zondag 1 mei 2016

Vanmiddag op het strand


Vanmiddag op het strand, voorbij Willy Zuid, bij Skuytevaert, nog maar een handjevol masten, twee wielen die klaarstaan om een catamaran naar zee te brengen, en weer terug, de hele lange zomer lang. Op het terras lees ik in Honorair Kozak van Tommy Wieringa, over rijke meisjes die vanaf een jacht in rubberbootjes over de Ligurische Zee aan land komen. Daar doen zij in een soort balletstand hun hoofd opzij en wringen hun ravenzwarte haren uit. Mooi beeld van de zomer.

donderdag 21 april 2016

De klassenfoto – Lagereschooltijd (8)

Christelijke Opleidingsschool, klas 6B (1973-1974).

Daar zitten we dan, op de rood-met-geelgewolkte vloer. Klas 6B, van de lichting 1968-1974. Even kijken of ik ons allemaal nog weet. Mijzelf, links bovenaan, dan Arend van Duijn, Gerard van Duijn, Gijsbert Aandewiel, Piet Grotendorst, de onderwijzer, die in Drenthe is gaan wonen. Een bovenste beste! Wij mochten natuurlijk geen 'Piet' zeggen, maar moesten 'meneer' zeggen en geen 'meester', zo modern was onze school dan wel. Op de tweede rij van boven zien we Willeke van der Oever (of: van der Plas), waar ik in de tweede klas naast zat en nog een foto van heb waarop we allemaal een appel eten – dat zal wel zo'n actie van 'Snoep verstandig, eet een appel' geweest zijn. Dan Hanneke Verdoes, op wie we allemaal verliefd waren, en Arenda van Egmond, op wie we ook allemaal verliefd waren, helemaal uit Rijnsburg iedere dag op de fiets. Zij woonde in het witte huis met die grote kleurige papegaai op de zijkant geschilderd. Aan de Rijnsburgerweg, voorbij de splitsing tegenover de oude hallen van bloemenveiling Flora, daar aan de overkant. We hadden er een keer een feest. Het huis is later afgebroken en nooit meer opgebouwd. Er is nu een parkeerplaats met Mercedessen. Ik heb even navraag gedaan bij de buren van die parkeerplaats, een familie De Mooij. Die konden inderdaad bevestigen dat daar dat huis stond. Er was een dierenwinkel bij. Dat verklaart natuurlijk die papegaai. Er moet ook nog een bord met P. Sluis vogelvoeders gehangen hebben. Na Arenda zien we Jeanet van Egmond, van de kruidenier – of mocht je dat al een supermarkt noemen, want je mocht alles zelf pakken – in de Koninginneweg, dan Ageeth, waarvan ik de achternaam kwijt ben, dan een klasgenoot waarvan ik de hele naam niet meer weet – of misschien dat zijn voornaam Wim was; hadden zijn ouders misschien een tegelhandel? De volgende is Bram van der Meij, dan weer een die ik niet meer weet – ik denk een Jan, een Jan van der Plas misschien wel – en als laatste in de rij Kees Hoek. Op de rij daaronder Nel Wassenaar, Heleen Dijkhuizen, Peter van Duijvenboden, die schrijver geworden is, dan eentje van wie ik de naam kwijt ben – misschien ook wel een Jan –, daarna Theo van der Plas, die toen al motoragent wilde worden en dat dacht ik ook geworden is, Hans de Mol, Hudie Ouwehand, Albert de Vink, een neef van mij, en als laatste weer een naamloze, of heette die Arie of Wim? Op de rij op de grond de dochter van de poelier in De Waalmalefijtstraat, met de achternaam Sterk, maar wat was haar voornaam? Dan als tweede iemand die ik vergeten ben, en ook als derde. Verder Herman van Rhijn, Tonnie de Mol, Arie Schaap, Gerco Klok, Bram Verloop en Carol Bouwman, die in de 'Groene Pannen' woonde, of daar net voorbij, in de bocht. Haar vader was advocaat. Het een na laatste meisje heette volgens mij Marja, met als achternaam, als ik het goed heb, Brouwer. Van het laatste ontbreken voor- en achternaam.

Leven we allemaal nog? Wat is er van ons geworden?

Het viel niet mee om al die namen weer in m'n hoofd te krijgen. Toen ik de foto uit m'n fotoalbum haalde om 'm te scannen, dacht ik nog, wat moet dat worden. Maar in de dagen dat ik naar de publicatie van dit bericht toe leefde, plopten er steeds meer op, meer dan er een paar jaar geleden zouden zijn opgeplopt, denk ik. Het zal de ouderdom zijn. Hoe ouder je wordt, hoe meer er van vroeger terugkeert in je hersenpan, of kan ik hier beter zeggen: wordt teruggevonden. Het moet een puinhoop zijn, in die bovenkamer, al die jaren...


Van Jacqueline van Duijvenboden kreeg ik als reactie nog deze foto toegestuurd. Er ligt een bord bij de vuilnis met daarop WORMEN MADEN. Het was dus inderdaad een dierenwinkel. Ze hadden er zelfs aapjes, zoals Jacqueline op hieronder en op Facebook schrijft. Je kon het goed zien, die papegaai op het huis als je er met de bus langsreed, en ook nog een vis. Arenda woont tegenwoordig in Frankrijk, haar zus in Engeland.

Van Marjan Leemans-Arnoldus kreeg ik nog de volgende oplossingen: Willeke van der Oever is inderdaad Willeke van der Oever. De dochter van de poelier heet met haar voornaam Linda. En het meisje rechts onderaan is Rienet van Rijn, van de bakker in de Princestraat. Ja, we komen er wel, als iedereen wat roept.

De laatste dame is toch niet Rienet van Rijn. Peter geeft hieronder het complete en juiste overzicht. Super! Onderzoek afgerond. Hoewel, nu nog een kleurenfoto van het huis met de papegaai! Wie heeft hem?

zaterdag 16 april 2016

De Highlandgames


We zijn ook een keer naar de Highlandgames geweest. Dat was in de Keukenhof. Ik moet eigenlijk zeggen, bij Kasteel Keukenhof, want je kunt je moeilijk voorstellen dat ze tussen die lieftallige tulpen met boomstammen gaan gooien of keien gaan werpen. Dan ben je nergens meer met je rollator of rolstoel. Ervan uitgaande dat een flink deel van de Keukenhofbezoekers op leeftijd is met de bijbehorende vormen van slijtage en gebreken. Dus doen ze dat zware-dingen-gooien aan de overkant van de weg waaraan de bloementuin ligt. Bij het kasteel.


Er renden ook honden om schapen heen, om ze bij elkaar te houden. En er traden mannen in rokken op, met een doedelzak. Het geluid van die doedelzakken is prachtig. Een sonore grondtoon, je hoort dat de instrumenten zich vullen met lucht, dat duurt een paar seconden, misschien wel tien, en dan begint het, en mooi als het er dan veertig zijn of zo, met die muziek, dat massale geluid. En roffels op strak afgestelde snaredrums. Er was een tentenkamp, een markt, een beetje blubberig, maar dat hoort erbij, met veel landlevenproducten en andere quasiauthentieke spullen. Kleren uit oude tijden, helmen en zwaarden, kleden en dekens, kaarsen, honing, hammen, ringen en halskettingen met runentekens, en hier en daar een oude ambachtsman of -vrouw die dat fantasievol in elkaar aan het zetten was. Een kakafonie aan spullen en uitbeeldingen van hoe het misschien ooit waarschijnlijk wel eens geweest zou kunnen zijn. Gezellig, maar de meeste kramen loop je zo voorbij. Je trekt eens een oude landlevenjas aan of zet een helm op, neemt een bak koffie met een of andere stevige haverkoek, en zo banjer je daar dan tussendoor.

donderdag 14 april 2016

Op bezoek in het ziekenhuis (2003)


Het was niet alleen maar kommer en kwel in het ziekenhuis. Deze foto maakte ik van het bezoek dat langskwam. Daarvoor moest ik dan wel even stiekem m'n bed uit.

In de tijd van de analoge foto's kon je niets met zo'n foto, want bloggen bestond nog niet en Facebook ook niet. Het was een andere tijd. Niet minder leuk dan deze tijd. Niet afgeleid door alle sociale media las je natuurlijk wel vaker een boek.

maandag 11 april 2016

In het ziekenhuis (2003)

April 2003.

