Als je als kind een hotel aan zee moest tekenen, tekende je dit hotel. Met een vooruitstekende gevel met panoramarestaurant en daarboven hoog in de lucht op de twee hoeken twee lange stokken met rood-wit-blauwe vlaggen. Vlaggen die altijd het land in waaiden. Want de wind die kwam uit zee. Je wist het precies in je kinderverbeelding. Zoals je een boom of een huis tekende, of een auto, zo tekende je ook een hotel aan zee.
De zijkanten van dat hotel had je dan nog niet ontdekt, met letters over de hele gevel, een hoge H met lange stokken, die eigenlijk ook weer het hotel verbeeldden, met de rechterstok, net als de gevel, iets schuin naar voren – een soort van droste-effect maar dan anders – en de dwarsstok van de H die doorliep, als een dak boven het woord NOORDZEE, want daar lag het hotel nu immers aan, waarbij je opnieuw aan het vooruitstekende panoramarestaurant moest denken.
Als je er uit eten ging met een feestelijk gezelschap, probeerde je daar ook altijd te zitten, vooraan bij het raam, met dat iconische uitzicht. En het gekke was, het lukte ook altijd, als je belde om te reserveren. Toch zaten er als je dan op de afgesproken tijd binnenkwam, ook altijd mensen meer de zaal in. Hoe deden ze dat?
Het restaurant werd aan de onderkant met pilaren gestut,* maar eigenlijk zag je die niet, ze vielen niet op als je eronderdoor liep. Het was net of die hele bak, dat hele balkon van een restaurant, hoe moet je het noemen, in de lucht zweefde. Wat naar achteren en daarbovenop had je dan die naar voren hellende gevel met hotelkamers, drie etages maar liefst de hoogte in, met bij allemaal een balkon. Die had je ook over de lange hoge gevel die de Voorstraat in liep, maar daar waren ze een stuk kleiner. Kleine, repeterende, zichzelf herhalende, balkonnetjes. Nadat je die muur met letters had gehad. Hoe verzin je het allemaal! Welke architect had hiervoor getekend! Een hotel dat eigenlijk omgekeerd, tegen de zee en de wind in gebouwd was, met z'n hele gevel en vlaggen en wat dies meer zij. En als die vlaggen bij oostenwind ook nog eris naar zee waaiden, was het helemaal de omgekeerde wereld.
Het hele hotel ademde hotel. En zoals je een huis aan zee Huize Zeezicht noemde, zo noemde je een hotel aan de Noordzee natuurlijk Hotel Noordzee. Mislopen kon je het niet, onmogelijk, door die vooruitstekende gevel en die letters hemelhoog. Je hoefde maar te wijzen als een argeloze toerist je de weg vroeg.
Vissers die langs de kust voeren herkenden hun dorp heel gemakkelijk aan de glooiende daklijn van de huizen van na de oorlog, met daartussen als opvallende uitschieters de vuurtoren, de Oude Kerk en Hotel Noordzee.
Veel Katwijkers hebben het nog zien bouwen. Dat begon met het graven van een groot gat in de grond – niemand had dat nog gezien in Katwijk in de tijd waarover we spreken. Daar kwamen de kelders, het souterrain, en toen dat klaar was, kwam daar telkens weer een laag bovenop en ging dat helemaal de lucht in, totdat het vijfhoog was. Dit was nog nooit vertoond.
Van de vele Katwijkers die het toen hebben zien bouwen zijn er nog enkele over die het straks zullen zien afgebroken worden. Een hotel uit de jaren vijftig, dat net als de Christelijke Opleidingsschool, allang wel de monumentenstatus had mogen hebben. Als ik het wel heb, is de hele boulevard van Katwijk ook een naoorlogs beschermd dorpsgezicht.
Hotel Noordzee wordt gesloopt. Je gelooft het niet als je het leest. En je houdt je hart vast wat ervoor in de plaats zal komen.
* In de tijd dat de ruimte onder het panoramarestaurant nog niet was opgevuld met bebouwing.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten