewater uit 2016 kan natuurlijk helemaal geen sprake zijn. En daarbij: stel dat het Katwijkse zeewater met Noordwijks of Schevenings zeewater vermengd zou zijn.
**** En het hele woord badgasten kun je uit bedevaartsgangers halen.

maandag 15 juni 2015

Relikwieën en documenten (4) – Weer wit

Ik heb m'n opa's klomp weer wit geverfd, zoals het hoort. Eigenlijk moet ik niet zeggen 'weer', want hij was niet wit. Het was gewoon een houten klomp, zonder kleur, ooit. Maar ik had 'm, ook ooit, in een onbezonnen bui, geel geverfd. Daarom is ook de voetzool wit. Omdat die geel was meegeverfd. Maar dat hoort natuurlijk helemaal niet, een geverfde voetzool. Want dan kan je er niet gelijk op lopen na het verven. Maar nou zeg ik weer iets raars. Want het was niet eens verf, heel vroeger. Het was krijt, waarmee klompen werden gewit. Maar ook dan, ging je niet ook je voetzool meekrijten. Misschien moet ik, om die voetzool niet te zien, en zodat het klopt en eruit ziet zoals het hoort, er plantjes in zetten. Daar hield m'n opa van.

vrijdag 28 november 2014

Bewaard voor de eeuwigheid: een bokking in de bieb

'Niet geschikt voor consumptie', bokking, 1997, sign. 20642 C 1: 24.

Tussen de zeldzaamste handschriften en de prachtigste boekwerken, meest uit lang vervlogen tijden, bevindt zich in de kluis van de universiteitsbibliotheek te Leiden nog een ander bijzonder object. Het is een in plastic folie verpakte bokking.* De vis is in 1997 als bijlage verschenen bij een speciale editie van de Laatste Post en opgeborgen én aan te vragen onder signatuur 20642 C 1: 24.**

Het begeleidende artikel op pagina 3 van de Laatste Post.
(klik op de foto voor een vergroting)

* Voor de zekerheid is er ook nog een plastic bus om gedaan.
** Fred Dijs & John Heymans (red.) m.m.v. Rob Bindels e.a., Laatste Post, speciale editie, Amsterdam, BIS, 1997. Bijlage: vacuüm verpakte bokking. (De Enschedese School 20 jaar, deel 4).

Met dank aan Jan Cramer en John Frankhuizen voor hun hulp bij het in beeld brengen van het object.

maandag 1 april 2013

Het pakje Gauloises van Willem Frederik Hermans – Relikwieën en documenten 'Extra editie'*

Gauloises Willem Frederik Hermans

Wie er niet was, op het Boekenbal van 1988, was de grootste van de Grote Drie: Willem Frederik Hermans. Hij was die week wel in Amsterdam.** We kwamen hem tegen in De Brakke Grond,*** op een avond georganiseerd door de CPNB. Zwaar hoestend zat hij er achter een tafel, in een forumdiscussie met de Vlaamse dichter Eddy van Vliet. Het geprek ging over de relatie Nederland-Vlaanderen, het thema van de Boekenweek, en de gespreksleider was Joop van Tijn.

Na afloop praatten we nog wat na met de schrijver, en maakten foto's – Hermans wilde alles weten over de halfkleinbeeldcamera die Michel bij zich had. Er waren hapjes, happen, tafels vol, en bier en wijn vloeiden rijkelijk. De CPNB had aan alles gedacht. We staken nog een sigaretje op. En ik weet niet meer hoe het precies gebeurde, hoe snel ook, maar opeens duwde Michel dat pakje in m'n handen. Een leeg, verfrommeld pakje, achteloos op tafel gegooid.

Een kwarteeuw hangt het nu aan de muur, achter dik glas, op een donkere plek uit de zon, om het blauw blauw te houden, het blauw van Gauloises. De kreukels zitten er nog precies zo in als ze er ooit zijn in gekomen. Met de vingerafdrukken, of beter, handafdrukken van Willem Frederik Hermans. Een pakje uit Parijs, waar de schrijver woonde, aan de Avenue Niel 86. Echte Franse Gauloises, uit de bar-tabac om de hoek.

Voor de foto hierboven heb ik het glas nog maar eens goed opgepoetst. Mijn mooiste relikwie... Waarover moet ik nu nog schrijven?