Het vertalen van (de) Kappie, de wekelijkse strip in De Katwijksche Post, ging gewoon door vanuit het ziekenhuis. Ik geloof dat het precies goed uitkwam, dat ik er tegen het weekend in kwam en dat, toen dinsdag Bert* belde hij het niet eens doorhad dat ik erin lag. Omdat ik alweer een paar dagen bij kennis was.

Het zou inderdaad het mooiste zijn als alles gewoon door kon gaan als je in het ziekenhuis lag. Maar dat kan niet. Even mag je helemaal niet meedoen met het draaiende houden van de wereld. Ik denk dat dat nog wel het allerergste is van in een ziekenhuis liggen, dat je afgesneden bent van de buitenwereld. Het enige contact is bezoek, de krant, tv en telefoon. Maar daar heb je allemaal niet veel tijd voor, want je moet rusten en genezen. Daarvoor lig je daar. Het is dus ook helemaal niet de bedóéling dat je je bezighoudt met wat er buiten de muren van het ziekenhuis gebeurt. Dus als je dan – toch, of desondanks – een Kappie mag vertalen vanuit je ziekenhuisbed, voelt dat geweldig.

In 2003, toen ik Kappie vanuit het ziekenhuis vertaalde, bestond de strip zo ongeveer een jaar of twee. Dat wordt dit jaar dus al een jaar of vijftien.** Mocht ik 75 jaar worden, dan heeft Kappie nu al een vijfde deel van mijn leven in beslag genomen. Word ik 60, dan zelfs al een kwart. En val ik morgen om, dan meer dan dat. Hoe je het ook wilt zien, zo'n stripje vertalen maakt je er maar mooi van bewust hoe kort het leven is. Of om het met de woorden van de psalmdichter van psalm 89, vers 19 (berijmd) te zeggen: 'Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur'.

* Bert van der Meij is de maker van de strip.
** Of zijn we de vijftien jaar al gepasseerd? Vijftien jaar lang, iedere week weer. Het is een constante, net als eten en drinken. Heel soms, als Jaap van der Marel het niet overneemt, gaat het ook door als je op vakantie bent, maar daarover later meer.

donderdag 7 april 2016

Je krijgt er een tafeltje bij


Bij dat mooie boek over de eregallerij in het Rijksmuseum (ik zet daar geen spatie in, in dat woord) krijg je een tafeltje van mangohout. Da's handig. Als je plek hebt voor het tafeltje, heb je dus ook plek voor het boek.


Het filmpje op YouTube is grandioos. Vooral op groot scherm.

zaterdag 2 april 2016

Na de reünie


Na de reünie, op die zomerse middag op het plein van m'n ouwe school, namen Jan en José me op sleeptouw. Naar de duinen. Anders zou ik in een gat vallen. Ja, ik lach wel op die foto met m'n oude klas, maar net twee maanden daarvoor lag ik nog met een dubbele maagzweer in het ziekenhuis. Na een lange rit met de taxi, waarbij ik het bewustzijn al bijna begon te verliezen, strompelde ik begin april 2003 het ziekenhuis binnen. De waarde van mijn Hb was gezakt naar 5.* Ik kon nog net op tijd op de grote rode knop naast de deur van de EHBO drukken, viel als het ware naar binnen, en werd meteen op een brancard gelegd. Ik denk dat ik daar nog wel zelf op ging liggen, maar daarbij  ook geholpen werd. Van wat daarna gebeurde, weet ik niets meer. Ik werd wakker in een bed met allemaal slangen aan mijn lichaam en ernaast een standaard met twee zakken bloed en een zak met een maagzuurremmer. In de middeleeuwen zou je hieraan doodgegaan zijn. Ik lag een week in het ziekenhuis. Toen de wonden van de maagzweer dicht waren,* mocht ik weer langzaam eten en moest ik wachten tot mijn poep weer de gewone kleur kreeg. Bij een maagzweer is die gitzwart door het verteerde bloed dat meekomt uit de maag. Ik kreeg veel bezoek en Korrie en Willem verzorgden de poezen. Ondertussen, in die week in het ziekenhuis, was ik me er goed van bewust geraakt dat het maar een haartje gescheeld had of ik was er niet meer geweest. Vanaf het moment dat ik weer naar buiten mocht zou ik mijn leven drastisch omgooien.

