zaterdag 1 juni 2013

Bellen in 1915

Naamlijst voor den telefoondienst, 1915.
Thuis heb ik nog een telefoonboek uit 1915. Het is een facsimile uit 1995.* Het op grauw papier gedrukte werk behoort tot de juwelen van mijn boekenkast en ik mag er graag in bladeren. Alle telefoonnummers die er toen waren, staan erin. Op 758 niet al te grote pagina's van 26 x 18 cm. Alle telefoonnummers... dat waren er toen 75.000. De namen waarbij ze horen, zijn keurig op alfabet gerangschikt, net zoals dat met de plaatsnamen het geval is.

'Katwijk', op pagina 447.
Een duidelijker, uitgetikt overzicht is hier te vinden.
Nog niet te lezen? Downloaden en dan naast het bericht bekijken helpt zeker!

Na Kamperland, Kapelle (op Zuid-Beveland) en Kats, een gehucht in het zuidoosten van Noord-Beveland, alle op pagina 446, volgt op pagina 447 Katwijk, met alle nummers van het dorp op nog niet eens één bladzijde bij elkaar. Want onderaan is nog ruimte voor het gehucht Kekerdom (bij Millingen aan de Rijn). Voor Katwijk tel ik 69 nummers, met voor Katwijkers ook nu nog bekende namen van personen en bedrijven uit Katwijk aan den Rijn, Katwijk aan Zee, Rijnsburg en Valkenburg. Dat zijn de gemeenten die onder het 'locaal telefoonnet' vallen.
Niet veel mensen hadden telefoon in 1915. Alleen degenen die handel dreven of op een andere manier aan de weg timmerden en de officiële instanties hadden een toestel. De verbinding met dat toestel kwam tot stand via de telefonistes van het Rijkstelefoonkantoor. Dat kon op werkdagen van 8 uur 's ochtends tot 9 uur 's avonds, en op zon- en feestdagen 's ochtends van 8 tot 9 uur en 's middags van 1 tot 2 uur. De rest van de dag kon je niet bellen of gebeld worden. Mensen zonder telefoon, dat waren de meesten, belden via de telefooncel naar de telefooncentrale. De 'openbare spreekcellen' waren gevestigd in het Post- en Telegraafkantoor te Katwijk aan Zee (dat was in de Voorstraat, waar nu een meubelzaak van Haasnoot zit) en in het Centraalbureel van het orale telefoonnet (waar dat zat, weet ik niet).
In Katwijk zijn het in die tijd vooral de rederijen en vishandels die een telefoon hebben: Dijkdrenth (met telefoonnummer 69), Dubbeldam (met nummer 63), Van Duijn (64), Van Duijvenbode (10), drie Den Dulken (38, 36, 14) en één Den Dulk Jaspersz. (52), vier visbedrijven met de naam Haasnoot (18, 16, 9, 51), waaronder een 'meester kuiper', rederij Meerburg (33), twee bedrijven met de naam Ouwehand (34, 19), een Parlevliet die alleen reder is en vis verkoopt (20), en een Parlevliet die behalve in vis ook in kaas handelt (32). De laatste in de tweede kolom die iets met vis heeft, is Jacob Pronk: naast zijn handel in haring runt hij Pension Lilly. Daarvoor bel je met nummer 5. In de derde kolom komen we alleen nog rederij 'Katwijk aan Zee' tegen, een naamloze vennootschap die in de Oude Kerk is gehuisvest. Na de bouw van de Nieuwe Kerk aan de Voorstraat fungeerde het bekende witte kerkje aan zee van 1890 tot 1920 als rederij, met telefoonnummer 17. Belangrijk voor de visserij is natuurlijk ook telefoonnummer 12 van scheepsbouwer Taat, al is de tijd van de bomschuiten die vanaf de werf aan de Voorstraat naar het strand werden gerold in 1915 wel voorgoed voorbij.
De toeristen die de kustplaats bezochten, konden behalve in Pension Lilly ook in Villa Gertrude (42) terecht of in Hôtel de Zwaan (41) of Hôtel du Rin (25), waarvan A.J. Houtkamp 'prop(riétaire)' was, dat wil zeggen de eigenaar.
Het gemeentehuis heeft nummer 2. Daar wordt ook de administratie van de gasfabriek (het toenmalige energiebedrijf) bijgehouden. De gasfabriek zelf heeft nummer 27. Nummer 1 is van de Nederlandsche Tiend Maatschappij van T.A.O. en O.J. de Ridder. Zij verpachtten land. De eerste, Tieleman Albertus Otto, was meer dan veertig jaar, van 1873 tot 1914, burgemeester van Katwijk. Naar hem is het De Ridderpark genoemd. Tegenover de gasfabriek, aan de overkant van het Prins Hendrikkanaal, was de pillenfabriek van Van Dorp gevestigd, hier aangeduid als 'Chem. Laboratorium', met nummer 66. Daar werd het versterkende drankje Tonicum Katwijk gemaakt. In de derde kolom zien we dat onder hetzelfde nummer naar de 'Societeit voor Chem. Industrie' gebeld kan worden. Bij drogisterij Waterreus aan de Burgerdijkstraat werd het tonicum vast wel verkocht, maar wilde je zeker weten of ze het op voorraad hadden, dan belde je gewoon even met nummer 60. En misschien dat kunstschilder Louis Hartz (nummer 65) daar zijn verf wel betrok. Mocht het drankje van de drogist niet helpen, dan kon je altijd nog naar een van de artsen, waarvan ik er drie tel: Hueting (met nummer 3), De Ruiter Zijlker (23) en Van Walsem (45). Voor de meer verfrissende vloeistoffen was er de mineraalwaterfabriek en bierbottelarij van Pluimgraaff (13) in de Zuidstraat. Het pandje bestaat nog steeds. Ook zien we dat er in 1915 al een 'vleeschhouwer' Kleen is, met nummer 26, en wordt er al brood en koek gebakken bij Van Tongeren & Zn., te bereiken via telefoonnummer 43. Beide firma's hebben het lang uitgehouden, tot ver in de twintigste eeuw.
Eén bladzijde uit het telefoonboek laat ons het hele reilen en zeilen van een gemeenschap zien, met bakkers, groenteboeren en slagers, en voor Katwijk in het bijzonder alle bedrijvigheid rondom de visserij. We ontwaren ook nog een smid, Gesink & Zonen (67), om alle paarden die er in het dorp rondlopen van nieuwe hoefijzers te voorzien. Een rijtuig kun je huren door met Van Schie te bellen op nummer 22. Bij een andere Van Schie (met nummer 56) kun je een lapje stof kopen. Dat kan ook bij de manufacturenwinkel van De Boer (nummer 61).
Er zullen zeker wel Katwijkers geweest zijn die alle 69 nummers uit hun hoofd kenden. Nu ik ermee bezig ben, merk ik dat ik sommige nummers ook al ga onthouden.
Zo'n telefoonboek geeft een mooi tijdsbeeld. In die ene bladzijde al, zit veel geschiedenis verborgen. Zoals we zien bij bloembollenteler Van Tol (57), die zich door de veranderende oriëntatie binnen Europa, waarschijnlijk als gevolg van de Eerste Wereldoorlog, in het Engels als 'bulbgrower' aanprijst, die ook handelt in 'califlower [sic] in brine', dat is bloemkool in pekel, oftewel gezouten bloemkool.
Het is mooi dat ook de adressen erbij staan, al zullen sommige allang niet meer bestaan. Zo heeft de Boulevard zoals we die nu kennen, in 1915 nog drie namen. Het noordelijke gedeelte heette Weth. Van der Plaskade. Daar woont 'bouwkundige' Kruyt, op huisnummer 4, met telefoonnummer 24. Het middenstuk was de Van Wassenaerkade, waar dokter Van Walsem praktijk houdt, op nummer 3. Het zuidelijke gedeelte heette Van Melskade. Daar schildert kunstschilder Hartz in Villa Coby op nummer 3.



Het telefoonboek laat nog veel meer zien dan die ene bladzijde. Voor andere dorpelingen en stedelingen zijn er weer andere dorpen en steden waaraan ze hun hart kunnen ophalen. Maar iedereen kent de Amsterdamse architect H.P. Berlage, die in 1915 aan de Amsteldijk 77 woonde met telefoonnummer Z2084. Of O. ('Oscar') Carré, met zijn circus aan de Amstel 115-125. Het theater heeft nog steeds hetzelfde adres, maar niet meer het telefoonnummer N2967.