Willem Frederik Hermans: De laatste roker

In 1991 verscheen de verhalenbundel De laatste roker. Daar was het pakje weer, uit dezelfde bar-tabac, maar nu platgevouwen.

Roken, je moet er maar niet meer aan denken, maar als je denkt aan de geur van een verse Gauloise... 's zomers in de zon...

* De serietitel (een label binnen deze blog) 'Relikwieën en documenten' verwijst naar Willem Frederik Hermans, Relikwieën en documenten. Een toespraak. Amsterdam, Uitgeverij De Bezige Bij, 1985. (Toespraak gehouden op 20 april 1985, toen de nieuwe behuizing van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te Den Haag werd geopend.)
** Stad met een stadsbestuur onder leiding van Ed van Thijn, dat de schrijver na een serie lezingen in Zuid-Afrika in 1986 tot persona non grata verklaard had, een ban die in 1993 haastig werd opgeheven toen Hermans het Boekenweekgeschenk geschreven had. Hermans was in 1988 op 14 maart in Amsterdam. Dat was op maandag. Het Boekenbal was altijd op dinsdag, de dag daarna dus.
*** Toen voluit 'Vlaams Cultureel Centrum De Brakke Grond' geheten, nu 'Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond', aan de Nes 45 te Amsterdam.

woensdag 19 september 2012

Relikwieën en documenten (3) – Klomp

Dit is de klomp van mijn opa. Of beter: wás de klomp van mijn opa. Die van de bomschuitjes (zie Wat ik mis (7) / Relikwieën en documenten (1) en Vroege herinneringen). In een onbezonnen bui geel geverfd. Dat doe je alleen als je jong bent, en daarna heb je eeuwig spijt. Wat zal er gebeuren als ik hem eens opschuur?

Heel vroeger groeide er een plant in. Daarom hangt-ie aan de muur. Onzichtbaar, met een haak in z'n hak. Zo lijkt-ie te zweven of vastgeplakt.

Grote voeten had mijn opa. Toch minstens maat 45, zoals ik zelf heb. Als ik erin sta, stiekem, op één been, denk ik: zo heeft mijn opa dus ook gestaan. Een lange man. En ja, waar is de linkerklomp?

Ik koester de klomp van mijn opa. Toen ik hem verfde, zat-ie al onder de houtworm. Als-ie ook mij maar overleeft, dan vind ik het best.

maandag 7 mei 2012

Lugdunum – Relikwieën en documenten (2)


Lugdunum, dat letterlijk 'stad van (de god) Lugh'* betekent, was ooit een Romeinse nederzetting in de buurt van het huidige Katwijk.**
In de tijd van de renaissance ging de stad Leiden zich in officiële documenten Lugdunum noemen. Dat klopte niet. De antieke naam voor Leiden is Matilo. Dat was een fort aan het begin van het kanaal van Corbulo, in wat nu de woonwijk Roomburg is. Om het nog wat ingewikkelder te maken, voegden de Leidenaren aan Lugdunum de aanduiding Batavorum toe. Dit om onderscheid te maken met een ander Lugdunum, dat in Frankrijk lag. Dat was Lyon. Het Leidse Lugdunum lag in het gebied van de Bataven. Maar dat was opnieuw een historische vergissing, want het oorspronkelijke Lugdunum, dat bij Katwijk lag, lag in het gebied van de Kaninefaten.

Er is in Leiden een voetbalclub die Lugdunum heet, en de Latijnse naam voor de universiteit is Academia Lugduno Batava. We lezen dat in het zegel van de universiteit, waaraan nog is toegevoegd de zinspreuk Libertatis Praesidium, wat vertaald moet worden met Bolwerk van Vrijheid.

Als je in Leiden afstudeert of promoveert, krijg je een prachtige, in het Latijn gestelde bul, met daarop in gekalligrafeerde letters je naam, de datum van de dag en nog zo wat vermeldingen. Dat kalligraferen gebeurt door de pedel.*** Hij heeft me daar eens over verteld. Hij doet dat in een apart zaaltje in het Academiegebouw, waar hij niet wordt afgeleid. De doctorsbullen krijgen ook nog een zegel.**** Ook daarvoor is de pedel verantwoordelijk. Maar dat is zo'n precisiewerkje, dat hij dat liever thuis doet. De bullen moeten daarvoor dan wel op reis, terug naar de plek waar het allemaal begon...
Want daar, op de zolder van zijn Katwijkse huis, heeft de pedel een pannetje. Daarin verwarmt hij de zegellak. Als de lak vloeibaar is, plaatst hij linksonder op de bul een mal. Daar giet hij de lak in, om er vervolgens het zegel van de Leidse universiteit in te stempelen. Op een zolder, een bolwerk van vrijheid, in het ware Lugdunum.


* Lugh is de Keltische zonnegod. Hij werd gezien als de god van de kunsten, de ambachten en de handel, voor de Romeinen een hele belangrijke god, een zogenaamde vadergod.
** We zien dat op de Tabula Peutingeriana, de Peutinger kaart. Dat is een kopie van een Romeinse reiskaart uit de derde tot vierde eeuw. De oudst bekende kopie is uit de dertiende eeuw en wordt bewaard in de Österreichische Nationalbibliothek in Wenen.
*** De pedel (spreek uit: pùdèl) is aan de universiteit de functionaris die promoties en oraties leidt en voor de stoet uit loopt met zijn staf. Boven op de staf staat Minerva, de godin van de wijsheid. Aan het eind van een promotiezitting komt de pedel de zaal binnen en roept 'hora est', wat Latijn is voor 'het is tijd'. Daarmee wordt de discussie, het vraag-en-antwoordspel, tussen aan de ene kant de promotiecommissie, bestaande uit professoren en doctoren, en aan de andere kant de kandidaat, de aankomende doctor, beëindigd. Het maakt daarbij niet uit of je midden in een vraag of antwoord zit. Tijd is tijd. Als de exact drie kwartier dat de zitting duurt bijna voorbij zijn, hoor je de pedel al aankomen, door de rammelende zilveren wapenschildjes die aan zijn staf hangen. Daar kun je als kandidaat handig gebruik van maken als je net moet beginnen met weer een vraag te beantwoorden.
**** Het grootzegel van de Universiteit Leiden meet ongeveer 8 centimeter in doorsnee. In het midden staat de godin Minerva afgebeeld, met links van haar het wapen van Holland, rechts het wapen van de stichter van de universiteit, prins Willem van Oranje, en onder haar voeten het wapen van Leiden. Het randschrift luidt: Signum maium Academiae Lugdunensis apud Batavos. In het Nederlands: 'Grootzegel van de Universiteit van Leiden bij de Bataven'. Op het lakzegel ontbreekt de toevoeging Libertatis Praesidium.

dinsdag 24 april 2012

Wat ik mis (7) / Relikwieën en documenten (1)

M'n oma, neuriënd in de keuken. Maar alleen het puurste van het puurtste: psalmen, gezangen en liederen uit de bundel van Johannes de Heer – in die volgorde.

Het kopje thee. De haarspelden in het asbakje, met een vuurtorentje erbovenop. De appels in de schaal op het tafeltje in de hoek. In de andere hoek een elektronisch orgeltje, een Philicordia, als ik het wel heb. En als je door de kamer liep, het rammelen van de ruiten van de kopjeskast. Boven op de kast het bomschuitje van opa.


M'n oma. Dit waren de sokken die ze voor me breide. Al meer dan 25 jaar geleden en nog helemaal heel. Afgelopen winter, toen het zo koud was, heb ik ze nog aangehad. 's Avonds, lekker warm aan je voeten, met de kachel aan.

Ik zie haar nog zitten, in de stoel naast de televisie. Nooit vóór de televisie. En maar gaan met die pennen – wat zal het geweest zijn, pen 3, of 4? Af en toe keek ze op, voor de visite, of opzij, als er wat op de televisie was. Maar daar was toen ook al niet veel op te zien.

Hoe ging dat, zo'n sok? Eerst het teenstuk, dan de voet, dan het hielstuk en dan de rest? Of andersom, eindigend bij het teenstuk? Met drie breipennen in de rondte?

En hoe lang zal ze erover gedaan hebben, over zo'n sok? Een dag? Een middag en een avond? Zou ze m'n sokken alles bij elkaar in nog geen week gebreid hebben? M'n oma, nooit een minuut stil gezeten.