Direct uit het ziekenhuis kocht ik nieuwe kleren, maar die pasten me al gauw niet meer, omdat ik in het ziekenhuis kilo's afgevallen was. Dat was behoorlijk stom van me. Ik kocht een nieuwe fiets, een toerfiets met achttien versnellingen, waarvan ik er al gauw niet meer dan vier kon gebruiken. Koop nooit een Giant, het is rotzooi.


Maar die middag, die namiddag, moet ik zeggen, die mooie zomerse namiddag, na de reünie, in de duinen met Jan en José, vergeet ik nooit meer. We liepen er over de Muur en boven op een duintop zagen we herten.

Ook deze foto's, van na de reünie, zijn weer uit de analoge tijd. Je bent er wel even naar op zoek. Ze zitten allemaal in dozen, foto's waar je al die tijd niks mee deed, want bloggen bestond nog niet. Je bladerde die dozen eens door, zo af en toe, misschien één keer in het jaar. Dan kwam er weer een beetje lucht tussen, of als je natte vingers had, omdat je net je handen had afgedroogd en ze toch nog nat waren, zaten er het jaar erna een paar aan mekaar. Die moest je dan weer losweken onder de kraan en drogen in het afwasrek. Dat was toen. Nu zit het allemaal op een kaartje, in je fototoestel, en in de computer. Wie drukt er nog af? Ze zijn er rijk van geworden, de fotografen, in de laatste jaren vooral de HEMA. Nu hou je geld over, zou je zeggen. Als bijvoorbeeld de gemeentelijke belastingen niet ieder jaar omhooggingen. Want dat weten ze hoor, bij de instanties, dat jij je foto's niet meer allemaal hoeft af te laten drukken om er met een glimlach doorheen te bladeren.

* Dan verlies je bijna het bewustzijn. De minimale waarde voor een man is 8,5 en voor een vrouw 7,5.
** Die wonden gaan dicht door een maagzuurremmer die een soort laagje op je maagwand maakt. Daarna krijg je nog een kuur van twee soorten antibiotica om de heliobacter pylori-bacterie te bestrijden. Die kuur gaat nog door als je het ziekenhuis al verlaten hebt.

donderdag 24 maart 2016

Het bankje 35 jaar later – Lagereschooltijd (7)


Niet te weten dat we 35 jaar later op de reünie van onze school – dat moet in de zomer van 2003 geweest zijn – nog eens met z'n allen voor (en op) dat bankje zouden staan. We waren niks veranderd.

Ik denk dat we toen ook dat filmzaaltje bekeken hebben, of dat de deur op slot zat en we er niet in konden. Dat weet ik niet. We doolden wel door de gangen, over dat mooie marmer van de vloer, of was het graniet? Ja, het moet iets samengestelds geweest zijn, want zulke grote platen marmer, van wel tien bij dertig meter, die sleep je niet zomaar naar Nederland, naar Katwijk, om in een school te hijsen, als vloer tussen de klassen. Je ziet die kranen al voor je, die bestonden niet in die tijd, en anders was het niet te betalen geweest. Maar graniet, granito, rood met geel, hoe verzin je het. Op de trappen zag je dat het hier en daar al aardig begon weg te slijten.*

Maar dat we daar nu groot geworden, als grote mensen, voor en op dat bankje stonden, dat bankje van minstens 35 jaar oud, dat het ons nog hield. Wie had het kunnen denken.

Die 35 jaar is gerekend vanaf de val van het ronde hekje. Voor de reünie zou je eigenlijk moeten rekenen vanaf het jaar dat je de school verliet. Dat is 1974. Dat was in 2003 dan toch al 29 jaar.

En wie je daar allemaal zag, op die reünie, op dat plein, want het was hoogzomer. Mijn huisarts, die ik vroeger had, met een biertje in zijn hand. Zo zag je je huisarts nooit. Die had dus een paar klassen hoger gezeten dan jij. Maar zo ver keek je nooit, buiten je eigen klas, ook niet als je op het plein speelde. Je speelde altijd met je eigen klas, en soms ook de parallelklas. Van elke klas waren er twee. Sleeboom liep er, op het plein. De hoofdmeester. Geen steek veranderd. Hetzelfde colbertje als 29 jaar geleden. – Laat ik het nu goed zeggen, '29 jaar geleden', maar toen we de school verlieten, was hij al drie jaar in dienst. Dus eigenlijk moet ik zeggen: 'hetzelfde colbertje als 32 jaar geleden'. – Blijkbaar zagen onderwijzers en onderwijzeressen er in je kinderogen veel ouder uit dan ze in werkelijkheid waren, en een hoofdonderwijzer nog veel ouder. Ik gaf hem nu, op de reünie van 2003, toch zeker 70 jaar, maar in 1974 was hij dat ook al voor mijn gevoel.** Het leek een geestverschijning, op die mooie zomerse dag op dat plein, een luchtspiegeling, maar hij liep daar echt, van de poort waardoor je naar het gebouwtje van de schooltandarts ging, naast de gymzaal – 'snoep verstandig, eet een appel' – naar de ingang aan de achterkant van de school, waar we altijd in de rij stonden voordat we naar binnen mochten. Hetzelfde jasje. Sleeboom, die zo mooi verhalen van de Tachtigjarige Oorlog kon vertellen als er een juf of meester ziek was. Wie ik verder nog zag, was de onderwijzeres die we 'Snoepie' noemden, omdat ze zo klein was en een snoepje om te zien. Hoe ze echt heette, weet ik niet meer, want wij hadden haar niet. Ik denk zelfs dat ze een klas lager zat, nieuw binnengekomen, toen wij al hoger zaten. Andere onderwijzers of onderwijzeressen van toen waren er niet, op het schoolplein. Van Piet Grootendorst begrijp ik dat wel, die woont tegenwoordig in Drenthe. Nou ben ik zelf ook niet zo'n fan van reünies, maar deze wilde ik niet missen. De lagere school is toch de school waar je de langste tijd doorbrengt, in ieder geval voor je gevoel, en die, omdat je dan nog jong bent, misschien wel het meest bepalend is voor de rest van je leven.

Op die reünie, in 2003, zullen we gedacht hebben: in deze tijd kan alles. Maar eerder, veel eerder, in onze lagereschooltijd, ja, toen kon echt alles. Dat waren de jaren zestig, die heerlijke jaren zestig, met leuke postzegels, leuke kaften om de boeken, boeken van Annie M.G. Schmidt, met De Stratemakeropzeeshow en Catweazle. Later werd het allemaal veel benauwder. Wéér (opnieuw) veel benauwder, moet ik zeggen, want ook vóór de jaren zestig was het benauwd. Ik hoor het mijn tandarts nog zeggen, na afloop van mijn praatje over de jaren zestig afgelopen zomer in het DunaAtelier, dat ik hem met dat praatje van zijn jarenvijftigtrauma had afgeholpen.

De foto is nog analoog. Daarom staan we er scheef op, en onscherp. Niks aan te doen. We konden 'm niet even nakijken. Hoe-ie geworden was. Moesten wachten op het rolletje, dat ontwikkeld moest worden, de foto's afgedrukt. Was het rolletje al vol, toen deze foto geschoten werd? Als je aan het begin van de, zeg 36 foto's zat, die er te verschieten waren, moest je nog lang wachten, tot het weggebracht werd. Maar we staan erop. 2003. Een overgangstijd, van analoog naar digitaal. (In 2004 kocht ik mijn eerste digitale fototoestel.) We kunnen het ons nauwelijks meer voorstellen. Er zijn al kinderen in deze tijd die niet beter weten, die zoals wij in 2003 en dan 35 (of 29) jaar daarvoor, zo oud zijn, die leeftijd hebben, of jonger, en die niet beter weten, die niet weten wat er voor die enen en nullen was.

En bloggen, dat deed je al helemaal nog niet, in 2003.

* In het bericht van 25 februari 2014 noem ik het nog marmer. Maar wat het echt is, ik weet het niet.
** Peter de Mol weet mij achteraf te vertellen dat Sleeboom geboren is op 25 juni 1915 en overleden in juli 2005. Hij is begraven bij het Groene Kerkje in Oegstgeest. Hij moet dus al 87 of 88 jaar zijn als hij over het plein wandelt. Als ik de school verlaat, in 1974, is hij 58 of 59 jaar.

zaterdag 19 maart 2016

Vandaag is Beer vijf jaar

In memoriam 19 maart 2011.