Als je in Amsterdam een telefoongesprek aanvroeg, moest je tegen de telefoniste zeggen of je met een noordelijk of zuidelijk nummer te maken had: 'Men verzuime niet bij het aanvragen van een telefoonnummer, wanneer daarvoor de letter N staat, het woord "NOORD" en wanneer daarvoor de letter Z staat, het woord "ZUID" te vermelden.'


In Rotterdam zoeken en vinden we de Holland-Amerika Lijn, waarvan het gebouw nog steeds bestaat aan de Wilhelminakade. We zien een hele reeks telefoonnummers, van 5801 tot en met 5822. De afdeling Passage heeft nummer 5803, voor Vrachtzaken uitgaand bel je nummer 5821 en voor Vrachtzaken inkomend nummer 5822.


Op het eiland Urk zit nog een ansjoviszouter met de naam Hoekman (met telefoonnummer 8).


In Makkum vinden we de bekende plateelbakkerij van de gebroeders Tichelaar, met nummer 6.


Men draait er zeker niet omheen in die tijd, want zo vinden we in Castricum onder nummer 1 'Krankzinnigengesticht "Duin en Bosch"'.

Het schijnt dat sommige telefoonnummers uit dit 'geschiedenisboek van de werkelijkheid' nog zijn terug te vinden in de tegenwoordige telefoonnummers. Dat geldt dan natuurlijk alleen als het bedrijf of de instelling na bijna een eeuw nog bestaat.

Voor wie het boek niet heeft, zijn er nijvere lieden geweest die de Naamlijst voor den telefoondienst uit 1915 helemaal hebben zitten overtikken en online hebben gezet. Voor wie verder wil lezen, zijn er genoeg recensies, zoals deze.

* Uitgegeven door De Groot Ontwerpers/Uitgevers, Utrecht.

zondag 26 mei 2013

Meren in Meijendel


Een groot meer...


Eentje met een duikplank. O nee..., een aanlegsteiger.


En eentje die me altijd aan het meer in Oeroeg doet denken, van Hella Haasse.

zaterdag 18 mei 2013

Twaalf


Vooruit, omdat je jarig bent. Laat ik je es portretteren.

vrijdag 17 mei 2013

Knikkerputje – Wat ik mis (11)


Alles is hier georganiseerd en geregeld in dit land. Maar toen ze het knikkerputje, ooit een zanderige diepte tussen de tegels, gingen beregelen, was voor mij het hek van de dam.

zondag 5 mei 2013

Verzet


M'n moeder kwam ermee aanzetten, een theelepeltje uit de oorlog. Het roerblad gemaakt van een halve gulden met daarop het hoofd van Wilhelmina. Boven aan het stokje nog een keer het hoofd van Wilhelmina, maar nu uit een dubbeltje gezaagd en met een hartje eromheen. Munten van voor de oorlog. 'Er werden ook hangertjes en kettingen van gemaakt, van de munten die we hadden bewaard. Stiekem, want de Duitsers mochten het niet zien natuurlijk.'

dinsdag 30 april 2013

Het tennisbaantje van Juliana

tennisbaan Juliana

Heilige grond. Als je vanuit Katwijk op de Rijnsburgerweg voor de rotonde met de Wassenaarseweg rechts een pad in slaat, kom je op het terrein van het voormalige landgoed Nieuweroord. Op de plek waar ooit een landhuis stond, staat nu een hoog gebouw, dat ook al weer een paar keer van bestemming is veranderd: van zusterflat, voor de verpleegsters (en verplegers?) van het Academisch Ziekenhuis Leiden, via huisvesting voor studenten tot opvang van asielzoekers. Wie of wat er nu zit, weet ik niet. Als je links om het gebouw heen loopt, kom je ten zuidwesten daarvan op een tennisbaantje. Het ligt een beetje verscholen. Samen met het Bos van Bosman* is het het enige dat er nog over is van het landgoed. Het tennisbaantje dateert van het begin van de vorige eeuw en is nog door prinses Juliana bespeeld. Dat was tussen 1927 en 1932. Zij studeerde toen in Leiden en woonde in Katwijk.** Als ze niet naar college hoefde of aan zee vertoefde, was de prinses op Nieuweroord te vinden, om er met de jongeheren van het landgoed een potje te tennissen.***

Vandaag, op haar verjaardag, wordt haar kleinzoon koning.

De pijl wijst de tennisbaan aan.

* Genoemd naar de eigenaar van landgoed Nieuweroord, de textielbaron en multimiljonair Aleidus Gerardus Bosman (1871-1958).
** In villa 't Waerle. De ernaast gelegen villa Hoogcate was voor het personeel. De villa's bevonden zich ten zuiden van de in 2016 en 2017 teruggerestaureerde villa Allegonda (het vroegere hotel Savoy).
*** Bron: Peter van Zonneveld, Terug naar Leiden en Oegstgeest. Fietsen en wandelen met Jan Wolkers. Amsterdam, J.M. Meulenhoff, 2005.

dinsdag 16 april 2013

De Hoogstraat (2) – Nog even nagenieten


Deze foto's kreeg ik toegestuurd van Arie Duijndam.* Op het dammetje achter dit huis woonden zijn opa en oma. Het is het huis met de schutting waarachter de was te drogen hing uit het bericht hiervoor. Van de schutting is nog net een streepje te zien naast de man met het kind. Ongeveer van daaraf is de foto gemaakt van de Hoogstraat naar beneden toe. De voorgevel van het huis was op die foto niet te zien. Naast de reclameborden zag je nog wel een raam schuin op de hoek. Maar ís dat wel een raam? Als je goed kijkt, op die foto in het vorige bericht, zie je een stoepje. Daar zit dus een deur, en het raam voorbij de hoek, op de foto hierboven links in de voorgevel, lijkt wel een winkelraam te zijn geweest, omdat het groter is dan de twee ramen ernaast. Het winkelraam van de winkel waar ze het alkalivrije wasmiddel Echfalon verkochten, voor wol, en wijnen van de gebroeders Boer uit Vlaardingen.
Behalve de geparkeerde fiets zien we rechtsboven aan de gevel een straatnaambord, met tussen HOOG en STRAAT een spatie. Het huis op de foto heeft wel al een moderne, groenplastieken brievenbus. Dat is verplicht, omdat de voordeur 'zoveel' meter van de straat verwijderd is. Maar het huis heeft natuurlijk helemaal geen voordeur. Nooit gehad ook. Je ging door de winkel naar binnen. En nu de winkel geen winkel meer is, ga je achterom. En heb je zo'n brievenbus nodig. Misschien was het ook wel de brievenbus voor de mensen achter op het dammetje.

We lopen de Hoogstraat nog een keer naar beneden af. Hier is het huisje met het tuintje langs de gevel, met het spijlenhek ervoor, dat op de foto in het vorige bericht niet te zien was. Het staat voorbij het huis met de schutting, in de inham. Met een voordeur. Niet helemaal in het midden.

En hier de hoge schuur aan het einde van de Hoogstraat, waar de Havenstraat voorlangs loopt. Nu zien we ook hoe lang die schuur is (was). Rechts op de achtergrond is nog een oude haringschuur tussen het Prins Hendrikkanaal en de Tramstraat te ontwaren. Kom op, trappen jongens!

* Hij heeft ze weer van de Stichting Leefbaar Katwijk, van T. Janssens, die de foto's in 1989 maakte.

woensdag 10 april 2013

De Hoogstraat – Wat ik mis (10)


Alles op deze foto is weg. De schutting met de was erachter die te drogen hangt, de Echfalon-reclame op de muur, het bordje ernaast dat bijna niet te lezen is, maar waarop WIJNEN VAN GEBRS. BOER VLAARDINGEN staat. De schuur verderop, waarvan de dakgoot al half verdwenen is, en die als je ernaast stond, staande op je fiets, want je moest hard remmen met je terugtraprem daarbeneden aan de straat, opeens nog heel veel hoger was dan van het punt waar we nu staan, vanwaar de foto genomen is.

Dit is de Hoogstraat, een straat die nergens anders op de wereld was. Misschien alleen nog in een ver bergdorpje in de Pyreneeën, maar daar heette-ie beslist anders. De Hoogstraat was een straat, de naam zegt het al, zo hoog, of zo steil, dat je niet geloofde dat het kon. De straat liep niet gewoon omlaag maar met een boog, zoals een kind een brug tekent, of een berg, met huisjes en boompjes die er bijna vanaf vallen. Bij de schutting is het nog maar ongeveer honderd meter tot je beneden bent, maar je kan vanaf waar we op de foto staan het einde van de straat, het punt waar de Hoogstraat de Havenstraat raakt, de grond daar, niet zien. Mensen die daar lopen zie je vanaf hun knieën, en van fietsen die daar stoppen zie je een half wiel, alleen de bovenste helft. Dat komt omdat de straat zo bol loopt. 's Winters als het glad was, kon je maar beter schuifelend omlaag gaan, en 's zomers moest je met je fiets ook al vroeg beginnen met bij te remmen. Je móést ook wel remmen, omdat je niks zag, door die hoge schuur. Die mooie bolle Hoogstraat, zo hoog dat ze er nog een flauwe S-bocht in hadden gemaakt. Maar hoog bleef-ie. En in m'n gedachten altijd zomers, zoals op de foto. In de inham achter het raam naast de reclameborden – je kunt het op de foto niet zien – stond een prachtig huisje met een tuintje langs de gevel met een ijzeren spijlenhek ervoor. De voordeur was in het midden. Ook het witte huis met de dakkapel in de verte is er niet meer, maar dan ben je al in de Tramstraat.


maandag 1 april 2013

Het pakje Gauloises van Willem Frederik Hermans – Relikwieën en documenten 'Extra editie'*

Gauloises Willem Frederik Hermans

Wie er niet was, op het Boekenbal van 1988, was de grootste van de Grote Drie: Willem Frederik Hermans. Hij was die week wel in Amsterdam.** We kwamen hem tegen in De Brakke Grond,*** op een avond georganiseerd door de CPNB. Zwaar hoestend zat hij er achter een tafel, in een forumdiscussie met de Vlaamse dichter Eddy van Vliet. Het geprek ging over de relatie Nederland-Vlaanderen, het thema van de Boekenweek, en de gespreksleider was Joop van Tijn.

Na afloop praatten we nog wat na met de schrijver, en maakten foto's – Hermans wilde alles weten over de halfkleinbeeldcamera die Michel bij zich had. Er waren hapjes, happen, tafels vol, en bier en wijn vloeiden rijkelijk. De CPNB had aan alles gedacht. We staken nog een sigaretje op. En ik weet niet meer hoe het precies gebeurde, hoe snel ook, maar opeens duwde Michel dat pakje in m'n handen. Een leeg, verfrommeld pakje, achteloos op tafel gegooid.

Een kwarteeuw hangt het nu aan de muur, achter dik glas, op een donkere plek uit de zon, om het blauw blauw te houden, het blauw van Gauloises. De kreukels zitten er nog precies zo in als ze er ooit zijn in gekomen. Met de vingerafdrukken, of beter, handafdrukken van Willem Frederik Hermans. Een pakje uit Parijs, waar de schrijver woonde, aan de Avenue Niel 86. Echte Franse Gauloises, uit de bar-tabac om de hoek.

Voor de foto hierboven heb ik het glas nog maar eens goed opgepoetst. Mijn mooiste relikwie... Waarover moet ik nu nog schrijven?

Willem Frederik Hermans: De laatste roker

In 1991 verscheen de verhalenbundel De laatste roker. Daar was het pakje weer, uit dezelfde bar-tabac, maar nu platgevouwen.

Roken, je moet er maar niet meer aan denken, maar als je denkt aan de geur van een verse Gauloise... 's zomers in de zon...

* De serietitel (een label binnen deze blog) 'Relikwieën en documenten' verwijst naar Willem Frederik Hermans, Relikwieën en documenten. Een toespraak. Amsterdam, Uitgeverij De Bezige Bij, 1985. (Toespraak gehouden op 20 april 1985, toen de nieuwe behuizing van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te Den Haag werd geopend.)
** Stad met een stadsbestuur onder leiding van Ed van Thijn, dat de schrijver na een serie lezingen in Zuid-Afrika in 1986 tot persona non grata verklaard had, een ban die in 1993 haastig werd opgeheven toen Hermans het Boekenweekgeschenk geschreven had. Hermans was in 1988 op 14 maart in Amsterdam. Dat was op maandag. Het Boekenbal was altijd op dinsdag, de dag daarna dus.
*** Toen voluit 'Vlaams Cultureel Centrum De Brakke Grond' geheten, nu 'Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond', aan de Nes 45 te Amsterdam.

donderdag 21 maart 2013

Hé Johnny!

Johnny van Doorn alias The Selfkicker (1944-1991)

Het is weer Boekenweek en dan moet ik altijd denken aan die gouden tijd van de jaren tachtig. De tijd van toen de Groote Schrijvers nog onder ons waren. Ergens in die jaren tachtig, ik denk dat het 1988 geweest is of daaromtrent, dus al ver in de jaren tachtig, stonden we bij de ingang van de Stadsschouwburg te kijken. Te kijken naar de Groote Schrijvers, de Groote Dichters, en alle andere gasten en meelopers, die naar binnen gingen voor het Boekenbal. Kijk! Die en die en die en die!

Tot een van ons riep: 'Hé Johnny!' Ik drukte af. De man met de magistrááále stem! Vol in de lens!

'Wat nu: Johnny van Doorn. Een literaire vuurpijl',
met Yvonne van Doorn en Bart Chabot (VPRO 2012).

'Wordt dronken' (naar 'Enivrez-vous'
van Charles Baudelaire).

'Een magistrale stralende zon'
(uit De tijdgeest (1968) van Johan van der Keuken).

zondag 17 maart 2013

Het Prospect van Constantinopel

De leeuw hangt er niet, maar wel die andere prachtplaat van Humbert de Superville, die van de zondvloed.

En verder de brief van Willem van Oranje van 28 december 1574 aan de Staten van Holland, die de oprichting van de Universiteit Leiden inluidde, een kleine anderhalve maand later, op 8 februari 1575.


En ook de bijbel die hij de universiteit daarbij ten geschenke gaf. De Polyglotbijbel (Biblia Polyglotta), in vier talen: het Hebreeuws, Aramees, Grieks en Latijn. In acht dikke delen, tussen 1568 en 1573 in een oplage van wel duizend stuks gedrukt bij Christoffel Plantijn in Antwerpen. Wat een onderneming moet dat geweest zijn, met al die duizenden vellen papier en al die loden lettertjes en al die mensen die daarmee bezig waren!


En dan dat tot de verbeelding sprekende Prospect van Constantinopel, dat ligt er ook. Het meterslange panorama van de stad, met daarop alle moskeeën en andere belangrijke gebouwen, tussen 1559 en 1561 getekend door de Deense kunstenaar Melchior Lorichs.


Ergens in al die meters beeldt hij zichzelf ook af, terwijl hij aan de tekening bezig is. Soort van droste-effect. De man met de tulband houdt de inktpot bij.

Nicolaes van der Wiele schenkt het panorama in 1598 aan de universiteitsbibliotheek.


Daar krijgt het een plek op de linkermuur van de leeszaal. Dat zien we op een prent van Woudanus uit 1610. Daarna verdwijnt de tekening voor lange tijd uit het zicht, tot ze op een zolder weer wordt teruggevonden, en wij er nu van kunnen genieten.

Dit en ander moois – onder andere een prachtige foto van een oude en breekbare Jan Wolkers – is nog tot 30 juni te zien op de tentoonstelling Wereldschatten! Van Cicero tot Erwin Olaf in de Lakenhal te Leiden, over de Bijzondere Collecties van de Universiteit Leiden.

donderdag 7 maart 2013

De leeuw van Katwijk

D.P.G. Humbert de Superville, 'De leeuw voor de Hollandse kust', zwart krijt, waterverf,
672 x 1020 mm, collectie Prentenkabinet Universiteit Leiden, PK T-1542.

Zo wordt-ie genoemd. Maar misschien kunnen we beter spreken van 'de leeuw voor Katwijk'. Want ooit, aan het begin van de negentiende eeuw was het de bedoeling om voor de kust van Katwijk in zee een standbeeld van een leeuw neer te zetten. Een reuzenstandbeeld, zo groot als de Sfinx van Egypte. Als symbool van het vaderland, en Holland in het bijzonder. Vóór Katwijk. Ook dat zal een reden gehad hebben. Katwijk, 'het "durrep" bij uitnemendheid', zoals het ooit genoemd werd,* waar Ot en Sien nog rondgelopen moeten hebben. Katwijk als centrum van Holland en de wereld, plek waar alle wegen samenkomen, belangrijker dan Rome. Oergrond, met een witte kerk aan zee, waar de vissers hun vangst aan het strand brengen. Mooier beeld van een dorp aan zee bestaat niet.

