Hoe vaak heb ik dit boek al bestudeerd? Voor de eerste keer misschien toen ik nog een jonge jongen was, ik leende het van de bibliotheek in het dorp. Later, veel later, wat serieuzer voor de werkgroep taalvariatie, in het tweede jaar van mijn studie. Ook op de universiteitsbibliotheek bleken ze het te hebben. Ik gebruikte het boek ook voor mijn doctoraalscriptie en daarna weer voor mijn proefschrift. Ettelijke keren heb ik het doorgebladerd, voor dat proefschrift wel heel minutieus. Want wat bedoelde Overdiep bijvoorbeeld als hij schreef:
'De verzwaring van den woordvorm houdt ook verband met de "woordsymboliek". Ten eerste is er het bekende verschijnsel van de wisselvormen in den woordaanhef. Ten tweede is het mogelijk, dat het woordéinde wordt verzwaard; zoo bestaat er in Katw. een vorm
klors naast
klos (garen; ook: stamper). Het werkwoord
kneuzen luidt in het Katw.
kneurse, het deelw. is
ekneurst. Met zou kunnen denken aan invloed van
knoerse (verknoeide); maar er bestaat een Drentsch kneu
rn naast kneuzen (...). Aan afwisseling van scherpe t en zachte d in den woordaanhef zou men kunnen denken bij het werkw. toppe-doppe (nu en dan met de
toppen van de masten in de golfdalen zichtbaar zijn). Maar een werkwoord
doppen (dompelen èn duiken) is elders bewaard (doppen is duiken bij Gezelle (...)), en dat is verwant met doopen. Dit neemt niet weg, dat dan naast
doppen onder invloed van "top" de vorm
toppen is ontwikkeld.
Het werkw.
tobben heeft den vorm
toppe, verl. tijd topte;
lubben (de visch van ingewanden ontdoen) heeft
luppe. Er is een werkw.
skrobbe, met de beteekenis
jeuken en jeuk verdrijven door krabben; dit heeft in den verleden tijd den scherpen vorm
skropte. In de gewone beteekenis is het
skrobde. Deze verscherping (uit hij skro
pt?) is te vergelijken met die van maent-maen
te (...).'
Of:
'Er zijn ook gevallen van wat men dissimilatie pleegt te noemen: wae
nbu
rreg (waarborg), f
erwâal (flewâal, fluweel). De wisseling van r en l is bijzonder grillig. Er is in Katw. een werkwoord reutele (oprakelen van de kachel); er is een oud werkwoord loteren (leuteren) dat de beteekenis "in onvaste beweging brengen, schudden" had.
Reutels zou hiervan een "dissimilatie" kunnen zijn, wanneer we uitgaan van een ouder Katw.
leutelen. Er is nl. in het Ned. Wdb. voor de visscherijtaal een subst.
leutel geconstateerd, als bijvorm van
reutel, waarmee men een schopje of spaan aanduidt, speciaal een
warleutel om gekaakte haring met zout te mengen (warren). In het Katw. heet dit voorwerp een
reutel, ook wel
leuter. Déze twee vormen zou men kunnen verklaren uit oorspr.
warleuter geassimileerd èn gedissimileerd tot
warreutel, of uit oorspr.
warreutel gedissimileerd tot
warleuter naar analogie van andere namen van werktuigen op -
er. Werkwoorden als
reutelen en
leuteren en
rakelen behooren door hun symboliek beteekenis (beweging, geluid en sensatie) bijeen.'
Ingewikkelde kost.
Nu heb ik het boek al jaren zelf in huis en bestudeer ik het voor de laatste, allerlaatste keer. Jaap kijkt ook nog een paar boeken na. Want we willen niks missen, voor ons
Katwijks woordenboek dat straks verschijnt. Alles moet erin. Voor de allerlaatste keer loop ik het boek van Overdiep door en dan mag het voor eeuwig stof vergaren in mijn boekenkast.
 |
| Pagina 80. |
 |
| Pagina 74. |
Citaten uit: G.S. Overdiep, met medewerking van C. Varkevisser,
De volkstaal van Katwijk aan Zee. Antwerpen, 1940, p. 105 en 102-103.
Het boek
De volkstaal van Katwijk aan Zee is ook online raadpleegbaar op de site van de DNBL.