Wie zei dat ook alweer, dat het niet eerlijk is, dat alles wat je liefhebt en op de aarde wordt gezet, dat dat je ook weer wordt afgenomen...

dinsdag 15 maart 2016

Knielen op een bed violen op het Boekenbal

Donderdag zag ik op televisie de documentaire over 65 jaar Boekenbal. Het ging er onder andere over hoe exclusief dit bal is. Een bal alleen voor schrijvers, waarvoor je niet zomaar een uitnodiging krijgt, en waar je, als je geen schrijver bent, heel moeilijk binnenkomt. Het buitenland is er jaloers op, want het bestaat alleen in Nederland. Een feest waarop je als schrijver één keer in het jaar helemaal uit je dak kan gaan. En dat gebeurt ook. Vooral omdat je als schrijver het hele jaar door eenzaam in je kamertje zit te zwoegen op een boek, zonder ooit een collega te zien.
Op het eind van de documentaire ging het over de wat meer sensationele dingen die er de afgelopen jaren op het Boekenbal gebeurden. Zoals de vechtpartij met Beau van Erven Dorens. En over wat zich boven, op de gaanderijen afspeelt. Tommy Wieringa vertelde dat het daar altijd helemaal donker is. Peter Buwalda was er ooit bijna gestruikeld over een ander stel dat er lag te rotzooien. Ook Jan Siebelink was er wel eens aangetroffen achter de gordijnen. Toen het hem gevraagd werd, beaamde hij het voor de camera, dat hij zich daar had laten bevredigen. Hij gebruikte het p-woord. Even dacht ik dat ik het niet goed gehoord had. Ik spoelde de film nog eens door op Uitzending Gemist, maar daar zei die het weer, in de 32ste minuut. De titel van zijn bestseller Knielen op een bed violen kreeg er opeens een heel andere betekenis door.

Klik op Binnen bij het Boekenbal om de documentaire te zien.

zaterdag 12 maart 2016

Het bankje – Lagereschooltijd (6)


Dit is het bankje, achter op het plein, waarop je zat met slagbal, als je nog niet aan de beurt was. Daarnaast was een rond hekje. Zo noemden we het hekje van paaltjes met daartussen een ronde stang, om de bosjes heen. Bosjes. Zo noemden we de struiken om het plein. Gek hoe dingen hun naam krijgen: rond hekje, bosjes.
Op die ronde stang kon je lekker balanceren, eroverheen lopen, als je nog niet in de rij op het bankje hoefde te gaan zitten, omdat je nog lang niet aan de beurt was om te slaan. Iedereen die nog lang niet aan beurt was met slagbal hield zichzelf in evenwicht op het hekje met de stang.
De stang was glad. Ik ben daar toen een keer vanaf gegleden en op m'n rechterarm gevallen. Op m'n elleboog. Dat deed hele erge pijn. 'Zeer', zal ik gezegd hebben. Ik mocht, moest toen van de juffrouw maar op het bankje gaan zitten tot het over was. Dat moet in de tweede klas geweest zijn.


Ik zat aan het einde van de bankje – in het hoekje, kan ik zeggen, want de muur had steunberen en daartussen zaten die bankjes vastgemaakt –, en sloeg mijn beurten van slagbal over, kwam helemaal niet meer aan de beurt. Alle andere kinderen uit de klas gingen door met slagbal, schoven door op het bankje, maar ik niet. Ik bleef in het hoekje zitten. Want die arm bleef zeer doen. Ook na een uur nog, toen we allang met slagbal klaar waren.
Ik moest toen toch maar naar de dokter – hoe dat gegaan is, weet ik niet meer; achter op de fiets bij je moeder? – en daarna naar het ziekenhuis, het Sint-Elisabeth-ziekenhuis aan de Hooigracht in Leiden. Dat kan ik me nog wel herinneren. Want daar werkten allemaal nonnen, hele aardige nonnen. 'Lief', noemden we ze. Want ik kreeg hele stapels oranje papier mee, die ze verzameld hadden van de röntgenfoto's die daarin gezeten hadden, hele grote vellen, en daar kon je mooi op tekenen en mee plakken. M'n arm was op twee plaatsen gebroken, zeiden ze, bij de elleboog, een dubbele breuk. Heel lang hing m'n arm toen in een mitella en kon ik alleen met links schrijven. En dat was ik niet. Dan schoot je heel erg uit met je pen, als je links moest schrijven, terwijl je rechts was. Dat was alleen als je een schriftelijke overhoring had, want verder hoefde ik niet te schrijven in de klas, maar je mocht niet achterop raken, dus die schriftelijke overhoringen moest ik wel maken. Dat zag er niet uit met links. Thuis moest m'n moeder al m'n huiswerk schrijven. In m'n schriften veranderde mijn handschrift in mijn moeders handschrift, van recht naar schuin. En na misschien weer een halfjaar weer naar recht. Jammer dat ik die schriften niet meer heb.