PK 1984-167

PK 1984-168

PK 1984-169

PK 1984-163

De leeuw van Katwijk is geen grap. Het plan heeft echt bestaan. In het Prentenkabinet van de Universiteit Leiden vinden we de tekeningen van de bedenker ervan, David Humbert de Superville (1770-1849). Mappen vol. Er is een tekening in kleur van de leeuw in de golven, zoals je hem tegen had kunnen komen als je er rondvoer – noem het een 'artists impression' – en er zijn enkele bouwtekeningen, alles uitgewerkt tot in de details. Er is een complete, in het Frans gestelde beschrijving van het plan en, heel curieus, zelfs een plattegrond van waar le géant de la côte, symbolisant la Hollande ('de gigant van de kust, die Holland symboliseert') precies moest komen voor het dorp. Al ontgaat me de precieze plek. Is het die beduimelde plek voor het Mallegat, de destijds verzande uitloper van de Oude Rijn?

PK 1984-T-67 c

In 2005 was er in Leiden ter gelegenheid van het 86ste lustrum van de Leidse universiteit in het Scheltemacomplex aan de Marktsteeg 1 (hoek Oude Singel) een manifestatie rond Humbert de Superville en zijn leeuw. De tekeningen waren er tentoongesteld en er zou ook een heuse leeuw komen, waarvoor een kooi met dikke tralies gereed stond, met daarin een verhoging, een sokkel. Daar moest ie dan keurig op gaan zitten. Ik heb die kooi gezien, en die sokkel. Maar de leeuw kwam niet, omdat het op het laatste moment verboden werd.


Dit jaar bestaat ons koninkrijk 200 jaar. Wat zou er mooier zijn... een mooier cadeau aan onszelf... dan een leeuw in zee? Het plan ligt er. Het hoeft alleen nog maar te worden uitgevoerd. Een leeuw voor de kust van Katwijk! Dat moet toch mogelijk zijn. In deze tijd, waarin we in een handomdraai de zee vol windmolens plempen. Misschien... als straks dat beeld van Willibrord op z'n paard op de boulevard staat, dat dan in het kielzog van dat paard die leeuw kan worden opgericht.** Een leeuw in zee, die ons grommend aanstaart.


* Op pagina 11 van De volkstaal van Katwijk aan Zee, door G.S. Overdiep & C. Varkevisser. Antwerpen, 1940.
** Al was het maar alvast in de vorm van een laserprojectie.

Met dank aan Nelke Bartelings, Sylvia Compaan, Jan Cramer, John Frankhuizen, Ernst-Jan Munnik, Joke Pronk, Rijk Rijkschroeff en Jef Schaeps.


Nota bene: de tekeningen van Humbert de Superville komen binnenkort opnieuw naar de Oude Singel, naar Museum De Lakenhal. Ze maken daar deel uit van de grote overzichtstentoonstelling Wereldschatten! Van Cicero tot Erwin Olaf. De tentoonstelling, ter gelegenheid van het 425-jarig bestaan van de Universiteitsbibliotheek Leiden, laat de absolute topstukken zien uit de Bijzondere Collecties, de schatkamer van de universiteit.

zondag 3 maart 2013

Boekenkast


Ik heb nog een ontwerpje liggen voor een oude boekenkast. Ik denk dat ik me daar de komende tijd maar eens op ga storten. Ik heb al cannelures voor opzij. Dat zijn een soort zuilen met gootjes of groeven in de lengterichting. Beetje Engels-klassiek. Voor daarboven zoek ik nog consoles of 'schnecken'. Schnecke is Duits voor slak. In de houtbewerking is een schneck een krul boven aan een pilaar of lijst, waarschijnlijk zo genoemd omdat ie op een slak met een huisje lijkt. Je ziet zo'n Holzwerker im Schwarzwald zo'n ding voor de eerste keer uitvinden. Uren is-ie ermee bezig. Met voor 'm een slak die model zit – het beest is toch niet vooruit te branden. Maar dan, geschrokken van een tak die knapt – heeft een slak oren? –, begint-ie te bewegen, en trekt een slijmerig spoor achter zich aan. De man uit het woud is ook de kwaadste niet en beweegt gewoon met de slak mee. Om het verhaal nog even af te maken, boven de schnecken ten slotte komt de kroonlijst. Die steekt een beetje trapsgewijs uit. Voor alle duidelijkheid: wat daarboven het scheepje getekend is, is het grondplan.

Een console of schneck.

Een cannelure.