dinsdag 8 maart 2016

Middagje cultuur snuiven


Zondag waren we weer eens in het Concertgebouw, voor de broodnodige ontspanning. Het Nederlands Philharmonisch Orkest speelde het tweede pianoconcert van Brahms en de vijfde symfonie van Sibelius. Lars Vogt zat aan de vleugel. Iedere keer dat hij een stuk gespeeld had, gingen zijn handen theatraal de lucht in. Het geheel stond onder leiding van de nog jonge dirigent Marc Albrecht. Buiten regende het. Weer voor muziek. En wat voor muziek. Want hoe al die instrumenten met hun verschillende geluiden zo naadloos in elkaar overgaan en op elkaar aansluiten is iedere keer weer verbluffend om te horen. Pure perfectie!


En ook, een training voor jezelf, in luisteren, stilzitten, even twee uur geen gevangene van je telefoon. Noem het meditatie. Als je je ogen dichtdoet merk je niet dat er apart een pianist aan het spelen is. En al die zoemende violen in dat stuk van Sibelius, net bijen. Of waren het muggen, als ik aan Finland denk. Het geluid van de bassen, zonder strijkstok, ploink ploink, ploink, ploink. De hoorns, de trompetten en trombones, de fagot. Machtig!


In het programma lezen we: 'Kern van de finale is wel het mooiste mozaïeksteentje van deze symfonie en wellicht één van de meest indrukwekkende thema's die Sibelius ooit heeft bedacht. Zoals hij zich herinnert in een dagboekaantekening van 21 april 1915: "Vandaag tussen tien en elf uur zag ik 16 zwanen. Eén van mijn mooiste ervaringen! Mijn God, welk een schoonheid! Ze cirkelden lange tijd boven me en verdwenen toen in de nevel van de zon als een glinsterend zilveren lint. Hun roep leek op die van een kraanvogel, maar dan zonder tremolo en met een meer trompetachtig geluid." Meteen was het Sibelius duidelijk dat hun kreet de bekroning van zijn Symfonie nr. 5 zou worden. Hij had gelijk, want, hoewel het nauwelijks meer dan een golvende beweging van intervallen is, maakt deze indrukwekkende melodie de Symfonie nr. 5 tot een lieveling van het publiek.'*


Een publiek van veel grijze hoofden. Maar daar mag ik mezelf toch ook wel toe rekenen – als ik naar m'n haar kijk.


Na de hoge cultuur daalden we af naar de wat meer bohemienachtige sferen van Kapitein Zeppos. We hebben er heerlijk gegeten.


Je vindt dit restaurant (eetcafé en muziekcafé) in het straatje met het meest gejatte straatnaambord van Amsterdam. Tot voor kort. Want in plaats van op een bord hebben ze de naam uiteindelijk maar op de muur geschilderd: 'Gebed zonder end'.

* Citaat uit het programma door Kees Wisse.

dinsdag 1 maart 2016

'Hora est' – het portret

Willem van Beelen, vereeuwigd door Viktoryia Shydlouskaya.

Als pedel word je bij je afscheid, net als een prof, geportretteerd en kom je voor eeuwig in het Academiegebouw te hangen. Dat hoort zo bij de gebruiken van de universiteit. Maar als je als pedel dan ook nog uit Katwijk komt, het ware Lugdunum, hoort daar natuurlijk wel een vuurbaak bij, als lichtend baken voor al die afgestudeerden die nog moeten promoveren.

Moet je je es indenken, eeuwig aan de muur van het Academiegebouw... Daar kan geen handtekening in het Zweetkamertje tegenop.